Plagiaat

door Karel Wasch

 

De wind joeg door de takken en kastanjes kletterden tegen mijn raam. Echt herfstweer. Absoluut niet geschikt om naar buiten te gaan. De postbode was al geweest en ik zag dat een literair blad een nummer naar mij had opgestuurd. (Naam niet bekend bij de redactie) Dat gebeurde regelmatig, want ik was toentertijd hoofdredacteur van Nynade, het roemruchte, literaire blad, inmiddels ter ziele.
Dat hield onder meer in dat andere redacties mij hun bladen stuurden, we wisselden advertenties en pikten abonnees van elkaar af, een leuke tijd. Ik schonk een mok koffie in en nestelde mij als een ware Olie B. Bommel in een makkelijke fauteuil.  De korte verhalen waren erger dan matig. De gedichten vielen mee. Toen gebeurde het! Mijn oog viel op een vers van een mij bekende dichter. (Naam niet bekend bij de redactie)
Hij had een aantal regels overgeschreven uit een vers dat ik jaren daarvoor had gepubliceerd. ‘De smeerlap!’ riep ik door de kamer en wierp het tijdschrift van mij af. Hoe was dit in Godsallejezusnaam mogelijk?!? Hadden mensen geen moraal meer? Konden ze zelf niets meer verzinnen?
Met wraaklustige gedachten belde ik op naar vrienden, naar de redactie van het tijdschrift, maar tegelijkertijd nam ik het besluit het fenomeen plagiaat eens onder de loep te nemen. Zo geldt: ‘Ieder bedrog heeft nieuwe ontwikkelingen in zijn kielzog!’ (En nu eens niet: ’Ieder nadeel hep so se voordeel!’)

Ik stuitte op de beroemde Engelse dichter en Nobelprijswinnaar T.S. Eliot (!888-1965). Hij zei eens: ‘Niet ontwikkelde dichters imiteren en ontwikkelde poëten stelen.’ Kortom, hoe hoger op de ladder, des te erger de misdaad?
De dichter uit Wales, Dylan Thomas (1914-1953) herkende imitaties altijd direct. ‘Fucked out Yeats’, zei hij eens toen hij een gedeeltelijk overgeschreven gedicht onder ogen kreeg gekopieerd van een vers van W.B.Yeats. (1865-1939)

foto (c)Byrdon Brights

 

In de Amsterdamse Nieuwmarkt waar ik toen woonde, was een griezelige pyromaan actief. Hij duwde lappen in benzine gedrenkte stof door brievenbussen.
Een oude vrouw verbrandde en de politie deed niets. We besloten een brandwacht te formeren van buurtbewoners. ’s Nachts drie uur wachtlopen in de kou-het was hartje winter- met z’n tweeën. Ik was in het gezelschap van de schrijver Bernlef (1937-2021), eigenlijk Marsman maar om begrijpelijke redenen veranderd in Bernlef. We hadden mooie gesprekken daar in de ijskoude nacht. Bernlef bleek een groot jazzliefhebber en dat was ik ook. Bij de tweede wandeling bracht ik het onderwerp plagiaat ter sprake. Tot mijn verbazing deed Bernlef er luchtig over. ‘Ach maak je niet druk Karel, iedere schrijver kopieert wel eens wat, ikzelf heb de hele Ierse literatuur leeggeroofd!’ Mijn bezwaren wimpelde hij weg en we hadden het er verder niet meer over. De pyromaan werd nimmer gepakt.

foto (c) Joost Hazewindes

 

De Vlaamse biografe Marie Lesy maakte het bont door in haar biografie over Jotie ’t Hooft hele stukken over te schrijven uit de biografie van Jean Paul Mulders ‘Een zeer treurige prins’ geheten.
Ze bood schoorvoetend haar excuses aan en er moesten inlegvellen aan te pas komen met de plagiëringen.om haar boek te ontgiftigen.
Adriaan van Dis deinsde er niet voor terug om in ‘Barbaar in China’ overgeschreven stukken te plaatsen. En de Amerikaanse dichter Mitch Ryder moest een literaire prijs teruggeven toen bewezen plagiaat opdook.
Zo kunnen we nog uren doorgaan.
Er zijn schilderijvervalsers, die beweren dat veel van hun nageschilderde stukken nog steeds in musea hangen, zonder dat iemand het heeft gemerkt.
Dat moet met literaire werken ongetwijfeld ook zo zijn. Bibliotheken vol plagiaat?

Blijft de vraag: waarom overschrijven? Beter goed gejat, dan slecht zelf verzonnen? Wie het weet mag het zeggen!

Geplaatst in Column.