Tijl Nuyts – Vervoersbewijzen

Reizigers in de openbare ruimte

door Herbert Mouwen




Van de dichter en literatuurwetenschapper Tijl Nuyts, die met zijn debuutbundel Anagrammen van een blote keizer in 2017 genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs, is een tweede bundel met de titel Vervoersbewijzen verschenen. De gedichten in deze dichtbundel gaan over reizende mensen in de openbare ruimte. De ‘Inhoud’ laat met de indeling in de verschillende afdelingen ‘Voetganger’, ‘Pendelaar’, ‘Pelgrim’, ‘Toerist’, ‘Boodschapper’ en ‘Vagebond’ zien met welke reizigers de lezer in deze bundel te maken krijgt. Het zijn reizigers die vaste routes volgen en op vaste tijden reizen, vrije tijdsreizigers of vakantiegangers, reizigers die een boodschap afgeven of overbrengen en religieus bewogen reizigers. Zich in de openbare ruimte bewegen houdt de mens in leven, zou het motto van deze bundel kunnen zijn. Echter, het werkelijke motto van de bundel richt zich tot twee groepen, namelijk de seculiere en de religieuze denkers. Seculiere denkers moeten religieuzer muzikaal worden, want ze zijn religieus toondoof; de religieuze denkers moeten daarentegen tevens seculier muzikaal zijn. In Tijl Nuyts’ Vervoersbewijzen ontmoeten enerzijds beide groepen denkers elkaar, anderzijds lopen ze langs elkaar heen.

In de gelijknamige afdeling van de bundel reist de pendelaar per trein in 1 uur en 12 minuten van Antwerpen-Centraal naar Meiser bij Brussel. In het gedicht ‘Antwerpen-Berchem (17:11)’ worden pendelaars als volgt gekarakteriseerd:

Pendelaars zijn verlegen
wanneer het gaat om de dingen
die ze belangrijk vinden.
Uiterlijk vooruitsnellende,
innerlijk wachtende wezens.
Maar ooit, zegt men, vloeit alles eruit.

Het is een gedicht met mooi geformuleerde versregels, zoals ‘De trein zucht zich in gang’, ‘Achter me het geschuifel / van mijn medepassagiers, als cavia’s / in zaagselvlokken’, ‘De trein is een slinger / sarcofagen die stopt in elk station’ en ‘We lezen heilige boeken / zoals we door een vettige ruit kijken.’ Niet alle gedichten zijn toegankelijk. Sommige gedichten bevatten moeilijk te bevatten beelden of Franstalige citaten, waarvan de relatie met de Nederlandse tekst niet altijd duidelijk is. Soms vraag je je af wie de personages in een bepaald gedicht zijn, soms ook wat er nu precies in een gedicht gebeurt of welke kwestie er speelt. Verrassend zijn de subtiele verwijzingen naar het religieuze in enkele gedichten, zoals in de versregels ‘Ik verslik me in een onzevader’ en ‘God, / Jij maakt onze gedachten af / zoals wij onze mede passagiers / met een oud keukenmes.’ Opvallend is ook dat in zowel het eerste gedicht als in het laatste gedicht van deze afdeling wordt verwezen naar de Brusselse rapper Romeo Elvis en zijn zus, zangeres Angèle. De dichter verbindt in zijn gedichten de meest uiteenlopende zaken met elkaar, zoals in ‘Haren (18:11)’: ‘Ik krijg zin om bullshitgedichten te schrijven / over iemand die de trein neemt en nadenkt / maar lees enkel losse zinnen / over zerken en wolken, / over hoogvliegende kraanvogels / en de appelgeur van het gras.’

De afdeling ‘Pelgrim’ heeft een ander karakter, de toon is anders. In de gedichten ‘Thomas – Santiago de Compostela’ en ‘Liedts – Safed’ worden de reizende pelgrims  een aantal malen streng corrigerend toegesproken met ‘Jullie…’, zoals in ‘Jullie dragen schelpen en medaillons / op jullie PRIMARK-outfits. Goedkope loden / of tinnen insignes, eigenlijk souvenirs.’ Hier botst de religieuze met de seculiere wereld, wat overigens kenmerkend is voor de hele bundel. In het gedicht ‘Lefrancq – Mekka’ klinkt spot door, nadat de vier bekende hedendaagse filosofen Jürgen Habermas, Charles Taylor, Judith Butler en Cornel West ‘in de tram’ gezien zijn. De eerste strofe eindigt met de opvallende versregels ‘Er werd gekeuveld over religie / in de openbare sfeer, heel informeel, heel gezellig.’ Dit soort onverwachte wendingen dwingen de lezer ertoe voortdurend zijn standpunt na de eventuele herlezing van een gedicht opnieuw vast te stellen. In de ruimte van Nuyts’ gedichten, die openbaar is en dus voor iedereen toegankelijk is, is de mogelijkheid dat je als lezer verdwaalt groot; de kans dat je de weg terugvindt, is duidelijk minder.

In de afdeling ‘Toerist’ zijn tien gedichten opgenomen die de reiziger met de metro laat reizen. In de titels van de gedichten zijn islamitische begrippen opgenomen, die in de Koran besproken worden. Om er enkele te noemen: tawba (berouw), sabr (geduld), faqr (armoede) en taqwa (vroomheid). Het gedicht ‘Taqwa – Vroomheid: Weststation – Gare de l’ouest’ refereert aan de aanslagen op 22 maart 2016 op Brussels Airport en het metrostation Maalbeek. De strofe ‘Er is ons gezegd uit te kijken voor een man met een hoedje, / maar als we onze ogen openen, zien we enkel zon en spijkers.’ roept moeiteloos de beelden en de herinneringen aan deze gruwelijke gebeurtenissen op.

Tijl Nuyts is een kundig en authentiek dichter, maar wanneer de lezer niet uitkijkt, dan wordt hij overrompeld. De gedichten dienen zich wat de inhoud betreft op een overweldigende manier aan. Formeel zijn ze traditioneel van opzet. Ze zijn anekdotisch van aard met een direct taalgebruik. Soms wordt de beeldentaal teveel, dan moet de lezer afhaken en de bundel wegleggen. Vervoersbewijzen is een dichtbundel, waar telkenmale geconcentreerd in gelezen moet worden, wil deze zijn inhoudelijke geheimen prijsgeven. Hoe Nuyts tegen de dichtkunst aankijkt, wordt duidelijk in het gedicht ‘Vierarmentunnel’, een autotunnel die ten oosten van Brussel ligt. Het staat in de afdeling ‘Vagebond’, waarin alle gedichten voorzien zijn van een navigatie-icoontje. Het is een poëticaal-reflecterend reisgedicht over zijn persoonlijke dichterschap, een droomgedicht:

Vierarmentunnel

Ik droom van een toeristenbus
die voor elke gedachte
ontoegankelijk is, ook
wanneer die in een gedicht
wordt uitgedrukt.

De bus raast over de ring
en iemand fluistert sonnetten
in het oor van de chauffeur.
De dichter leeft al lang niet meer.
Hij parkeerde zijn auto aan de rand
van een Amerikaanse snelweg,
stapte uit en sprong van een brug

op het beenharde ijs van de Mississippi.
Niemand weet nog hoe hij heette
en zijn gedichten zijn al lang niet meer
met korting verkrijgbaar aan het loket.
Gelukkig heet iemand ze uit het hoofd geleerd.
Dat apprecieert de buschauffeur.

High van de poëzie doet hij een schietgebedje,
trapt het gaspedaal in
en stijgt op.

De dichter naar wie verwezen wordt, is de Amerikaanse dichter John Berryman (1914-1972) die zelfmoord pleegde op de wijze zoals in het gedicht vermeld wordt. Hij werd vooral bekend met de bundel 77 Dream songs waarmee hij in 1965 de Pulitzerprijs voor poëzie won.

De bundel Vervoersbewijzen heeft iets weg van een drukke vertrekhal van een groot vliegveld, met zijn veelsoortige eet- en drinkgelegenheden, zijn luxe tax free shops en zijn verfrissings- en toiletruimten. De reizigers lopen kriskras door elkaar, haasten zich naar de juiste gate, wachten eindeloos, vergapen zich aan dure producten, kopen boeken, lezen kranten en tijdschriften, bellen nog even met thuis en kijken naar de vliegtuigen. De titel verwijst niet alleen naar de tickets die reizigers moeten aanschaffen om met het openbaar vervoer te mogen reizen, maar – hoe kan het ook anders – de vervoersbewijzen zijn ook de gedichten zelf. Deze poëziebewijzen op papier – het zijn er maar liefst 59 – tonen aan dat de dichter de reizigers in allerlei openbare ruimtes in verschillende omstandigheden ontmoet heeft en dat hij op geheel eigen wijze hiervan verslag doet.
____

Tijl Nuyts (2021). Vervoersbewijzen. Wereldbibliotheek, 92 blz. € 22,99. ISBN 9789028451988

Geplaatst in Recensies.