Astrid H. Roemer – Ik ga strijden moeder

Zij zingt

door Peter Vermaat




Haastwerk. Zoveel kan worden gezegd van de inleiding tot Ik ga strijden moeder, een bloemlezing uit de poëzie van Astrid Roemer door Koos van den Kerkhof. Niet alleen is het stuk slonzig geredigeerd, ook een lijn ontbreekt. Wat anders kan de aanleiding zijn, dan het feit dat Roemer dit jaar de Prijs der Nederlandse Letteren weliswaar kreeg toegekend, maar niet feestelijk uitgereikt? Dat laatste kwam overigens op haar eigen conto door een wat minder verstandig bedankje aan het adres van de Surinaamse oud-dictator Desi Bouterse.
Had Van den Kerkhof een poging gedaan om, ter gelegenheid van Roemers vijftigjarig schrijverschap, de betekenis van haar werk voor de Nederlandse literatuur te duiden, dan was dat nog begrijpelijk geweest. In plaats daarvan debiteert hij wat oppervlakkigheden over de vermeende ontwikkeling in haar poëzie van persoonlijk en emotioneel naar ‘pure muzikaliteit, taligheid en vormkracht’.

De inhoud van de bundel bewijst juist zijn ongelijk: voor het slotgedicht ‘Mama HLC 1923-2019’ geldt die persoonlijkheid en emotionaliteit evenzeer als voor het openingsgedicht ‘voor mama’. De selectie maakt hiermee de cirkel rond en juist dat, die constante factor in de poëzie van Roemer, zou een zinvolle en ook bewijsbare rode lijn zijn. Overigens blijkt niet alleen uit de inleiding en uit de verantwoording, maar ook uit het feit dat er ook ongepubliceerd werk in de bloemlezing is opgenomen, dat Roemer zelf actief heeft bijgedragen aan de keuze uit haar dichtwerk. Mogelijk ligt mede daardoor de nadruk op het latere werk, ten koste van het vroegere. Of Roemer eveneens nauw betrokken was bij de inleiding betwijfel ik: Van den Kerkhof citeert ‘ik zal strijden moeder’ uit Roemers eerste bundel, terwijl de titel van de bloemlezing luidt Ik ga strijden moeder en in het openingsgedicht duidelijk alleen ‘ik ga strijden’ te lezen is. Zo’n rommeltje veeg je als auteur toch even aan.

Al in haar eerste bundel, die ze in 1970 onder het pseudoniem Zamani publiceerde, gebruikt Astrid H(eligonda) Roemer naast het Nederlands ook Sranantongo, een voornamelijk in Suriname gesproken creooltaal. Ook al beheers je die niet als lezer, de muzikaliteit van de dichter blijkt er duidelijk uit:

patatatei

yu na patatatei na ini mi ati
djonsro mi ati no sa naki moro
mi lobi yu
nanga ala mi bro
patatatei e moro mi yu lobi
sa kiri puru mi libi

tamara mi begi yu
frekti mi grebi tu

als bruidstranen ben jij
slingerend om heel mijn bestaan
ik bemin jou totaal
bruidstranen overwoekeren mij
jouw liefde grijpend
ademloos ben ik

eindigt mijn tijd omstrengel
dan vooral het graf
mijn lief

[p. 27]


Roemer vertelde in interviews dat ze haar gedichten eerst in zichzelf zingt en daarna pas opschrijft. Er is dan ook een aantal bundels die eerder (kinder)liedjes dan gedichten bevatten. In die periode gebruikt Roemer nogal eens eindrijm, wat niet altijd de beste resultaten oplevert (‘(…) straks op het station gleed / hij stoer van jouw pon gewoon / naar de top van mijn borsten / jij sloeg met je arm / maar ik werd weer warm / voerde vogels met meer dan mijn korsten (…)’ (p. 43)).
Het beste is ze op dreef wanneer ze klank en ritme kan verbinden met eindrijm, binnenrijm, zelfs acrostisch rijm en bovenal een bijna mantrische herhaling, zoals in onderstaand gedicht, in 1990 gepubliceerd in De Gids:

O dichter zonder nageslacht

hij kent de kieren van de dag
omdat hij uitziet naar het donker
en dan zodra die nevel valt
weerkaatst de stilte van een ochtend
in hem staat één geliefde op
zij kust zijn mond
zij kust zijn hand
– niet eens de zon weet van dat branden –
maar al wat waar is lost zich op
de inkt, de letter, de gedachte
herinnering en toekomstdroom
pijn van te veel natte nachten
en zweet dat stinkt naar dagelijks brood
hij kent de lust van zijn geliefde
hoe zacht zij hem tot zingen drijft
zo zoet, zo bitter, en bezeten
kwatrijnen hem om adem smeken
in hem staat één geliefde op
zij kust zijn mond
zij kust zijn hand
– niet eens de zon weet van dat branden –
maar al wat waar is loste op
de maan, de straten, de gebouwen
zelfs zomerwind en horizon
en het verlangen naar de vrouwen
bevrijdt hem van een zelfmoordkracht en
in de kieren van de dag
terwijl hij uitziet naar het donker
wordt hij van kinderlachen
dronken
o dichter zonder nageslacht.

[p. 117]


Wanneer je begint te lezen, trekt het gedicht je naar binnen en dendert door tot de laatste punt. Pas na een aantal keren lezen besef je dat het gedicht als een paradox beschrijft hoe de dichter uiteindelijk zonder gedicht, ‘zonder nageslacht’ achterblijft. Het gedicht, waarvan je deel uitmaakt, materialiseert niet, hoezeer het als taalbouwwerk ook in elkaar grijpt, het blijft een bijna ademloze aaneenrijging van sferen, klanken, woorden.

Hoe representatief deze bloemlezing is voor de poëzie van Roemer kan ik moeilijk beoordelen, laat staan welke plaats de poëzie in haar gehele werk inneemt. De prijzen die ze ontving (PC Hooftprijs in 2016 en de Prijs de Nederlandse Letteren) liegen er op zich niet om, maar zijn tegelijkertijd ook de enige prijzen die aan haar werden toegekend. Voor haar gehele oeuvre, niet voor individuele werken. Mogelijk geldt dit in vergelijkbare mate ook voor haar poëzie: er blijkt zeker technische beheersing en zeggingskracht uit haar gedichten, maar een ‘jaloersmakend vers’ tref ik er niet in aan. Wat ik er wel in aantref, is – in verschillende gedaanten en nogal eens in een spiegel – de dichter.
Zij denkt. Zij roept. Zij vreest. Zij heeft lief. Zij woedt. Zij weet. Zij treurt. Zij herdenkt. Zij ontkent. Zij strijdt. Zij zingt.

Zij zingt. Vooral dat. Laat dat genoeg zijn.

____

Astrid H. Roemer (2021). Ik ga strijden moeder. In de Knipscheer, 136 blz. € 19,50. ISBN 9789493214576

Geplaatst in Recensies.