Astrid Lampe – Tulpenwodka

Ontsnappen aan de bijensterfte

door Johan Reijmerink




Cees Nooteboom is naast schrijver en dichter, ook vertaler. Bij het vertalen van de poëzie van de Peruviaanse dichter Cesar Vallejo moest hij vaststellen dat het hem veel moeite had gekost om het oorspronkelijke gedicht tot zijn recht te laten komen. Hij wist zich geconfronteerd met hermetische poëzie. Ook zijn eigen poëzie roept dikwijls bij lezers de nodige weerstand op. Ze staat bekend als toegesloten, intellectualistisch en raadselachtig. Op de vraag wat hij van die oordelen vond, was zijn antwoord: ‘Wie eist dat alles coûte que coûte rationeel helder en duidelijk moet zijn, gaat voorbij aan het wezen van de poëzie. Het huis van de poëzie heeft vele woningen, de rationele is er één van, de anekdotische een andere, maar er is ook een mystieke.’ En dat laatste is iets wat ik eigenlijk mis in de nieuwe bundel Tulpenwodka (2021) van Astrid Lampe. Haar poëzie is rationeel en anekdotisch, kent een grote maatschappelijke betrokkenheid en scherpzinnige observaties, waarbij je de vraag kunt stellen in hoeverre je je als dichter mee moet laten voeren met de maatschappelijke ontwikkelingen. Zeker, moeder Gaia wordt ernstig bedreigd!

Deze bundel staat in het teken van de coronacrisis met al zijn menselijke en onmenselijke kanten. De crisis heeft een mania in Lampe losgemaakt: ‘het virus speurt naar onderliggend lijden / de aarde is plat en de pathogenen poten hun / jakobsladder in de permafrost // pendelaars en creatieve duizendpoten dromen zich / hardop een weg uit de crisis’. De ‘dubbele huidhonger’ groeit met de dag. ‘Gratis geld’ wordt door de regering verstrekt: ‘kon de empathie ook maar / gewoon bijgedrukt of in pakketjes genetisch materiaal / van mens op mens overspringen terwijl je / op een zuurtje zuigt’. Hilarische humor doet ook mee. Alle maatschappelijke geledingen komen in beeld: van sekswerkers tot ministers. De bundel eindigt met de ‘rouw [die] nu bij me hoort ‘zoals de woestijnstad bij het zandlichaam waarin de dakar rally / zich vastbijt’. Dat alles passeert ons in de hoop dat we een keer ontsnappen aan deze ‘bijensterfte’, maar dat vraagt van ons het verlangen naar ‘hoger honing’ wat gaan temperen. Crisis is nu eenmaal altijd de route naar verandering.

Van meet af aan kom je bij het lezen van deze bundel in een smeltkroes van woorden, beelden en situaties terecht. Ze komen soms met vulkanische hevigheid op je af en ebben weer vlammend bij je vandaan. Zeker, deze poëzie heeft vaart, misschien wel te veel vaart. De woorden en beelden volgen elkaar snel op. Dikwijls krijg je de indruk dat er kort op elkaar in één gedicht meerdere kortere gedichten worden gestart. Dat fragmenteert ze naar vorm en inhoud. De verzen zijn meer lang dan kort, bevatten veel materiaal om over na te denken. Er hangt een beweeglijke onrust in deze poëzie. Dat is ook weer niet zo vreemd als je bedenkt dat Lampe deze gecompliceerde crisis in beeld wil brengen: ’in huiselijke kring deelt het geweld / souvenirtjes uit de / boze buitenwereld / is nu binnen’. De crisis is in iedere levenskring onmiskenbaar aanwezig: ‘ik zie // de tijdgeest licht als helium recht onder de douche vandaan / uit zwart protest zo goed als naakt / de straat op gaan’.

Leestekens en hoofdletters ontbreken. Veel verzen met strofen van ongelijke lengte bevatten veel associatieve sprongen. Enjambementen vieren hoogtij en zorgen voor de nodige inhoudelijke spanning. Als er gedichten zijn die wel anekdotisch doorlopen, doen de invallende gedachten en beelden nogal eens afbreuk aan de lyrische opbouw. Zo nu en dan wordt een gedicht cyclisch opgebouwd. Dat geeft aan een dergelijk vers meer zeggingskracht. Ze neemt het ‘verlichtingsdenken’ waarvan onze samenleving zo doortrokken is, danig onder vuur. Ze toont een sterke betrokkenheid bij de dystopische omstandigheden waarin we met zijn allen zijn beland. Hoe Lampe zich onverholen op de persoon gericht kritisch en veroordelend uitlaat, blijkt bijvoorbeeld uit een gedicht over de voormalige ‘scheidende’ minister van verkeer & waterstaat, zoals die ‘met het asfaltbelang’ als ‘hoofdpijndossier’, en met een ‘mantelpak [aan] dat net weer terug is van de stomerij’ het dossier ‘zwartgelakt over de schutting [heeft] gekwakt’. Blijkbaar geven deze gebeurtenissen de dichter bij uitstek aanleiding tot het schrijven van poëzie. Ze ‘schrijft zichzelf // gif / gif / gif // tegen de achtergrond van het bamboebosfotobehang / [terwijl] de minister [nipt] van de tulpenwodka maar nu / op camera en lacht / de zoo is in lockdown de minister bevrijdt zich van/ haar kwellende wreefbandjes // weer wordt het zomer / gif / (…) / in plaats van een gesponserd mondkapje draagt de minister / gif / haar lach van synthetisch rubber’.

Op meerdere plaatsen laat Lampe haar ironische, maar vaker nog haar cynische blik gaan over de gebeurtenissen: ‘De cynicus baant zich een weg door het bijbelse thuisland / al blinder uithakkend op het mysterie // (…) de kringverjaardag snoert me in / de gulle gever van de avondklok praat me een molensteenkraag aan // ik sla de spindoctor af / hij ontlaadt zich elektrisch’. Bizarre beelden. Aan alle kanten rukt de technologische bedreiging op en tekent het verzet van Gaia er zich tegen af: ‘van bomen en planten oogsten wij // gif uit de wortel van de zwarte walnoot // om met een egel op schoot het algoritme te verstikken / voor definitief // alle vlechtheggen in het cultuurlandschap zijn wegbezuinigd’. De poëzie van de goede aarde viert hier hoogtij.

De bundel leest inhoudelijk als een doorlopend geheel. Hoewel de titels boven de gedichten als ordenende leidraad ontbreken, evenals namen van afdelingen, is de bundel niet voor niets ‘tulpenwodka’ getiteld. In eerste instantie denk je daarbij aan een cocktail van bedreigende coronawederwaardigheden in een Hollandse context. Deze Russische brandewijn brengt vervolgens nogal wat blindheid en verdoving teweeg bij gezagsdragers en burgers, en dit alles wordt, onverschrokken en ongefilterd, gepresenteerd aan het lezerspubliek:

Mijn nagellak licht op in het donker mijn muze

is nu ook aan boord het verlichtingsdenken kruipt als verstekeling
onder de perkamenten vampiervleugel vandaan

in het belendende vertrek springt op het grote hemelbed
de laptop uit sluimerstand

met dunne lippen klimt de haat langs een tijdlijn op en wordt
veelkoppig afgetopt

in het gedicht wordt mijn engelengeduld beloond met

een eersteklasslaapcoupé
de tulpenwodka blijft rondgaan en het spoor raast hier
als vloeibare honing onder ons door

Deze poëzie ontkomt niet aan een zekere gewrongenheid en verliest zich nogal eens in te veel beeldrijke taalvondsten die elkaar kort opvolgen. Deze overdaad schaadt het overzicht per gedicht. Je wordt er als lezer door overspoeld.

De andere problematieken die in deze coronacrisis zichtbaarder worden in dit gave land van tulpen en molens, dringen zich nog duidelijker dan ooit onomkeerbaar aan ons op. Zo zijn er de vluchtelingenproblematiek, de beeldvorming van politici met het oog op hun verkiezing, ministers die niet goed functioneren, de bedreiging van koraalriffen, de overvallen op onschuldige caissières, maar ook de overlevingsstrategieën, de inspiratieloze zoombijeenkomsten en een president die de democratie op het spel zet. Lampe bestrijkt een breed spectrum van rampzaligheden, waarbij ze de vraag opwerpt hoe de poëzie daartoe kan verhouden, wanneer ‘de toekomst (…) aan de beademing [ligt]’:

hoe verhoudt mijn poëzie zich tot de chaos in de wereld
het christendom

pimpampetten met de president

de poëzie plaatst
het paraffinealfabet van de verdwijnwoorden
boven de wet en walg van de notoire spelbreker
de poëzie schraapt het bakvet van de bodem keert de pan en maakt leven

keert de pan en maakt leven
vult het pashok met verwantschappen

de gospel drukt
een kus van bladgoud op het kruishout
onder een streeploze hemel gaan
de bloedmobieltjes op vliegtuigmodes

big floyd amen

voor de deur van een poetryslam
de president in zijn bunker
aast op mijn zwarte koning
trekt zich – hand op de bijbel –
op aan het vijandsbeeld

Om nog even terug te keren bij de verklaring van Nooteboom: Lampe is in haar nieuwe bundel vooral scherpzinnig en rationeel bezig geweest in haar rangschikken van woorden en beelden, te midden van flarden anekdotiek. Er springt te weinig ‘laag bij de grond (…) / in een paar rake streken / passie naar een nieuwe bestemming’. Van het reiken naar een nieuwe horizon in dit ondermaanse heb ik weinig gezien. Het is niet meer dan meer van hetzelfde: ‘je mag weer aan me zitten / de limonadefabriek stoor religie uit / loost haar genade op de beek’. Ze biedt bij nader inzien me enkel ‘het talent dat je vleugels geeft / aan de bijensterfte te ontsnappen’.

Ten slotte wil ik mijn waardering uitspreken voor de taalvirtuositeit die Lampe opvoert in deze bundel, hoewel ik enige matiging zou toejuichen. Ik wens haar ook meer lyriek in haar dichterlijke stem en mystiek in haar beleving van de dingen toe. Ze is in het poëtisch landschap hoe je het ook benadert, een waardevolle en krachtige stem die het lezen waard is.
____

Astrid Lampe (2021). Tulpenwodka. Querido, 80 blz. € 17.00. ISBN 9789021436920

Geplaatst in Recensies.