Kenneth Swaenen – Witte dwergen

Natuurkunde voor de onderbouw

door Peter Vermaat



Witte dwergen

We verzetten ons
eerst met mild geschuifel
zoals keizerpinguïns clusteren
om een sneeuwstorm te trotseren

maar als de druk blijft stijgen
stopt ook die beweging
worden we als elektronen in een witte dwerg
tot stilstand gedreven

kunnen we je warmen
met foto’s van een waakvlam?

we storten niet in
doven liever uit.

[p. 43]

Een witte dwerg stort niet verder in door het uitsluitingsprincipe van Pauli in combinatie met het onzekerheidsprincipe van Heisenberg. Het uitsluitingsprincipe van Pauli zegt dat hooguit twee elektronen dezelfde positie en impuls mogen hebben. Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg {\displaystyle \Delta x\cdot \Delta p=\hbar /2}, ∆x . ∆p = ћ/2 met ћ de constante van Dirac) zegt dat als elektronen ruimtelijk (x) dichter bij elkaar komen, hun impuls (p) moet toenemen. ‘In een witte dwerg zijn de elektronen zo dicht op elkaar gedrukt dat er geen lage energieniveaus meer beschikbaar zijn, waardoor de elektronen een grotere impuls moeten krijgen. Die impuls zorgt voor het ontstaan van een druk waardoor de witte dwerg ondanks zijn eigen zwaartekracht niet verder kan instorten. Elektronen in deze toestand heten ontaard.’ De natuurkundige vergelijkingen die voor ontaarde materie gelden, zijn relatief eenvoudig: de druk hangt alleen af van de dichtheid, de temperatuur doet er niet toe. [Wikipedia]

Het is niet mijn gewoonte om bij de bespreking van een bundel met de deur in huis te vallen, maar bij Witte dwergen, het debuut van Kenneth Swaenen, kan dat niet anders. Zoals wel vaker gebeurt, geldt ook hier pars pro toto voor het titelgedicht. Uit de hierboven geciteerde relevante passage uit Wikipedia wordt door Swaenen op pagina 4 van zijn bundel uitsluitend de cursieve tekst overgenomen. Dit lijkt een interessante ondergrond voor het titelgedicht, met de suggestie van het dicht opeen kruipen van een groep onder invloed van de ‘witte’ antarctische kou en als gevolg van druk van buitenaf. Het interne skelet van het gedicht, namelijk de associatie wit – koud – warm – vlam – uitdoven, is duidelijk zichtbaar.

Een witte dwerg is echter een hemellichaam dat is gevormd door een implosie, waarbij alle materie eruit geperst is en alleen een kern van elektronen rest. De witte dwerg stort niet verder in omdat de energietoestand van de resterende elektronen een verdere krimp onmogelijk maakt, terwijl hun eigen zwaartekracht ze indien mogelijk nog verder in elkaar zou drukken. De in het gedicht gebruikte vergelijking wordt daarmee bij nadere beschouwing onbruikbaar.

Dat is een staaltje Natuurkunde voor de onderbouw, dat achteraf, bij nadere uitwerking in de hogere leerjaren, steeds niet blijkt te kloppen.

Naast de astronomie wil Swaenen ook zijn klassieken kennen. Wat te denken van een gedicht met de titel ‘Impasse’? Dat klinkt bekend en dat is het ook. Links het gedicht van Swaenen, rechts het origineel van Martinus Nijhoff uit de bundel Nieuwe Gedichten:

Impasse

 

Je vraag kluift rijkelijk aan de wolken

die als spinnen naar een uithoek kruipen

ik schuifel over één gesponnen draad en

word al druppelend op mijn plaats gezet

 

in jouw keuken was ik altijd al dichter

kleven de seconden aan mijn vingers

door de uren bij hun naam te noemen

blijf ik in contact met de dingen

 

je tuimelt met mij mee

verder nog naar binnen

tot we samenkomen tot geluid

 

we kunnen de tijd nog inhalen

we moeten er alleen

de pas in houden.

 

[p. 21]

Impasse

 

Wij stonden in de keuken, zij en ik.

Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.

Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag

wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

 

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,

en de kans hebbend die ik hebben wou

dat zij onvoorbereid antwoorden zou,

vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

 

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,

haar hullend in een wolk die opwaarts schiet

naar de glycine door het tuimelraam.

 

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan

druppelend water op de koffie giet

en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

 

[Verzamelde Gedichten, Bert Bakker, 1990, p. 216]

Met opzet heb ik de woorden dik gedrukt die in beide gedichten voorkomen. Kijkend naar het gedicht van Nijhoff ontdek je daar de structuurelementen die de spanning van de vraag van de dichter aan zijn muze uitdrukken: tegenover ‘vraag’ in de eerste strofe staat ‘antwoordt’ in de laatste, de beweging omhoog van de wolk die opwaarts schiet staat tegenover de neerwaarts trekkende zwaartekracht van het ‘tuimelraam’. En dan heb ik het nog niet over het ritme en de klankherhaling, met name in dat prachtige ‘Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag’. Daarnaast steekt het bijna-proza van Swaenen, dat vijf woorden ‘leentjebuurt’ uit het origineel, bleek af. Je kunt de moed prijzen van Swaenen om zich met de groten te willen meten, maar hij legt het op alle aspecten tegen Nijhoff af: klank, zeggingskracht, taalbeheersing, structuur en vooral originaliteit.

De bundel bestaat uit vier afdelingen, elk gevormd door elf gedichten: ‘Zand’, ‘Gletsjertong’, ‘Verkoling’ en ‘Atmosfeer’. Wie deze woorden en ook de titels van de gedichten in de inhoudsopgave leest, denkt in eerste instantie aan poëzie waarin de fysieke wereld en taal in elkaar grijpen in een nieuwe werkelijkheid, waaraan de lezer, daartoe verlokt of gedwongen door de klank, zich zal moeten overgeven.

Dat blijkt toch wat anders te gaan.

Keramiek

Als een deel van je gietklei is geworden
stort je dan volledig op mijn ongelijk
gevormd blad

leg jezelf te drogen over de tere nerven
wees mijn zenuwslopend zeil
zet mij uit de vorm

waar ik ontaard, stopt jouw vloeien

tussen oorsprong en vindplaats
drijft men handel

slijt mij dan
en houd jezelf vuurvast.

[p. 35]

Behalve het enjambement in r. 2-3 en de herhaling van de ij- en de z-klank valt mij vooral de ondoordringbaarheid van dit gedicht op. En dat geldt voor vrijwel alle gedichten in deze bundel. Er is techniek, maar er ontbreekt keer op keer een bezield verband. Noem het persoonlijkheid, noem het betrokkenheid, noem het voor mijn part taalliefde, het treedt in deze bundel nergens aan de dag. Op geen enkele plaats lees ik taal die ik me wil blijven herinneren, die ik nog eens wil bezoeken om de rijkdom ervan opnieuw te ervaren of waarin ik dieper wil afdalen. Keer op keer laat een slotregel me schouderophalend achter en van enige muzikaliteit is nergens sprake.

Wat moet ik met een dichter die zich verstopt achter de kunstjes die hij blijkbaar geleerd heeft? Laat hij de oorlog verklaren aan de honger in de wereld, de hanze of de hexameter, daarmee doet hij zich voor aan de lezer en de lezer leert een mens kennen in de taal. Wat moet ik met het alomtegenwoordige pluralis poeticis? Een goedkope truc om de lezer er bij voorbaat bij te lappen? Dan is het onthullen van die gezamenlijke misdaad toch wel het minste. Ook wanneer ik de aanprijzing van de uitgever als commerciële kletsica grotendeels naast me neerleg, blijf ik haken aan ‘Ontdek (…) een dichter die origineel klinkt zonder cryptisch te worden’. Ik ontdek hem niet, want hij heeft zich vermomd als de kat van Schrödinger. Ja, ik lees woorden, maar ze zijn sprakeloos. Het zingt niet. Het raakt niet. Het klinkt niet. Het smaakt niet.

____

Kenneth Swaenen (2021). Witte dwergen. Uitgeverij De Zeef, 64 blz. € 17,00. ISBN 97894 93138469

Geplaatst in Recensies.