Toon Vanlaere – Schreeuw mijn aarde

Het lied van aarde

door Peter Vermaat




Mijn vader lijdt aan de ziekte van Alzheimer, die zich manifesteert in een ernstige afasie. Deze aandoening van het spraakcentrum verkruimelt behalve je uitdrukkingsvaardigheid vermoedelijk ook je bewustzijn. Duidelijk wordt dat nooit. Gisteren meende hij bijvoorbeeld dat ‘aan-nodigen’ veel vriendelijker was dan ‘uit-nodigen’. Krijg daar maar eens een speld tussen.
Taal is het bloed van de geest, woorden zijn druppels die op je tong vallen. Zij smaken je spraak en jij – de lezer – proeft ze. Anders dan de gedachte en ook anders dan de gesproken taal geeft geschreven taal je de mogelijkheid tot een vertraagde en gespreide waarneming. Niet alleen kun je langer blijven stilstaan bij mogelijke betekenissen en associaties, maar ook de muzikale kwaliteiten van de taal – klank, ritme – kunnen bij herlezing de beleving verrijken. Een poëziebundel is daarbij uniek, aangezien het, evenals bijvoorbeeld een toneelstuk of een muzikale compositie, een kunstuiting in een serieel verband betreft, waarbij je echter toch eenvoudig kunt terugkeren naar specifieke plekken om je beleving daar te hernemen.

Het unieke van de reeks leesbelevingen, die ik voor Meander mag beschrijven, is dat het iedere keer weer een verrassing is welke bundel er uit de envelop tevoorschijn komt. Van verreweg het grootste deel van de tot nu toe besproken dichters had ik daarvoor nog nooit iets gelezen.

Af en toe gaat het om een bundel die ik voor geen goud had willen missen. Op de valreep van het jaar blijkt Schreeuw mijn aarde van Toon Vanlaere voor mij dé bundel van 2021. Het komt niet vaak voor dat alle gedichten van een bundel elk een noodzakelijk deel van dat geheel vormen en dat zowel de chromatiek als de thematiek ieder gedicht doorademen en dooraderen. In de zowel dodelijke als leven brengende dans van ‘wij’: de ‘ik’ en de ‘jij’, aarde en lichaam, huid en gesteente, water en bloed, maakt ieder gedicht zijn eigen kleine beweging in het grotere geheel, doorleefd en beschreven vanuit zowel het persoonlijke oog als vanaf het hoge aloverziende.

De bundel is opgebouwd uit ritmische klankrijke gedichten van steeds drie maal drie regels. Na het openingsgedicht volgen drie afdelingen (‘Zure room van aarde’, ‘Spuwen op de verdorring’, ‘Het dunne schrapen van ontbering’) van respectievelijk twaalf, tien en twaalf gedichten, een vierde afdeling ‘Zeven aardsacramenten’ bestaand uit een zevendelige reeks en ten slotte het afsluitende gedicht ‘Adem van elders’. De afdelingen worden steeds afgesloten of opvolgbaar gemaakt door een italic afgedrukt fragment van wat een groter gedicht lijkt te vormen.
Om duidelijk te maken hoe Vanlaere zijn gedichten bouwt een voorbeeld:

Aderen in zaad

We zijn het aaien verleerd. Met droge ogen
wrijven we zaad tussen onze handen tot een wonde.
Het oerbegin van zaaien: kijken wat het sterkst is,

de huid of het zaad. Een ijzeren wet:
wat het eerst bloedt, zal niet overgaan.
Als de grond maar gloeit en de zaaier

op blote voeten zijn stappen telt.
Aarde, ik loop met pezen uit jouw hiel.
Mijn aderen zitten tussen aardlagen gekneld.

[p. 8]

Op het anekdotische niveau is dit geen eenvoudig gedicht, maar het is wel te volgen in de beelden die worden opgeroepen: een zaaier die blootsvoets over een akker loopt, zaad dat tussen handen wordt gewreven tot één ervan open gaat als een wond en ten slotte aderen van een afwijkende kleur in gesteente. Knap is de suggestie die wordt opgeroepen door de combinatie van ‘aaien’ (wrijven over huid) en ‘zaaien’ (zaad strooien in de openingen van de aarde), die behalve een agrarische ook een erotische connotatie geeft. Voeg daarbij de verwante woorden ‘aarde’ en ‘ader’, waarmee een verbinding wordt gemaakt tussen twee beelddomeinen, namelijk dat van de aarde (aarde, zaaien, ijzeren, grond, aardlagen) en van een lichaam (aaien, ogen, handen, wonde, huid, bloedt, voeten, pezen, hiel, aderen). Ook het woord ‘gloeit’ gaat een verbinding aan met het niet-uitgesproken en niet-geschreven, maar wel uit de context opkomende ‘groeit’ als gevolg van het zaaien.
Het ook in de Bijbel al sterk aanwezige verband tussen ‘adama’ (stof) en ‘adam’ (mens) zit eveneens in dit gedicht. In klassieke zin geeft het een weerklank van het arcadisch ideaal, waarbij de mens als het meest gelukkig wordt gezien wanneer hij in een natuurlijk evenwicht verkeert met de grond die hij bewerkt. Hiermee komen we nog een laagje dieper, namelijk in de vraag naar de oorsprong en bedoeling van de mens, zeker in relatie tot het hedendaagse milieuvraagstuk: is de mens de beheerser van alle natuur of wordt hij uiteindelijk slachtoffer van de door hemzelf aangerichte klimaatschade?

Een ander fraai voorbeeld van wat Vanlaere ons in deze bundel te bieden heeft is dit:

Hechting

De aarde: dakloze en straatventer.
Klamme, lege hand. De kosmos
bedelt. Met de beste bedoeling

raakt de bodem uit ons niet meer weg.
Akkers die landlopers willen aanklampen.
Aarde die onder een huid wil kruipen.

We vergeten de wegcode bij gebrek aan een uitzicht.
Ik had aardwoorden. Ze werden ingetrokken
nog voor ze werden uitgesproken.

[p. 39]

Het gedicht begint met een prachtig beeld van de aarde als ‘dakloze’. Letterlijk is dat onloochenbaar, de aarde ligt immers grotendeels onder de blote hemel. Als straatventer heeft de aarde niets van waarde te bieden, maar ook de kosmos ‘bedelt’. Ik zie daarin een zinnebeeld voor de religie, waarin zowel de aarde als de hemel aanbeden willen worden; beiden verlangen een (geestelijke) aalmoes van de mens.
In de tweede strofe zie je in ‘akkers die landlopers willen aanklampen’ het beeld terug uit het hierboven geciteerde gedicht van de zaaier die met blote voeten op het land loopt, letterlijk een ‘land-loper’. En daarna aarde die ‘onder een huid wil kruipen’. De eerste associatie is dat de aarde iemands onderhuidse, dus onderbewuste drijfveer wil worden, maar meteen daarnaast vormt zich het beeld van een aarde die verlangt naar onderdak, de kwetsbare dakloze die bescherming zoekt.
In de derde strofe lijken ‘aardwoorden’ erg sterk op ‘antwoorden’, maar ze zijn het niet, niet qua vorm en ook niet qua inhoud en betekenis. ‘Ze werden ingetrokken / nog voor ze werden uitgesproken.’ De ‘ik’ wilde zich met taal hechten aan de aarde, maar slikte die woorden in. Of is er een hogere, sterkere kracht dan de aarde, die maakte dat de woorden ingetrokken werden? Merk op dat ‘ingetrokken’ ook ‘ergens gaan wonen’ betekent. Een spannende tegenstelling met de dakloze aarde uit de eerste regel.
Dit is taal die smaakt naar belegen wijn en oude kaas, waarvan je tandvlees krult. Je kunt er vaak en langdurig naar terugkeren en steeds weer nieuwe aspecten en anders belichte vlakken ontdekken.

Gustav Mahler noemde uit bijgelovigheid zijn symfonische liederencyclus op een aantal Chinese gedichten Das Lied van der Erde met opzet geen symfonie. Had hij dat maar wel gedaan, want de erop volgende ‘echte’ Negende Symfonie bleek de laatste die hij tijdens zijn leven kon voltooien. De bundel Schreeuw mijn aarde heeft met zijn vier delen en zijn beginmotief, dat in het afsluitende gedicht wordt hernomen, verschillende kenmerken van een symfonische opbouw. Die wordt versterkt door het gebruik van woorden uit het ‘aard-ige’ domein in zo ongeveer ieder afzonderlijk gedicht. Met deze gedichten schreef Vanlaere zijn eigen ‘lied van aarde’. Maar tot die aarde beperkt hij zich niet. De bundel bevat, net als veel symfonieën uit de laat-romantische periode, een programma. Boven, of zo je wilt onder, de dans van het liefdespaar ‘ik’ en ‘jij’ en die van ‘menselijk lichaam’ en ‘aarde’ is er ook een dans van ‘aard’ in de betekenis van ‘wezen’ van de mens met zijn kosmische antagonist, noem het ‘tijd’, op een aantal plaatsen zichtbaar. Dit gegeven vind ik het meest duidelijk terug in de vierde afdeling en zeker in het eerste deel van de ‘Zeven aardsacramenten’:

1

Op de bodem van de doopvont bezonk droesem.
We munten uit in gruis. Hoe zeven we het uit?
Onze hand een gezegende scherf in het wijwatervat.

De vont is van aarde gemaakt, geboetseerd
omheen de spiernaakte mal die we zijn. Vondelingen
op weg naar een tombe. Spoelwater loopt van ons af.

Het brandraam legt ons onder vergrootglas. We morsen
met licht, lossen de zuignap van de vont. Buiten schrikken
we ons rot van de ruimte.

[p. 50]

Het zal geen toeval zijn dat er in deze reeks zeven aard-sacramenten worden onderscheiden, analoog aan de zeven sacramenten die de Rooms-Katholieke kerk kent en die je met ‘hemel’ als tegenhanger van ‘aarde’ zou kunnen associëren. Dit eerste deel gaat evident over de doop, maar plaatst dat beeld al meteen in een veel groter verband, zowel in de reeks van zeven (‘droesem’ wijst naar wijn, die een rol speelt in het sacrament van het avondmaal) als in de verwijzing naar de geboorte (‘(…) geboetseerd / omheen de spiernaakte mal (…)’), naar de geboorte als begin van de eindigheid (‘(…) Vondelingen / op weg naar een tombe. (…)’) en zelfs naar onze relatie met de kosmos (‘gruis’, ‘(…) morsen met licht (…)’, ‘(…) Buiten schrikken / we ons rot van de ruimte.’).
In die laatste regel kan ‘ruimte’ zowel worden opgevat als uitgestrektheid van mogelijkheden en daarmee keuzen die we als mensen zullen moeten maken, maar even goed als leegte, als onbegrensd gebied rondom ons en daarmee benadrukkend hoe eenzaam we in wezen zijn en zullen blijven.

Zonder de indruk te geven nog onvoltooid te zijn, leest deze bundel op zichzelf weer als onderdeel van een nog groter geheel, dat zich uitspant boven en onder deze taal. Het is buitengewoon knap dat je dit als dichter voor elkaar krijgt.
En al helemaal als de dichter in kwestie is geboren in 1946 en dus reeds 75 jaar oud is. Daarom een diepe, diepe, diepe buiging in zijn richting. Een andere componist van ‘grote werken’, Charles Havergal Brian (1876-1972) had op die leeftijd nog ruim twintig symfonieën tegoed. Met één van Vanlaere zou ik al tevreden kunnen zijn.
____

Toon Vanlaere (2021). Schreeuw mijn aarde.Uitgeverij P, 64 blz. € 17,00. ISBN 9789493138 605

Geplaatst in Recensies.