Ramsey Nasr – Compacter

Hekel

door Hettie Marzak



Voor deze nieuwe verzamelbundel heeft Ramsey Nasr zelf een keuze gemaakt uit zijn vorige bundels 27 gedichten en geen lied (2000), Onhandig bloesemend (2004), Onze-lieve-vrouwe-zeppelin (2006) en Mi have een droom; alle vaderlandse gedichten (2013). De gedichten zijn niet op chronologische volgorde opgenomen, maar volgens Nasr in het voorwoord ‘thematisch en intuïtief’. Dat betekent dat er in de bundels naar believen is gegrasduind, maar er is geen register waarin je kunt terugvinden uit welke bundel een bepaald gedicht afkomstig is. Het zou interessant zijn geweest om te kunnen zien welke ontwikkeling de dichter heeft doorgemaakt en welke gedichten uit dezelfde bundel komen. Nasr was in 2005 stadsdichter van Antwerpen en van 2009 tot 2013 Dichter des Vaderlands. Een aantal van de gedichten die hij in die functies geschreven heeft, worden in de verantwoording achterin de bundel kort toegelicht in verband met de gebeurtenis die de aanleiding was tot het schrijven ervan.

De bundel opent met het gedicht waarmee Nasr in 2009 auditie deed voor de functie van Dichter des Vaderlands, ‘ik wou dat ik twee burgers was (dan kon ik samenleven)’, waarin hij Nederland en zijn bewoners op de korrel neemt. Dit gedicht laat al meteen de virtuositeit van de dichter zien en zet de toon voor wat nog komen gaat: de techniek, het vloeiende ritme, de fraaie beeldspraak, maar ook de kritische kijk op de maatschappij. Hij refereert aan de glorietijd van Nederland in de zeventiende eeuw, waarin de basis werd gelegd van onze moderne samenleving. Actualiteit en historie dooreen geweven is een kenmerk van de poëzie van Nasr, evenals het geloof in de kracht van poëzie en de overtuiging dat ‘juist hier zou iets groots kunnen worden verricht / laat ons beginnen met een gedicht’.

Terecht heeft de dichter ook gekozen voor het lange gedicht ‘Geen lied’, een ontroerend klaaglied waarin hij zijn versie geeft van de klassieke mythe van Orpheus en Eurydike, en voor ‘mi have een droom’, dat gesitueerd is in 2059 en wordt uitgesproken door een oude Rotterdammer in een mengelmoes van Rotterdams, straattaal en poëzie. Het gedicht is in 2016 afgebeeld als een 800 meter lange brugschildering op en rond de Luchtsingel in Rotterdam; een gedeelte ervan kun je al lezen als je per trein in Rotterdam aankomt. Je kunt het Nasr zelf ook horen voordragen hier.

Drie cycli in de bundel zijn geschreven met als onderwerp het leven van een componist: een over Schumann en de voornaamste zanger van zijn werk Fritz Wunderlich in ‘dichter liefde’, ‘Wintersonate’ over Sjostakovitsj en de onderdrukking in de USSR, en een over Mahler en zijn vierde symfonie en Mengelberg in ‘Het hemelse leven’, waarmee de dichter de joodse musici van het Koninklijk Concertgebouworkest eert, die in de Tweede Wereldoorlog werden ‘weggezuiverd’.
Verder is er een lang eerbetoon aan Martinus Nijhoff in de cyclus ‘Het dooit onder de korven’, waarvoor ‘Het lied der dwaze bijen’ de inspiratiebron is geweest. Nasr geeft hierin blijk van zijn interesse in geschiedenis, evenals in het lange gedicht ‘Wat ons rest’, gewijd aan het schilderij ‘De dame met de weegschaal’ van Vermeer.

Boeiend zijn de gedichten die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen, bijvoorbeeld ‘Achter een vierkante vitrine’, ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Antwerpse bibliotheek, die de vorm van een kubus heeft. Hier laat Nasr een rasechte Antwerpenaar aan het woord, die het betreurt dat er door de bibliotheek nu heel ander volk gaat komen in zijn wijk;

dees hier was altijd een nette buurt
met fasoenlijke hoeren afrikanen verslaafden
portugezen albanezen polen pakistanen
chinezen en proper tramjeanetten
enfin marginalen gelijk gij en ik
alles ging goe en nu krijgen we dit

Het is wonderbaarlijk hoe goed Nasr zich het idioom en het dialect van Antwerpen eigen heeft gemaakt en hoeveel verwijzingen naar kunst en literatuur hij heeft weten onder te brengen in de gedichten. Ook in het lied voor Wannes van de Velde, ‘De changeur’, laat Nasr zich horen als een echte Vlaming met een sappig en rondborstig dialect.

De vorm van de gedichten is gevarieerd: van sonnetten tot vrije verzen, van strak metrum en eindrijm tot in strofen ondergebrachte kreten, maar bijna alle gedichten zijn heel lang. Een korter gedicht is bijvoorbeeld ‘Vos’:

Vos
(stand van de unie)

vos ben ik
bijt ze de strot
zonder te koken
eet kippen op

schele kippen kuttekippen
struikelkont vol eieren
wees dan ook geen kip
wees vos

dus
geef over koning krop
make no mistake
over & op
voor de laatste maal

———eet kip!
———wees vos!

& god
bles
vos

Ook zijn er een paar liefdesgedichten opgenomen, maar de poëzie waarmee Nasr ogenblikkelijk geassocieerd wordt, overheerst: de hekeldichten. Sinds Vondel, Pisuisse en Speenhoff is er geen andere dichter geweest die zo zeer de actualiteit onder de loep genomen heeft en vrijuit de zweep laat knallen over alles waartegen hij in opstand komt. Hij neemt geen blad voor de mond en spaart niemand. Hij neemt het op voor de zwakken en de onderdrukten, of het nu Joden of Palestijnen zijn. Scherp en kritisch is hij niet bang om de vinger op de zere plek te leggen, alsof hij het ambt van Dichter des Vaderlands nooit heeft opgegeven. Nasr wroet niet in de zieleroerselen van het ego, gaat niet uit van de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. In betrokken maatschappijkritiek stelt hij onrecht aan de kaak. Liever ziet hij zich omringd door eerlijke barbaren dan door gecultiveerde leugenaars. En deze voorkeur spreekt hij uit in bevlogen en betoverende taal, bezwerend en evocatief. Zelfs al zijn de gedichten tien jaar oud, de woede die ze tot stand deed komen is nog te voelen. Een van de kortere gedichten is ‘Nieuwjaarsgroet’, geschreven in 2003 toen Nederland militaire hulp verleende aan de inval in Irak. Voormalig minister-president Jan Peter Balkenende wordt hier toegesproken:

Zo, JP, hoe voelt het om te liegen
en dan te moeten zien dat het gedrukt staat?
Hoe voelt dat, om als christendemocraat
de zijde van Herodes te verkiezen

en honderdduizend kinderen te doden
omwille van één koning? Volkenrecht?
ik ken een land dat dozen resoluties
juist dankzij ons al jaren naast zich neerlegt.

Ziehier onze premier, hij leest de krant
en denkt: laat ze maar lullen, mijn geweten
is zuiver en geen koren zonder kaf.

’t Is goed te liegen voor het vaderland.
De beste wensen nog van alle Irakezen
massaal vernietigd en bevrijd in ’t graf.

Maar een van de allermooiste gedichten die ik ken, waarin alles samenkomt wat het dichterschap van Nasr zo bijzonder maakt, is:

Hier komt de poëzie

als je haar begint te schateren, als je blauwhuis zacht voelt naderen
als je plots dit vers verstaat, naar buiten gaat, waar alles slaapt
behalve de tuinman, die je bloemen vrolijk platspuit met zijn slang
als je paukenhart zich stilhoudt, als je lichaam langzaam afgaat
als de hele wereld dwerrelt – dan begint de poëzie

als de zon opkomt als een insect en niets dan duizendpoten uitstrekt
als je schreeuwt uit zeven kelen, rondwandelt in brood
als je mensentaal moet bakken van de dood, pap vreet van oude peppels
als de oerknal tegenvalt, en ook je almacht doet het niet
als je pantserschild ineenstuikt – dan begint de poëzie

dan vind je wrakhout, troost noch tweede kans
dan helpt er niets – hier zijn geen kolibrietjes uit te delen
niemand zal je leren drijven en er is geen lief dat blijft
er is alleen maar poëzie: om te loeien dat het pijn doet
deze heimwee stuk te knijpen, leeg te lopen zonder bloed

ik ken een struik van poëzie, een veilig brandend braambos
om in weg te schuilen en ons allebei steeds verder
om de tuin te leiden. kom, ik zal je goed verwijderen
wij horen hier niet, maar ik heb wanhoop en papier
waar niemand ooit nog thuiskomt, daar begint de poëzie

In de tiende Week van de Poëzie in 2022 zal Ramsey Nasr het Poëziegeschenk schrijven rond het thema ‘natuur’ met erin zijn woorden ‘bloesemingen en overvloed’.
____

Ramsey Nasr (2021) Compacter. De Bezige Bij, 208 blz. €20,- ISBN 9789403158518

Geplaatst in Recensies.