Steven Graauwmans – Wachten op de bijen

Vervreemding die tot introspectie oproept

door Paul Roelofsen




In 2002 ging de film Gerry van Gus Van Sant in roulatie. Een experimentele rolprent waarin twee vrienden die elkaar Gerry noemen langs de westkust van Chili trekken op zoek naar iets onbestemds dat zij ‘the thing’ noemen. Onderweg verdwalen zij echter in een zoutwoestijn wat hen noodlottig wordt. Men verwacht bij zo’n relaas een film vol avontuur en opwinding maar daar is geen sprake van. Het experimentele is dat er in de film afgezien van de laatste minuten weinig schokkends gebeurt: geen dramatische dialogen, geen vriendschap die zich verdiept, geen bloedstollende overlevingsscenes. Wel lange close-ups, time-lapses en indrukwekkende landschappen. Het is duidelijk dat de twee al voortreizende tegelijkertijd terugreizen naar hun trauma’s en dromen van vroeger. De toeschouwer wordt weliswaar geconfronteerd met hun problemen, maar wordt er niet in meegezogen, eerder roepen de beelden en de onbeduidende gesprekken de vraag op wat hier in godsnaam aan de hand is. Dat is de hypnotische kracht van de film. Hij noodt tot introspectie.

De Vlaamse dichter en performer Steven Graauwmans heeft zich in de bundel Wachten op de bijen laten inspireren door deze film. Om, naar ik aanneem, net als Gus Van Sant de toeschouwer, in dit geval de lezer, tot nadenken te stemmen omtrent het menselijk bestaan en de zin, ‘the thing’, daarvan. Uit ‘ALLER/REVOIR’:

(…)
Dit is de tijd waar we keren
naar de eerste zonde,
waar een onbekende zinnen
tussen onze lippen prevelt.

De dageraad bestaat alleen
om dit dwalen: deze reis is
de vulling van dagen, metaforen
opgedist uit wat we zien.

een werkelijkheid
die geen letters duldt.

Beelden die niets van doen hebben met een geografische routebeschrijving, het zou die van een reis door de tijd kunnen zijn of een duik in de verbeelding; ‘Dit is de tijd waar we keren’ en ‘deze reis is / de vulling van dagen, metaforen opgedist uit wat we zien.’
Wat mijzelf betreft is het Graauwmans in dit gedicht gelukt tot introspectie te verleiden, een zelfbeschouwing naar ‘een werkelijkheid die geen letters duldt’. Maar dit is niet bij alle gedichten het geval en gelukkig maar, want dat zou Wachten op de bijen wel erg vermoeiend maken. De bundel bestaat uit drie delen, het eerste ‘Ondanks de reis’ gaat nog het meest over het onderweg zijn, het tweede ‘Alles wat blijft’ beschrijft het verblijf bij een vissersfamilie en het derde ‘Moeder en kind’ geeft o.a. een kijk op de jongens door hun ouders en omgekeerd hoe de jongens over hun ouders denken. Dit derde deel omvat slechts vier gedichten en lijkt mij er een beetje bijgeharkt, zij hebben minder het vervreemdende van de poëzie ervoor.

Het kind

Eigenhandig en eindelijk
zo scheuren wij streng

zo struikelen wij
uit onze moeder.

wij komen van de rand
wij zijn van de blokken

de straat is onze meester
de steen onze rede.

Onze vaders geselen ons met leer
ze zeggen dat wij mannen zijn

geen jongens, ze ruilen
vrienden voor honden.

Onze moeder meet het water,
we zien haar na

hoe ze elke dag
na dag kiest.

Een gedicht met intrigerende zinnen en beeldspraak, – ‘de straat is onze meester / de steen onze rede’ – maar dat niet refereert aan de ‘the thing’. Laten we terugkeren naar het eerste deel waarin dit ‘ding’ wel centraal staat. Onsamenhangend, absurd, ongerijmd, raadselachtig.

WAT/SCHAFT

(…)

Wij zijn meesters
in schedelboringen bij jonge meisjes
op zoek naar meer gevoel: de uren
van de late vergelding,
de lokroep van de meerderheid.

Dit is ons zoveelste leven, wij mikken op de maan.
Wij struikelen uit dit koekoeksnest,
wij reïncarneren steeds opnieuw in dit ding,
herhalen de doodstrijd van ons uit-
gerepeteerde lijf.

Dan nog een paar woorden over de cyclus ‘Alles wat blijft.’ In dit deel staat het huis, het statische centraal, met daarin een paar mensen en om het huis de elementen en grote verlatenheid.

Het huis staat

Het huis staat er al jaren.
Het kraakt niet meer, het sluimert.
De druivelaar breekt mee
met de wind

nu de vogels hun nest
laten zonder seizoen,
nu het zand de barsten
in het venster blaast.

De dochters baden zich blauw,
slaan gensters* in het water.
Ze stoken, suikeren maïs,
poken het vuur.

Moeder wacht.

(*Een genster kan zowel een spat als een vonk zijn.)

Het gedicht is sfeervol en krijgt haar lading door de laatste regel: ‘Moeder wacht’. Je vraagt je af waarop zij wacht, en als je je personifieert met die moeder, waarop jezelf wacht. Existentie en essentie, het lukt Graauwmans wederom deze begrippen op te roepen.
Maar de dichter heeft daarvoor niet meer dan woorden en stiltes tot zijn beschikking, terwijl het medium film daarnaast kan putten uit visualisatie en geluid (muziek met name). Ik denk dan ook dat Wachten op de bijen niet de beroering teweeg zal brengen als die bij het zien van de film Gerry. Niettemin bevat deze bundel genoeg stof om over na te denken.

NB Meerdere trailers van Gerry zijn te vinden op YouTube.
____

Steven Graauwmans (2021). Wachten op de bijen. Uitgeverij P, 48 blz. € 18,40. ISBN 9789493138506

Geplaatst in Recensies.