Marieke Lucas Rijneveld – Komijnsplitsers

Ay Marieke, Marieke, je t’aimais tant …

door Marc Bruynseraede



… Entre les tours de Bruges et Gand
(…)
Zonder liefde warme liefde
Waait de wind de stomme wind
Zonder liefde warme liefde
Weent de zee de grijze zee
Zonder liefde warme liefde
Lijdt het licht het donk’re licht
En schuurt het zand over mijn land
Mijn platte land mijn Vlaanderland

Zo zong Jacques Brel over een teloorgegane liefde. Ik moest spontaan aan dat liedje denken bij het lezen van Komijnsplitsers, de pas verschenen laatste bundel van Marieke Lucas Rijneveld. Niet dat de gedichten over vergane liefde handelen, maar wel over het complexe personage van Marieke Lucas. Eind januari gaf de dichter aan dat zij liever ‘hij’ en ‘hem’ zou genoemd worden, want: behorend tot het overdrachtelijke geslachtskamp. Op Instagram en Twitter post Rijneveld regelmatig foto’s van zichzelf als Lucas, om de transitie te beklemtonen. Deze kwetsbare attitude levert, zoals te verwachten op de sociale media, negatieve reacties op. De dichter reageert daarop in De Volkskrant met het vers: ‘Niets is moeilijker dan de mens / die de ander het menszijn niet gunt.’

In een waarschuwend ‘woord vooraf’ van de uitgever in de bundel, vernemen we dat de dichter onderzoekt wat het betekent om te wonen in een huis, in jezelf en in verhoudingen tot anderen. Nou, daar hoeven we ons verder niets van aan te trekken. Daar zorgt Marieke Lucas wel voor. In de eerste cycli (die hier ‘afdelingen’ genoemd worden) wordt in de prozaïsche autobiografische gedichten nogal wat afgepleisterd, geschaafd, gefiguurzaagd, gebiesd en gevoegd. Het valt vooral op hoe de dichter in zijn autobiografische lyriek gedreven wordt door onrust, onvrede. Het laverend zoeken naar een plaats om in te wonen, en om zichzelf te zijn, gebeurt onophoudelijk tussen de klippen van het geslachtelijke. Marieke Lucas doet dat alles echter met zulk een bravoure in het taalgebruik en buitelingen van fantasie dat we er even sprakeloos van worden. Er blijkt plots van alles weer mogelijk met de taal. Hier helpt geen lieve recensent meer aan. Een poëzie als deze kun je alleen maar als een natuurverschijnsel ‘ondergaan’.

Komijnsplitsers is geen muggenzifter, geen gierige, vrekkige persoon, geen gortenteller of duitenkliever, laat staan een kleinzielige vitter. De dichter is gewoon gevallen, zoals in een interview toegegeven wordt, voor de charme van het woord. De taal dient, net als een lastig komijnzaadje, in haar atomen, gesplitst te worden. En àls dat lukt – maar het is moeilijk -, dan zijn de gevolgen nauwelijks te overzien.

De taalvondsten en -pirouettes in deze bundel bekijk je enigszins als wonderlijke acrobatische trapezenummers in het circus, waarbij je af en toe de adem moet inhouden. Gaat hij/zij zijn nek niet breken? Maar Marieke Lucas doet het wonderwel. Hij weet er, woord voor woord, diepere duiding aan te geven. Laten we een gedicht citeren:

HANDEN VOL KRIJGERSCHAP

Je wil het onzegbare benoemen, niet langer nachtwolken,
of bedremmeld de maandag openen. Ze stellen: wie zichzelf
bewaart, bewaart geen rotte appel, en hoe mislukt is dan deze
apriloogst. Er is kurkstip geconstateerd, ongewoon taalgebruik.

Je wil het onzegbare benoemen, je dubbelhartigheid uiteen-
scheuren, of hovaardig jezelf niet voor de val behoeden.
In het dossier staat: de hij is bereidwillig om te veranderen,
de zij niet, muurvast zit ze in het bloeiproces. Lijdensniveau: hoog.

Je wil het onzegbare benoemen, niet zachtzinnig met materie,
of de wereld alleen waarnemen als je er zelf geen deel van
uitmaakt. Bloedingen kunnen ze stilleggen met hormonen, je moet
het zo zien, vertellen ze: we sturen alleen wat soldaten je lichaam in.

Je wil het onzegbare benoemen, geen wrakhout van je woorden,
of met je handen vol krijgerschap een ruimte in lopen. Ze noteren:
zowel de hij als de zij is vervreemd van de oorsprong, heeft weinig
toereikend gereedschap en is verbeten op zoek naar andermans blik.

Je wil het onzegbare benoemen, wat meer mankracht in je bedoelingen,
of niet meer vluchten voor opengelegd wegdek. We moeten dit bij de
kiem aanpakken, dit tot op de bodem uitzoeken. En onthoud het
volgende: het meeste grondwater is afkomstig van neerslag.

Ongewoon taalgebruik. Gedurfde, authentieke beelden, soms ietwat bevreemd qua opgeroepen sfeer. Het geslachtelijke staat op losse schroeven, maar dat is niet de hoofdtoon. Het gedicht gaat over het evoceren van datgene wat er niet staat. Voor metafysiek is het nog wat vroeg, maar dat ‘het meeste grondwater afkomstig is van neerslag’ dat is zo één van die evidenties die we moeten aannemen, zonder te begrijpen waarom. Een poëtisch axioma, dus.

Met het zelfbouwpakket van taal en menselijke maakbaarheid komt Marieke Lucas ertoe om ‘de rib terug in Adams lichaam (te) willen plaatsen, het verlangen om Adam te wórden, de zondeval in je gewrichten’. Een constructie die, naast het geslachtelijk knutselwerk, een ongeziene kijk op de dingen brengt. Vanuit het streng-religieuze verleden van het gezin Rijneveld, waar De Schepper de plak zwaaide, citeert de dichter ‘De Pijnschepper’ die borsten heeft uitgevonden die enig verstelwerk vereisen. ‘Eva moest Eva worden en Adam bleef Adam. Niemand twijfelde of het niet andersom moest zijn’ zegt het gedicht ‘Uit een veelbekroond leven’.

Terwijl Marieke Lucas aan het klussen is, wordt niet alleen het kunne, het lijf, het huis, maar meteen de hele woonomgeving en leefwereld mee vertimmerd. Zonder handleiding in elkaar gezet, spijts alle heilawaai in de omgeving.
Schrijven en dichten is even belangrijk als eten, wanneer je honger hebt, zegt Rijneveld. Dat verneem je volmondig in het eetgedicht ‘Conversatieangst’ waaruit het vers ‘opdat niemand onbegrepen zijn bord leegeet’ oplicht als een flikkerende neonreclame in het avonddonker.

De gedichten van Marieke Lucas Rijneveld smeken om begrepen te worden, al zien ze er niet tegenop om met angsten, verleden en spoken allerhande af te rekenen. Ze zitten vol vaag gedefinieerd en moeilijk grijpbaar, zwierig ongemak.

Naarmate de bundel vordert – aan lectuur ontbreekt het niet, met deze 104 pagina’s, 63 gestoffeerde gedichten in acht afdelingen ondergebracht – en de dichter zich bevrijd heeft van zijn wooncomplex in zijn vier laatste afdelingen, wordt het interessant. In de ‘Scheluwe dagen’ krijgt de lezer een goede inkijk in de gedachtegang en het gemoed van de dichter, zijn angsten, onrust, zelfrelativering en gevecht met de werkelijkheid.

ALTIJD DWARSLIGGEN

Deze dag gaat over zeer. Over hoe je met de
schroom in je benen en tegen beter weten in
weer de gordijnen openschuift, van tjongejonge,
en steeds het gesodemieter van een nieuw begin
en altijd dwarsliggen, tussen kaft en kaft.

Over hoe je je wandelschoenen bij terugkomst uit
het park mee de kamer in neemt, maar je jezelf buiten hebt
gelaten? Hoe je wrikt aan alle schijnzekerheden en toch
de rede, altijd kies je voor de rede. Over meermaals
moedeloos het hoofd schudden en zeeziekte.

Deze dag gaat over zeer. Over hoe je het meisje moet
vergeten om de jongen te onthouden, met het gejakker
van alles willen weten en niets kunnen wegstrepen.
Dat spechten nooit aan snavelpijn lijden, je je afvraagt
of dat ook voor de boom, voor dit begin geldt.

Of over het dooiproces van het brood op het
aanrecht, hoe dat je ineens ontroert en er van aankleden
weer niets komt. Van hoe de dag wacht op een dolksteek
en alles zwart wordt. En hoe het goddelijk uur
aanbreekt als alles opnieuw is volbracht.

Deze dag gaat over zeer. Over hoe je zonder aarzeling
iedere avond het bed in stapt, wederom verstrikt
geraakt in de maat van alledag. Over dat je zo gaat liggen
dat je morgen dwars ontwaakt. Alleen dan kun je met
de schroom in je benen toch golfbewegingen maken.

Afdalend in de spelonken van het menselijk denken en voelen gaat deze bundel van Marieke Lucas Rijneveld over hoe groot of klein de dichter zich moet maken om zichzelf te zijn. Gelukkig weet Marieke Lucas dat de zee schuimbekkend graag gezien wordt: ‘en je hoort de bulderzee zich uitsloven, / dan te denken aan hoe dolgraag jij aanschouwd en / gehoord, maar nu alleen te willen liggen’.
Ik kan me wel enige stervelingen en toestanden voorstellen die ik schuimbekkend niét graag zie, maar niet de zee. Daar, bij dat eeuwige klotsen, leg je je gewillig neer.

Tot besluit wil ik graag een strofe citeren van het gedicht ‘Borstwering’, met enige spijt dat ik het niet integraal kan weergeven, want het is teder en kwetsbaar. En het vervoegt de thematiek van het lied ‘Marieke’ van Jacques Brel, dat ‘zonder liefde, warme liefde, schuurt het zand over mijn land’:

Zin om alles te overdrijven, om richting bevrijding te
wandelen en boterbloemen te plukken, om doldwaas te
floreren als iemand zijn ogen op je laat rusten, de telefoon
op te nemen als je gebeld wordt en diegene zegt: ik heb je
nodig, en er dan gewoon te zijn, aanwezig.

Dezer dagen is Marieke Lucas Rijneveld te lezen, te zien en te horen op TV in Brommer op zee, in de Arenberg-schouwburg te Antwerpen, in de voorstelling Saint Amour van Behoud de Begeerte, op Wikipedia, Laurens Jsz Coster en Neerlandistiek, in De Poëziekrant en dagbladen als De Morgen, De Standaard, De Tijd en De Volkskrant. Kortom, in de hemel, op aarde en op alle plaatsen. Een voorrecht dat voordien alleen voor de (Pijn)Schepper was weggelegd.
____

Marieke Lucas Rijneveld (2022). Komijnsplitsers. Atlas Contact, 104 blz.€ 19,99. ISBN 9789025471200

Geplaatst in Recensies.