Mark Boog – Het einde van de poëzie

Poëzie als verweer in tijden van cholera

door Johan Reijmerink



De psycholoog Paul Verhaeghe schetst in zijn boeklange interview Wat brengt u hier? (2022) met Sarah Vankersschaever een genuanceerd beeld van onze tijd, waarin de ooit zo bejubelde vrijheid helaas is doorgeslagen naar een beklemmende onvrijheid. Niet alleen door de bureaucratie, de sociale ongelijkheid en de opkomst van de sociale media staan in veel persoonlijke levens de seinen op rood, maar ook op wereldschaal is door de uitbuiting van de natuurlijke hulpbronnen de klimaatcrisis uiterst bedreigend voor de wereldbevolking. Het goede nieuws is dat een kentering zichtbaar wordt, vaak bij zeer jonge mensen, zoals de scholieren die betogen voor het klimaat.

Mark Boog bouwt in zijn nieuwe bundel Het einde van de poëzie (2022) een dichterlijke weerzin op tegen ‘de onechte kleuren’ van onze samenleving. Hij constateert dat er om ons heen, in de natuur, op het land, in de stad, tussen de mensen iets aan het veranderen is. Wat betekent in dat kader ‘het einde van de poëzie? Deze nieuwe bundel bestaat uit zeven afdelingen met merendeels titelloze gedichten die uit strofen van een wisselende omvang bestaan met een verhalende inslag, voorzien van de nodige verrassende metaforen, paradoxen en gelaagdheden.

De dichterlijke ik en jij, wandelend aan de kust in de eerste afdeling ‘Na de regen’, merken dat ‘Er is iets veranderd.’ Terug in de stad wringt de zon zich even door de wolken. Er dringt een vervreemdende sfeer de verzen binnen: ‘We zwegen, keken omlaag, vergaten iets.’ Boog bouwt de onderhuidse spanning suggestief op: ‘Soms in ons / beweegt // wat onbeweeglijk leek, / soms vlamt op / wat kalm was / tot het gekalmeerd werd.’ Een onbegrepen onrust treedt naar voren. De natuur weerspiegelt dit groeiend onbehagen. Het dichterlijk ik stapt ‘bij halte Definitief Vervallen’ een aangetaste plek binnen, waaraan jeugdherinneringen kleven. ‘We slepen elkaar door de straten.’ Er schuilt in de ik en de ander iets van tegenzin en verzet tegen het leven zoals het nu verloopt. Diep van binnen is er het verlangen alles bij het oude te laten. Het leven voltrekt zich in een spel van schaduw en licht. ‘Dit, welbeschouwd, is ons geluk / een nis in de diepste gang / van een piramide, / windselomwikkelde stilte.’ Met een diepe aandacht voor de stille dingen zijn er overal ‘intrigerende processen, / erop gericht / ons te ontroeren.’ Tegelijk is er bij de ik het besef hoe eenvoudig een dag kan beginnen: ‘ik sta op, jij staat op, / er is een rest van de wereld maar who cares’. Deze afzijdigheid van de wereld is rustgevend, tegelijk verontrustend. Nog even kijkt de ik naar de merels die na lijken te denken. De hele bundel door zijn er de vogels als stille getuigen van het dreigende onheil, én is er de poëzie. In de slotpsalm ‘wordt opgeroepen: ‘Verpletter de vijand! / Help ons overeind, wie.’ Maar wie zal dat ‘na de regen’ gaan doen?

In de tweede afdeling ‘Vogel’ treedt de ik op straat een symfonie van levenslust’ binnen. Zowel boven een man als de straat ‘cirkelt gevleugelds’. Het zingt ‘dat het een aard heeft.’ Dan verschijnt een wonderlijk beeld van de vogelverschrikker:

Een vogel vult de hemel.
Aan mij geketend, ik aan hem,
hij spreekt. Een sprookje.
Dat hij zeldzaam is,
ik uitverkoren. Dat er zonder hem
geen leven is, niet echt, alleen bedrog.

Dit lijkt een bijna religieuze ‘ker(k)miservaring’ te zijn die de ik als ‘een sprookje’ voorkomt. Toch weet de ik zich bevangen door deze vogel, een geest die op de ik en de wereld een appèl doet uitgaan: ‘iets hamert mij’. De tocht door de stad naar het marktplein wordt vervolgd, als was de ik een oudtestamentische onheilsprofeet die ‘te vaak vogel‘ zegt. De ik stapt vanuit de schaduw in het licht, ‘en luister[t] naar de verte.’ Daarin ligt de verbeeldingskracht, de poëzie verscholen om voorbij de dingen te kijken. De verte is ‘geraas, een marktplein, poëzie. / Hoog op klapwiekt afgrond.’ Het wachten kan op het onheil beginnen.

In de derde afdeling ‘Eindes’ zet Boog ons direct in een baaierd van onheil neer: ‘Alle vragen zwerven rusteloos over de kloot. / We zijn op weg naar het einde // van de poëzie.’ De naderende ondergang van de wereld betekent voor hem ook het einde van de poëzie. De feestvreugde wordt uit alle macht opgeschroefd. Gesprekken blijven gaande. Er volgt een terugblik op wat liefde is, ook een vorm van poëzie:

een stofweb in de verste hoek van het plafond
schommelt teder in de tocht,
en wieg, door onzichtbare hand bewogen,
waarin niemand slaapt
en wij.

De dichter stelt zich voor even buiten het aardse gewoel, de maatschappelijke transitie te staan: ‘Zoals het gaat: de ene partij / krijgt de overhand, de andere geeft op, / aan de late kant. Het stopt.’ De frontlijn loopt door families heen. Wel is er volop speculatie. In de verstrooidheid is er telkens zicht op het einde. ‘Tot een oplossing zou het / niet komen, want het probleem / was een geziene gast wiens verdwijning // even ongewenst zou zijn als ooit / zijn verschijnen was geweest.’ Terwijl het einde nadert, baant de ik zich een weg tussen de paradoxen: ‘Is dit geluk? / Misschien niet, maar het kan ervoor doorgaan.’ In de ik blijft de rusteloosheid over het naderende einde aanwezig.

In de vierde afdeling ‘Systemen’ vergaderen de wereldleiders: ‘Nu kijken we / of er iets verandert.’ Kern- en kantelpunt in de bundel. ‘Er klinkt geschreeuw, / maar dan zingen de vogels alweer, / de schitterende vogels.’ Alles lijkt beter te worden: ‘Daarbij nog jij en ik en ons begrip. Wij verklaren veel.’ Redeneren en verbeelden strijden om de voorrang. Nog altijd vallen bijzondere dieren weg, en snel ook, ’weg voor je het weet.’ Nu we warmer, ouder worden dan vroeger en zonder mening zijn verbeteren we ‘vastberaden’. Er spreekt krampachtigheid uit deze houding. Systemen ruziën met elkaar, dreigen elkaar blijmoedig. Boven alles uit vliegen de vogels van de verbeelding, maar ‘er schuilt geen kwaad / in de systemen maar ook / weinig goeds.’ Het gaat om eerlijke verdeling onder mensen. De uitverkorenen in deze maatschappij voelen zich miskend door de verliezers; ‘de anderen streven verbeten / naar onstoffelijkheden zoals geluk.’ Er is ‘geen wetenschappelijke grondslag / voor bepaalde handelingen, niemand haalt voordeel.’ Dat geldt ook voor de landbouwproblematiek, een kansspel met enkel verliezers: ‘In de koeien en de zachte schapen leeft begrip. / Dobbelstenen stuiteren over de weiden.’ In alles lijkt het erop: ‘ieder voor zich’. En hoog in de lucht vieren de vogels de vrijheid. Elke ochtend biedt toch weer een ‘kansexplosie’. Alles lijkt nieuw: ‘Zie overal de zon.’

In de vijfde afdeling ‘Zo’n dag’ trekt het rampzalige besef steeds dieper het leven van de ik binnen: ‘Zo’n dag, / de vergeefsheid, / het machteloze geluk / dat in plaats van wolken / overdrijft.’ Er maakt zich een radeloosheid van de mensen meester: ‘gerinkel van ijs in glazen, / telefoons die niet opgenomen worden.’ De ik somt enkele dagen op waarin de leegheid en gedachteloosheid domineren. In zulke dagen ‘zonder iets’ hebben zelfs de vogels het opgegeven. Er is gelukkig de dag die als een warme deken over je heen valt. ’De tijd maakt moe.’ Het uitspansel buigt zich over onze zaak. Een ieder van ons koestert ‘een oud hoekje stilte: // plannen voor morgen.’

In de zesde afdeling ‘Kromvogel’ spreekt de ik de plompvogel toe om ondanks alles op te staan uit het nest. ‘Plompvogel, schetsvogel, schertsgeval. / Zo, houtskool op zacht papier, // vaalgrijs, mag je er zijn.’ Soms lijken de vogels weg te lopen, zonder hapering, maar ze duiken weldra in dode wateren. Het ‘grondeldier met zanikbek’ die niet geneigd is hulp te zoeken, kan niet anders dan blijven onder deze omstandigheden. Met deze personificaties maakt Boog de bedreiging van de vogelwereld invoelbaar. Alle genoemde vogels met hun ‘sneuvlerken, slodderveren, monkeldromen’ moeten weer leren fladderen, ook al zou het niet kunnen vanwege de zware machines op het grasland: ‘Stapstap, parmantig heen en weer, / noem dat drift.’

In de laatste afdeling ‘Vonnis’ wordt de aanzegging aan de burgers en boeren ‘timide verpakt’. ‘Elke opgelegde maatregel / gaat vergezeld van bijzinnen.’ Het is belangrijk ‘om enigszins te lijden / en dat aan belanghebbenden / met superieure ironie te melden.’ Ironische toonzetting en wollig taalgebruik verdoezelen de inhoud van de brieven. Ergens moet een ingang zijn, terwijl de ik ‘binnenmonds’ een nauwelijks hoorbaar lied zingt dat ‘veel leegte’ bevat: ‘Ik stel een verweer op.’ Deze poëzie komt nauwelijks boven het rumoer uit, zolang de verbeelding niet opnieuw aan de macht komt. Er is ‘omfloerste minachting.’ Onze dagen zijn geteld. Het bericht ‘infiltreert me als was ik / (misschien ben ik) een vreemde / mogendheid of een gekende.’ Om de onrust te dempen slikken we pillen. De ik blijft op een afstand die er altijd al was: ‘Er is niets veranderd’ (…) ‘Ik ben een sterrenwacht. / Er is niets dan hoop, wat koop je voor hoop.’

Boog tuigt zijn verhaal van ontreddering en machteloosheid over de natuur en de wereld associatief op met distantie en reflectie waardoor het verhalende een gelaagdheid krijgt. Hij biedt ingehouden verweer met zijn poëzie tegen de persoonlijke en wereldwijde misère. Het is een geslaagde poging om engagement te tonen in de hoop dat de poëzie haar zeggingskracht niet zal verliezen. Juist de subtiliteit waarmee hij de dreiging in beeld brengt, verleent deze poëzie een verrassende spanning, zonder dat de zweem van het onbenoembare verloren gaat.

____

Mark Boog (2022). Het einde van de poëzie. Uitgeverij Cossee, 73 blz. € 20,00. ISBN 9789059369948

Geplaatst in Recensies.