Emma van Hooff – Placebomens

Bloedeloos

door Peter Vermaat




Placebo is Latijn voor: ‘ik zal behagen’ en is, naast de titel van de debuutbundel van Emma van Hooff, ook de ondertitel van de derde van vier afdelingen: ‘oorzaak van mijn onrust’, ‘offerlam’, ‘wat een kwetsbaar mechanisme’ en ‘zelfs een laatste adem is een adem die ergens leven in blaast’. Ook de overige ondertitels (Pandora, Persephone en Prometheus) beginnen alle met een P en verwijzen alle drie naar de Griekse mythologie. De gedichten die je in die afdelingen vindt, gaan ongeveer zo:

(…)
de stilte boert haar laatste beetje macht op de stilte houdt haar
macht in stand en ik zit op mijn hand tot het bloed eruit erin
eruit erin ik zit op dit gedicht tot het bloed eruit erin eruit
erin ik steek naalden in dit gedicht ik duw vreemden in dit
gedicht ik ben de snavel van de adelaar die pikt de zaadjes
uit de grond van dit gedicht ik ben de grond van dit gedicht
dat standhoudt door soms leeg te staan ik sta soms leeg mijn buik
geopend en gesloten als de schelp van een oester ik ben helemaal
geen oester geen hoogtepunt uit het verleden mijn huid eet mijn haar op
ik bedoel ik word oud mede mogelijk gemaakt door applaus applaus
zo ver gekomen zonder mijn donorlever te noemen
(…)

[p. 59]


of zo:

wie zijn handen onder een kraan met fijngevoelige sensoren houdt
en geen waterstraaltje terugkrijgt mag zichzelf placebomens noemen

de waarheid is voorspelbaar gisteren was deze placebomens
ook al hier toen het licht aangaf binnenkort echt te gaan ontspannen

activeerde zich een gevoel in mijn buik dat kronkelde als een bergmeertje
waar mijn darmen zichzelf in bekeken kan een teken van bevestiging zijn

kan deze arm lang genoeg zijn en als het meezit wat sfeer uit de lucht trekken
een vliegtuig is ook gewoon maar een ding met raampjes die glanzen
zodat de aarde zichzelf niet uit het oog verliest

een vogel is ook gewoon maar een dier met veren waarop het licht
zijn ontspannen uitstraling op overweegt allemaal heel knap gedaan enzo
maar als ik handen had is dit het moment waarop ik ze zou gaan wassen

[p. 47]


In het tweede fragment zien we nog enkele sporen van ‘werk in uitvoering’: een bergmeertje kronkelt niet, maar in een bergbeekje, dat wel kronkelt, kun je je iets minder goed spiegelen. Toch jammer van die beeld-analogie van kronkelende darmen en het kronkelende bergbeekje, want linksom of rechtsom blijft het een artificieel geheel met veren, houtblokjes en gluton.

Wie mij inmiddels een beetje kent, zou op dit moment kunnen vermoeden dat ik me opnieuw druk ga maken over het niets zeggende, vooral niets suggererende parlando waarvan Van Hooff zich bij voorkeur lijkt te bedienen.
En dat klopt.
Ook Van Hooff blijkt namelijk te lijden aan de moderne ziekte in de poëzie, waarbij het vooral gaat om de ‘kunst van het verzinsel’ in plaats van de taal waarin deze wordt beschreven. Er is een overmaat aan fantasie, een aaneenrijging van liefst groteske tot fantasmagorische scènes, die quasi uit de losse pols op het papier worden gezet, alsof je aan de bittertafel aan je vage bekenden vertelt wat je nu weer gedroomd hebt. Dit alles gelardeerd met passages als ‘allemaal heel knap gedaan enzo’ of ‘ik bedoel’ en andere stoplappen, die het allemaal op spreektaal moeten laten lijken. Hier krijg je geen Lucebert, maar camembert, geen Shelley, maar sherry en wat voor bloed moet doorgaan blijkt Pleegzuster Bloedwijn. Er wordt geschreven over de veronderstelde verwondingen van het leven alsof het gesprekken zijn op een cocktailparty uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, met borrelnootjes in aardewerken schaaltjes, een dobbelsteenbeker met sigaretten en een enkele sigaar en de obligate James Last net om de hoek van de achtergrond.

Fantaseren kan iedere kleuter, vooral de kleuter die al vroeg in zijn leven in de belangstelling van zijn omgeving wil staan. Hij leutert je de oren van je hoofd met toen ging ik zus en toen zag ik zo en de beelden lazeren over elkaar heen als de animaties van een disneyfilm waarvan de maker te veel aan de velpon of de bisonkit gesnoven heeft. Het gaat zelfs niet per se om verbeeldingskracht, maar in de eerste en misschien wel eveneens de tweede en de derde plaats om het oproepen in taal van wat buiten de taal ligt, om door middel van klank en ritme de lezer laten lezen wat er niet staat.

Een tweede verschijnsel dat heden ten dage nogal eens dagzoomt, is dat de auteur de Schrijversvakschool met succes heeft doorlopen. Volgens de uitgever Atlas Contact moet de Schrijversvakschool bovendien worden beschouwd als academisch, aangezien Emma van Hooff daaraan is ‘afgestudeerd’ en blijkbaar is ook dat feit op zich vermeldenswaard. Kennelijk rukt ook in de letteren de amerikanisering op, waarbij men zich tooit met certificaatjes en kwalificaatjes alsof het ridderorden zijn of godbetert onderscheidingen voor heldhaftig gedrag.
Wat meent de Schrijversvakschool zelf? ‘Een duidelijke meerderheid van de alumni van de Schrijversvakschool bereikt het beoogde doel, namelijk een professionele publicatie. Vaak komt dat tot stand met behulp van contacten die via de school zijn gelegd. Ook bij het vinden van aansluiting met de literaire wereld vervult de Schrijversvakschool dus een belangrijke functie.’ Daar komen wij de wassende handen op het spoor, want de hand van de school wast die van de uitgever en omgekeerd. De huidige uitgeverij is meer dan ooit op zoek naar iets nieuws, iets wat kort maar hevig de aandacht van het voortdurend om nieuwe aanvoer roepende publiek kan vasthouden. Maak je toch geen illusies. Voor even ben je de nieuwste boterbloem in het weiland, maar na een nachtje vorst is dat snel voorbij.
Het beoogde doel van de uitgever en de school is niet dat jij je als dichter optimaal kunt uitdrukken in zelfgekozen taal, maar ‘een professionele publicatie’. Wie aan een oeuvre wil bouwen, komt bij de meeste uitgevers van een koude kermis thuis. Aan eendagsvliegen valt immers nog wel iets te verdienen.

Op de eerste pagina van de bundel kijkt de auteur de lezer aan. Met vreedzame bedoelingen, zo stel ik me voor. Maar met welk doel? Mogelijk is dichter Emma van Hooff als persoon een aangenaam mens, of juist niet. Het doet er niet toe: het enige dat voor een dichter telt is of hij sterke poëzie schrijft, ook al is hij als mens een fluim (Ezra Pound), een drankorgel (Dylan Thomas), een wapenhandelaar (Arthur Rimbaud) of een Rooms-Katholieke bekeerling (T.S. Eliot). Mogelijk is Emma van Hooff iemand met een onalledaagse hobby en kan ze je onderhoudend vertellen over rorschachtesten van op de snelweg platgereden katten.

(…)
emma van hooff kan wel tien keer dood
en telkens probeert ze het opnieuw
wenst ze zich buitenproportioneel
groot de stem versterkt zonder galm
ze is geen god ze weet ook niet
hoe ze stukken roomvlaai kan eten
zonder dat de heupen uitdijen
terwijl ze graag wat nieuws wil
een wijdvallende stof dragen
met plooien waarachter zoveel
meer schuilgaat dan alleen plooien
zoveel meer dan alleen doodgaan
en weer terugkomen
(…)

[p. 11]


Ja we lezen het goed: ‘een wijdvallende stof dragen / met plooien waarachter zoveel / meer schuilgaat dan alleen plooien’. Dat is precies het probleem in deze bundel. Plooien te over, maar er gaat helemaal niets achter schuil. Het is geschuif met woorden om het geschuif, nee omwille van de buitenkant, om toch vooral het epitheton ‘dichter’ te kunnen krijgen, want verdomd meid, je hebt het toch maar gefikst, een gedichtenbundel publiceren bij een ‘grote uitgeverij’. In mijn leesbeleving schuift de pretentie keer op keer als een wethouder Hekking op de voorgrond. De identificaties met Pandora, Persephone en Prometheus zijn geposeerd, ze reiken niet dieper dan de wortels in de plantenbak op het balkon. Stuk voor stuk blijven het mombakkesen, goed voor het literariteitenkabinet, maar de dichter zelf blijft keer op keer verscholen in de schaduw.

En dan is er nog altijd de ‘ironie’. Dat is wat iemand die in zijn ogen onredelijk besproken is, de recensent vrijwel altijd voor de voeten werpt. ‘Hij heeft de ironie gemist’. Ironie in poëzie is zoiets als een lege wc-rol op een openbaar toilet.
De voorzijde van Placebomens toont een aan de randen verticaal uitgeveegde rode vlek, die mogelijk bloed moet voorstellen. Als woord komt bloed nogal eens voor in deze bundel, maar in de taal zul je het niet proeven.

(…)
pik het eruit erin
eruit erin

[p. 62]


Wie daarvan houdt, moet deze bundel niet aan zich laten voorbijgaan. Het overige mag bekend worden verondersteld.

____

Emma van Hooff (2022). Placebomens. Atlas Contact, 62 blz. € 19,99. ISBN: 9789025470838

Geplaatst in Recensies.