Joris Iven – De weg naar Pitchipoi

‘Er is geen weg naar geluk, geluk is de weg’ (Boeddha)

door Hettie Marzak




De weg naar Pitchipoi, de plaats van bestemming in de gelijknamige bundel van Joris Ivens, voert niet naar een bestaande plaats. Op geen enkele kaart zul je Pitchipoi vinden. Toch is de plaatsnaam al heel oud: Pitchipoi is een Jiddisch woord, dat ‘verwijst naar een onbekende bestemming en dat zoet klonk in de oren van kinderen’, zoals Iven in het motto van de bundel schrijft. Zoals Brabantse moeders hun nieuwsgierige kinderen ten antwoord gaven op de vraag waar moeder naartoe ging: ‘Naar Bommelskonte, drie uur boven de hel’, was ‘naar Pitchipoi’ bedoeld om vragen van kinderen af te wimpelen. Pitchipoi betekent letterlijk: ‘verloren gat’, een gehucht van niks. Maar in de Tweede Wereldoorlog kreeg het een heel andere, afschuwelijke betekenis en werd het een benaming voor de onbekende eindbestemming van de Joden, die in werkelijkheid naar de vernietigingskampen werden gestuurd.

Voor de dichter is Pitchipoi een bestemming die hij nooit zal bereiken, een zoektocht waarvan de weg ernaartoe belangrijker is dan de plaats van aankomst. Na de dood van beide ouders gaat Iven in deze bundel op zoek naar een plaats om te schuilen, een toevluchtsoord, om te zoeken ‘naar wat jou ontbreekt’, schrijft hij in het eerste gedicht ‘Opdracht’.
De eerste afdeling is getiteld ‘Heengaan’, een titel die zowel op het overlijden van zijn ouders slaat als op de aanvang van zijn eigen symbolische pelgrimstocht. Op deze zoektocht neemt hij niets mee dan de taal en zijn herinneringen. Maar hij komt er al gauw achter dat herinneringen niet betrouwbaar zijn: ze vervagen en vervormen gezichten en gebeurtenissen.

Het vaarwel zeggen

Bloemstelen liggen op het aanrecht,
klaar om ze te schikken,

maar ik doe niets
dan verzamelen wat me dreigt
te ontglippen.

Wat me ontglipt, is wat
mijn oorsprong is.

Ik verschuif de kralen
op het houten raamwerk,
smeed de letters van het alfabet
en spreek het abracadabra
over de aflijvige
uit.

Ivens taal is eenvoudig, maar zeer doordacht. Met alledaagse woorden weet hij treffend uit te drukken hoe ontreddering kan treffen na het teloorgaan van het vertrouwde. Het enjambement in de tweede strofe wijst aan ‘dreigt’ een heel andere interpretatie toe dan wanneer de uitdrukking ‘dreigt / te ontglippen’ in zijn geheel gelezen wordt. Dat geldt ook voor de laatste strofe, met het Vlaamse woord ‘aflijvige’, waarvan ‘lijf’ de betekenis van ‘leven’ heeft. ‘Aflijvig worden’ betekent overlijden, het leven uit gaan, dat met het laatste woord van het gedicht onomstotelijk benadrukt wordt. Over en uit.

De tweede afdeling is ‘Stilstaan’. Ook hier is de titel meerduidig: letterlijk stilstaan in de beweging én aandacht schenken aan iets. De stilstand betreft het leven van de ik-persoon die in de gedichten spreekt: hij is ontheemd en nergens thuis. Het huis van de ouders wordt verlaten, de dichter is een vreemde geworden, ook voor zichzelf: ‘Ik ben vertrokken, omdat ik / niet dicht genoeg bij mezelf stond.’ Nu moet hij terugkeren omdat het huis verkocht moet worden. Alles moet worden opgegeven om opnieuw te kunnen beginnen.

Adieu

Ooit heb ik een huis gehad,
maar ik heb het verlaten.

De doden hebben me eruit gedreven.
Ze namen het dak eraf
en maakten alles leeg, de vliering,
de bergruimte, de provisiekast, de kelder.
Dan zochten ze nog iets te eten in de schuur,
de graanopslag, de hooiberg.

Ik ben een wees, voorbestemd
voor verwaarlozing. Ik wil zoeken,
niet zwerven en niet dwalen.

Wie me niet kent, hoeft me niet te vrezen.
Een band wordt verstevigd of betreurd.
Een vreemde hand zoekt een scheidingslijn.
We lopen langs elkaar als schouders,
schaduwen, ruggen in de regen.

Als ik ooit opnieuw een huis zal hebben,
zal ik iedereen welkom heten,
zelfs de onbekende gast met de zwarte muze,
naar wie niemand luistert.

Het derde deel is getiteld ‘Op en neer gaan’, waarin verleden en toekomst worden voorgesteld door ‘het huis waar ik ooit heb gewoond’ tegenover ‘het huis dat ik me zoek’. Het verleden achtervolgt de dichter op zijn zoektocht naar een nieuw begin. Hij ervaart zijn verlatenheid als steeds zwaarder en een tijdelijk oponthoud helpt niet. Duidelijk wordt ondertussen dat het huis waar de dichter naar zoekt symbool staat voor geborgenheid en warmte die hem ontbreken in zijn leven, maar een vrouw is minstens even belangrijk als een huis: ‘Zodra ik haar vind, loop ik niet meer weg/ van waar ik naartoe ben gekomen.’

In het vierde en laatste deel, ‘Heen en weer bewegen’, lijkt de dichter het zwerversleven aanvaard te hebben als de enige manier van bestaan. De pelgrimsweg is eindeloos en symboliseert de levensweg van de mens. Ivens gedichten bieden geen hoop en geven slechts de ontreddering weer van iemand die zich verloren weet. Toch klinkt er in dit laatste deel iets van berusting door.

Onderweg

Waar ik ook ga,
mijn verleden draag ik in mijn handen mee
en ik ga niet achteruit.
Wat ik heb gevonden, is een spoor,
geen onderdak.

Ik ontsnap uit wat ik lees en loop
plompverloren door de straten van weleer.

Hier wordt geploegd, hier worden voren opengelegd,
en het zijn voren die ik ken.

Waar is de jachthond
die op de glijbaan van de heuvel
zijn neus in de wind steekt?

Het gaat over kwijtraken, het draait om verlies.

Ik blijf zoeken naar straatnaam en huisnummer,
maar mis de kaart. Dwaal
met zwervers, bedelaars en straatartiesten.

Zij verbinden en maken los,
halen aan en stoten af.
Wat ons bindt, is wat we missen.

Iven weet in zijn gedichten op indringende manier weer te geven hoe elk mens omgaat met dood en verlies. Als je ouders overlijden, verlies je meer dan huis en haard: je bent je jeugd kwijt en je herinneringen, want er is niemand meer aan wie je kunt vragen hoe het was. Iven laat zien hoe je op jezelf wordt teruggeworpen en hoe je leren moet, dat alles onbestendig is in dit leven. Van de reis die in de gedichten gemaakt wordt van verleden naar heden en omgekeerd, is het doel niet het belangrijkste, maar de manier waarop je reist en de plaatsen en mensen die je onderweg aandoet. Onderdak is nooit bestendig, lijkt Ivens te willen zeggen, we kunnen onze zekerheid en geborgenheid niet meer buiten onszelf zoeken in een wereld waarin alles met de tijd verdwijnt.
____

Joris Iven, (2021). De weg naar Pitchipoi, Uitgeverij P, 53 blz. € 17,00 ISBN 9789493138537

Geplaatst in Recensies.