De favorieten van Sandra Roobaert

 

In de serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Sandra Roobaert.

 

Geachte Muizenpoot,

Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel
vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten

aan U ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente
als een flauwte. Dit is mij nu zo vaak al overkomen dat

ik er de klad van in mijn wezen heb en dat tussen het
afgerukte vlees der hyacinten de verplegers van die

bloemen knielen voor vreemdelingen. (Dit heb ik zelf gezien
vanuit de trein naar Haarlem.) Zoiets zondigs en krank-

zinnigs U te schrijven, maar omdat lente van liefde een
aberratie is – en niet omgekeerd – opdat U daar niet in

zal trappen, in een vreemd land en zo eenzaam te dwalen.
(Bepalend voor het lot van zwervelingen enkel herkomst.)

Nu met mijn hart gaat het wel beter, maar de tuin is
verwoest mijn lam, verwoest. En ik sta radeloos onder

onzuiver groen in dit en komende seizoenen: mijn hoofd
tot hatens toe, mijn hout tot bladeren bedorven en

schrijven wij pas mei. Dat hebt U er nu van, mij
‘s winters te beminnen en ‘s zomers te dwingen onder

raar lover humorloos en onchinees te wezen, mij, lief
hebbend evenwichtig als een oude man, genegenheid bed-

weterig doen zien ontaarden in het teer, vraatzuchtig
zeuren der libelle-achtige dames, want ik weet mijn plek.

Een teer punt. Een voordeel zo te zien, maar wezenlijker
reden om over in te zitten dan de onbenulligheden die

van onderhonden het gedachtenleven leiden tot in priëlen
van zelfbeklag: zulk lijden slecht gemotiveerd maar zinvol,

want wie, wie vreet mijn spijt? Neem dan de bomen maar, die
bloeiend blind tot vaderloos afvallige vruchten, bederf en

winterkou: en nooit een klacht! Want tot verstommens toe is
liefde hun te moede. Te moede is. Liefde mij te moede, is

liefde mij… etc. (handtekening onleesbaar)

© F. Harmsen van Beek,
uit Fritzi, een keuze uit de gedichten van F. Harmsen van Beek, de Poëzieboys, De Bezige Bij, 2021
Allegro

Ik speel Haydn na een zwarte dag
en voel een simpele warmte in mijn handen.

De toetsen zijn willig. Milde hamers slaan.
De klank is groen, levendig en kalm.

De klank zegt dat de vrijheid bestaat
en dat iemand de keizer geen belasting betaalt.

Ik steek mijn handen diep in mijn haydnzakken
en doe als iemand die de wereld in alle rust aanschouwt.

Ik hijs de haydnvlag – dat betekent:
‘Wij geven ons niet over. Maar willen vrede.’

De muziek is een glazen huis op de helling
waar stenen rondvliegen, stenen rollen.

En de stenen rollen er dwars doorheen
maar iedere ruit blijft heel.

© Tomas Tranströmer,
uit de Herinneringen zien mij: verzamelde gedichten/memoires, De Bezige Bij, 1993
Soortelijk gewicht

Ik heb een nieuwe weegschaal nodig, die rekening houdt
met het verschil tussen een kilo veren en een kilo steen.
’s Ochtends open ik mijn ogen en denk simultaan:
.       Jij bent er niet meer
      . Zou hij al wakker zijn
.               Ik wil niet meer
.               Het is vakantie
En ik kom er niet uit wat het zwaarste weegt.

Ik rijd naar de supermarkt en maak in mijn hoofd het grapje
dat wij altijd hadden over fruit, het laat zich lastig opschrijven
maar het heeft met uitspraak en met Freud te maken,
en ik slaagde elke keer en jij nooit en dat was precies goed.
Tegelijkertijd in mijn tas: limoenen voor als hij misschien komt.
Aardbeien. Wat zegt dat over de dichtheid van alles?

Als ik hem aanspreek slik ik steeds een Lief in want dat kan niet
want zo noem jij mij al, maar ondertussen: zo noemde ik jou
niet en het klopt precies. Lief. Je moest eens weten en ik wilde
.            dat je het wist
.            want dan was je er nog,
.                   maar nee,
.                   dan was hij er niet.
Ik wankel in het midden maar heb veren om de val te breken.

© Vrouwkje Tuinman,
uit Lijfrente, Cossee, 2019
foto (c) Alja Spaan, Alkmaar, september 2014
Geplaatst in Gedichten.