Moya De Feyter – Een heel dun laagje

Waarom die zoektocht?

door Hans Puper




Als ik het in deze recensie heb over Moya, dan verwijs ik naar ik de ik-verteller in Een heel dun laagje. Schrijf ik Moya De Feyter, dan heb ik het over de persoon van de schrijfster. Dat leest makkelijker dan een voortdurende herhaling van ‘de ik’ of de ‘ik-verteller’.

Op het achterplat van Een heel dun laagje staat: ‘[Het] is een poëtisch, filosofisch, verhalend en persoonlijk onderzoek naar licht in al zijn vormen: als natuurlijk verschijnsel, als ritueel kompas, als tegenhanger van duisternis, als icoon van geluk, als deeltje, als golf.’
Ik dacht bij het doorbladeren even aan prozagedichten, omdat een deel van de honderden tekstjes, variërend van één regel tot bijna twee bladzijden, poëtisch aandoen vanwege hun lyriek en dat geldt ook voor het karakter van veel titeltjes zonder hoofdletters die aan de rechterkant van de pagina staan. Een paar voorbeelden: ‘ja waar is het donker’, ‘krans van huilend licht’, ‘de roep van de glinsteringen’. En je komt zinnen tegen als deze, die De Feyter gelukkig goed weet te doseren: ‘Het licht rinkelt in de wolkenstrengen, in het veld vol gele, tamponvormige bloemen, in de bonte specht, de wangen van de beek, de azuurblauwe ijsvogel die naar een kikkertje duikt, de pluizige vlinder die door de netels dwaalt.’ (p. 165). Maar een poëziebundel is Een heel dun laagje niet, het is proza. Dat zegt natuurlijk niets over de kwaliteit, alleen over het genre.
De schrijver van het achterplat vervolgt: ‘[Moya De Feyter probeert] het licht te naderen door er in alsmaar grotere omwegen omheen te dansen. Via de optica, de goden, de dood en de knoop waarin onze wereld verzeild is geraakt, langs nachtdieren, zwerfplaneten, wiskundige vergelijkingen, dromen en kinderherinneringen naar de cel die openbarst en de zon die zich zelfs via Saturnus’ ringen in ons netvlies drukt’.

Goed. Maar wat is de reden voor dit onderzoek?
De herkomst, het wezen en de verschijningsvormen van het licht zijn boeiend genoeg en ze komen uitgebreid in het boek voor. Maar de betekenissen die overal ter wereld en door de eeuwen heen aan licht werden en worden toegekend, lijken haar grootste belangstelling te hebben. De Moya in het boek gelooft niet meer, godsdienst heeft afgedaan en is vervangen door wetenschap. Daarnaast is de natuur gedomesticeerd en in de stad zijn ’s nachts de sterren niet meer zichtbaar: we leven in een onttoverde wereld. In een (dag)droom zit een vrouw op de rand van haar bed: ‘Ze weet dat ik op zoek ben naar het licht, dat ik mijn best doe om te geloven in iets wat me is afgeleerd.’ (p. 59). Het geloof in een leven na de dood, of beter: het opheffen van de grens tussen leven en dood, zou het verlies van haar innig geliefde oma draaglijker maken. Oma speelt samen met Moya’s vriendin Kleur, van wie zij hartstochtelijk houdt, een zeer belangrijke rol in het boek. ‘Er zit een vlies tussen haar wereld en de onze’, schrijft ze als ze een portretfoto van oma bekijkt die bij haar oom in een lijstje aan de wand hangt. Een enkele keer komt ze heel dicht bij de vervulling van haar wens. In ‘het bos is een gebed van bomen’ (p. 165) schrijft ze: ‘We worden aangeraakt, veranderen van vorm. Het vlies tussen de zichtbare en onzichtbare wereld was nog nooit zo dun.’
De kwantumtheorie is veelbelovend. In de volgende passage uit ‘Chaos’, de laatste afdeling, zegt Kleur tegen haar:

‘In de kwantumwereld, de wereld van de allerkleinste elementen, is er geen zwaartekracht. De onzekerheid en chaos zijn fundamenteel! Er zijn overigens ook dingen zonder plaats, tijd of ruimte. Het is mogelijk om te bestaan zonder op een bepaalde plek of op een bepaald moment te zijn. De meeste mensen vinden dat lastig. Ze willen niet geloven dat de kat tegelijkertijd dood en levend kan zijn. Dat snap ik best, maar het is toch jammer. De weerstand verhindert het voortschrijdende inzicht.

’Uit: ‘buiten tijd en plaats’
(p.156)

Wie een onderzoek doet naar licht, ontkomt niet aan lichtvervuiling. Sommige vormen zijn levensbedreigend. Een schrijnend voorbeeld geeft Moya in ‘ouder dan de dinosaurus’ (p. 141/142), waarin ze vertelt dat de zeeschildpad al bijna tweehonderd miljoen jaar bestaat en heftige klimaatschommelingen overleefde. Tot de mens zijn achtertuin begon te verlichten:

Zeeschildpadden leggen hun eieren op het strand, in zelf gegraven kuilen. Wanneer hun jongen uit het ei breken, moeten die op eigen houtje hun weg zien te vinden naar de zee. Daarvoor oriënteren ze zich op licht. De zee is ’s nachts normaal gezien het lichtste punt in de omgeving, omdat zij – anders dan duinen, bomen en gras – maanlicht reflecteert. Nu er alsmaar meer licht van het land komt, van stadscentra en reclamepanelen en straatlantaarns en verlichte achtertuinen en vierentwintiguurskantoorgebouwen, verwarren de babyschildpadden de zee met het land, kruipen ze de verkeerde kant op en gaan dood.

Zouden we ons meer bewust zijn van ons handelen als we beseften dat we onverbrekelijk zijn verbonden met alles wat leeft? In de proloog, op een zeer belangrijke plaats dus, vraagt Moya zich af wat het wezen is van de baby (‘Is het een mens, een varken, een aap?’): ‘Het ongeboren wezentje deelt bijna al zijn genen met de chimpansee, meer dan de helft met het fruitvliegje en een derde met de narcis. Een derde wat een bloem tot een bloem maakt, is precies hetzelfde als dat wat een mens tot een mens maakt.’ (p. 7).

Het is niet verrassend dat Moya genen ook weer in verband brengt met haar oma en constateert dat zij levend in haar aanwezig is: ‘Ik wou dat mijn genen duidelijker zichtbaar waren. Mijn grootmoeder zit in mij; ik weet het, ik voel het, maar niemand kan haar zien op mijn huid, niemand kan haar horen als ik praat.’ (‘verborgen draden’, p. 51).
Ook buiten Moya lijkt oma even tot leven te komen. In de laatste regels van het voorlaatste stukje (‘voorbij de schil’) lezen we: ‘Een pink glijdt tussen twee vingers. Grijpt. Ik ben niet alleen.’ Een baby? Ja en nee. In het laatste stukje, (‘feest’), verbeeldt zij zich dat oma op de bank zit en zij haar omarmt. Vervolgens krimpt oma, totdat Moya een klein, warm lijfje in haar handen houdt. ‘Ze kijkt, maar niet naar mij’ luidt de laatste zin. Dat zei ze al eerder, toen ze die foto van oma bekeek. En dan volgt de epiloog over het visuele vermogen van een pasgeboren baby. Die kijkt je niet aan: ‘De blik van een pasgeboren baby beweegt heen en weer over contrasten. Een wit voorwerp op een zwarte tafel. Een strakke lijn op een blad papier. Een flikkerend scherm. Het zwartglanzende haar van de bleke verpleegster.’ Het verhaal is rond. We gingen van jong naar oud en van oud naar jong en zo gaat het door. Een cirkel. En daarbinnen is het veilig, zegt Moya verschillende malen.

Het is een boeiende zoektocht, het lezen waard. Tsjêbbe Hettinga, bij uitstek de dichter van het licht, zou Moya De Feyter zeer hebben gewaardeerd, getuige het slot van ‘Het vaderpaard’. Het is uit het Fries vertaald door hemzelf, samen met Benno Barnard:

Laat de roemers der ijdelheid geen kwelling voor de geest zijn,
Laat het lachen niet aan een ander over, het huilen
Ook niet; laat komen, tot slot, de stilte, de nacht, de droom, en
Laat daarin diegenen binnen die zochten, naar het licht.

(In: Het vaderpaard – It faderpaard. Alle gedichten, p. 331)

____

Moya De Feyter (2022). Een heel dun laagje. Uitgeverij Vrijdag, 174 blz. € 21,99. ISBN 9789464340792

Geplaatst in Recensies.