“Ontroering is het bindmiddel dat ons als soort met elkaar verbindt.”

De Antwerpse schrijfster Ruth Lasters schreef tot nu toe vier romans en twee dichtbundels. Haar debuutroman Poolijs gooide hoge ogen en Vouwplannen, haar poëziedebuut, verdiende een mooie zonnegroet van het Liegend Konijn. In haar recentste roman Vin schrijft zij over de struggles van een beginnende leerkracht.
Lasters staat inmiddels twintig jaar voor de klas en ontwikkelde een sensitiviteit voor maatschappelijk kwetsbare jongeren. In haar opiniestukken legt zij vaak de pijnpunten binnen het onderwijssysteem bloot.
Als één van de vijf stadsdichters heeft zij oog voor de sociale tendensen die zich afspelen in de Antwerpse maatschappij.
De talrijke nominaties en prijzen tonen aan dat Lasters een universele snaar bij de lezer weet te raken.
Onder het pseudoniem ‘Paul Bellemans’ won zij – voor een tweede maal – de Gedichtenwedstrijd der lage landen met haar gedicht ‘Abrikozen’.
Daarnaast is ze poëziecoach aan de Schrijversacademie.
Christophe Ywaska sprak met haar af in Antwerpen.

 

foto (c) Nattida-Jayne Kanyachalao

 

Van Bellemans tot Beson

Mevrouw Bellemans is de juf die mij op zesjarige leeftijd leerde lezen en schrijven. Ze leerde mij dat er letters bestaan die je tot woorden aan elkaar kan haken en dat je met die woordjes een verhaal kan schrijven.
Toen ik technisch onderlegd genoeg was, schreef ik korte verhaaltjes…en zo is het feitelijk begonnen.
In dat opzicht was zij een sleutelfiguur die de eerste vonk in mijn schrijversbougie tot sprankel deed overslaan. Gaandeweg ontstond een diepgewortelde, oprechte liefde voor het medium taal in al zijn facetten…waarbij het schrijven an sich mijn voorkeur genoot.
Verder onderweg ontstond een grote affiniteit voor de Franse taal en haar literatuur.
Een hedendaagse Franse auteur die ik graag lees omwille van zijn stijl is Philippe Beson. Hij hanteert een taalkunst waarbij emoties op een natuurlijke manier gedragen worden en weet dit puur en direct te vertalen naar de lezer toe. Ook in mijn schrijven streef ik naar een zekere esthetiek en vormvastheid waarbij de emotieve directheid de gemeenschappelijke noemer is.
Paul is dan weer mijn tweede eigennaam; Paul Bellemans dus… ‘maar eigenlijk betekent dit niets.

 

Huwelijksbureau Lasters: ‘Van vonk tot vondst!’

Ik stel haar de vraag hoe een gedicht ontstaat en welke elementen een gedicht laten ontpoppen tot vliegensklaar.

Ik word vaak overvallen door het ‘esthetische’ van een begrip en kijk daarvoor goed rondom mij. Ik scan de werkelijkheid en alles wat daarin aanwezig is, denk er woorden bij, haak er ‘dingen’ aan vast die oorspronkelijk losstaan van elkaar.
Mijn hoofd is als een huwelijksbureau, waarin al deze woorden en impressies op zoek gaan naar een partner. De voorwaarde tot een verbintenis, is dat ‘vonkske’ dat moet overslaan tussen twee – voor elkaar schijnbaar onbestemde – elementen.
De voltrokken verbindingen zijn geen vondsten ‘uit het niets’, maar een gevolg van intense concentratiesessies, gedurende een aantal uren per dag. Omwille van de intensiteit en regelmaat van denkwerk op huwelijksmaat, kan je deze sessies nog het best vergelijken met de dagelijkse trainingen van een sporter…als ik niet genoeg train komen die invallen er ook niet…de software moet aanstaan en op volle toeren draaien.
Deze sessies leiden niet per se tot een gedicht, maar meestal heb ik al een eerste regel klaar. Omwille van het feit dat ik mij zo hard geconcentreerd heb, gaan de gevormde partners een eigen leven leiden in mijn hoofd en nemen zij het van mij over. In mijn hoofd ben ik pas echt aan het schrijven en kom ik soms snel tot een gedicht.
De ratio of het cerebrale is altijd al aanwezig geweest in mijn schrijven omdat ik redelijk conceptueel ben in wat ik maak. In mijn recentste werk zet ik de ratio in functie van de emotie, wat ook de insteek en zoektocht van mijn volgende bundel wordt…Emotie die geboren wordt op het punt waar de ratio en intuïtie elkaar ontmoeten.

 

Schrijfprikkels, halfoogst en transcendentie.

Ik heb de prikkels van de rauwe werkelijkheid absoluut nodig en zou niet kunnen schrijven wat ik wil schrijven als deze er niet zouden zijn. Ik schrijf meestal in een staat van overprikkeling, als tegenreactie op kleine ‘stressjes’ of fricties in de werkelijkheid rondom mij. In principe piekt mijn creativiteit altijd buiten de comfortzone. Ik vermoed dat dit bij de meeste schrijvers zo is.
De maand juli is bijvoorbeeld een periode waarin ik veel schrijf, maar halverwege augustus zakt mijn creativiteit als een mislukte Dr. Oetker flan in elkaar…simpelweg omdat ik mij in een te grote comfortzone bevind.
Er zijn dan te weinig triggers om reactief denkwerk op te leveren en dan kom ik niet tot mijn beste creaties.
Ironisch genoeg is mijn creatief peil dan omgekeerd evenredig met de betekenis van halfoogst, de periode waarin de boeren hun akkerbuit de schuren binnenrijven. Als de school weer start in september, ben ik weer helemaal vertrokken en start het allemaal opnieuw.

 

‘Waarom ik schrijf.’

De reden waarom ik écht schrijf, zijn de trances die mij twee à driemaal per jaar overvallen. Het zijn orgel-punten die ontstaan zijn uit de culminatie van alle werksessies samen…als ik mij in zo’n toestand bevind, ben ik de gelukkigste mens ter wereld. Zo’n ‘creatie-trance’ duurt ongeveer een maand tot zes weken en is even intens als hevig verliefd zijn…het put me uit en ik eet of slaap amper.
Het is vergelijkbaar met een soort high of een rush waaraan ik verslaafd ben geraakt en waarvoor ik het ook doe.
Mijn enige drijfveer is om zo’n golf – die mijn creatiedrang onaangekondigd in lichterlaaie zet – als een volleerd surfster tot voorbij de branding af te surfen…ik zou anders niet weten waarvoor ik het doe, er is al zoveel poëzie en proza bijeengeschreven.

 

Troostgedichten

Het gros van mijn gedichten is troostend van inborst. Voor mij is het evident om via poëzie de plooien in het leven enigszins glad te strijken. Een leven dat – voor mij of voor een ander – niet altijd even gemakkelijk is om te dragen. Ik probeer hierbij de ‘zware’ thema’s op een frisse manier te benaderen en streef naar een zekere lichtheid in mijn werk.
Ik probeer de lezer te bereiken, en zeg: ‘ik (h)erken uw moeilijkheden, en natuurlijk is het niet allemaal evident, maar u bent niet alleen, ik zit naast u en voel het ook!’ Daarom is de notie dat de lezer troost put uit mijn poëzie het hoogste goed dat mij als schrijver kan toekomen, dat hij zich minder alleen voelt en er – omwille van de (h)erkenning – een verbinding ontstaat.
Eigenlijk schrijf ik nooit alleen, en ben ik altijd omringd door dichtbundels van collega-dichters, zoals bijvoorbeeld Marije Langelaer of de ons, helaas te vroeg ontvallen Bernard Dewulf. Op een mindere dag lees ik graag een aantal kerngedichten uit hun werk, omdat zij datzelfde gevoel van verbinding op een ontroerende wijze weten te bewerkstelligen bij mij. Deze troostervaring sterkt mijn inspiratie verder aan.
Myriam Van hee is bijvoorbeeld zo’n schrijfster, die bij mij een gelijksoortig gevoel van ‘thuiskomen’ sorteert: men is nooit alleen. Poëzie is een taal die troost en ontroert…uiteindelijk moet zij toch tot iets leiden.

 

Dans-ontroering

Ik vraag Lasters of er nog andere kunstvormen zijn die haar kunnen bekoren, waarop zij zonder nadenken antwoordt: ‘Dans!’

Dans is – naast het tekstuele – een vorm van expressie die mij diep weet te ontroeren. Het is de puurste en meest directe vorm van communiceren door middel van lichaamsexpressie. Er gaat niks verloren in de vertaling van emotie als deze op een lijflijke wijze door de performer wordt gebracht.
Een danser gebruikt zijn lichaam als medium én valt er tegelijkertijd mee samen. Deze vorm van directheid raakt mij tot in het diepste van mijn ziel. Ik probeer met mijn poëzie een gelijkaardige perceptie bij de lezer op te roepen en ik zou heel graag ooit – na vele jaren oefenen – de lezer op diezelfde directe manier willen kunnen bereiken.

 

Elke leerling is een stadsgedicht

Lasters neemt – samen met vier andere dichters – de komende twee jaar het stadsdichterschap op zich. Ze ziet deze opdracht als een uitgelezen kans om te schrijven over de verschillende maatschappelijke tendensen die zich voordoen in de huidige Antwerpse maatschappij.
Voor haar tweede project gaat ze aan de slag met leerlingen uit het beroeps- en technisch secundair onderwijs. Het zijn vaak leerlingen die het moeilijk hebben omwille van een schrale socio-economische achtergrond, wat weegt op hun studiekansen.
De ongelijkheid en stigmatisering waaronder deze jongeren gebukt gaan, nopen haar om geregeld opiniestukken te schrijven waarin ze haar beschouwingen over het huidige onderwijssysteem op cassante wijze ventileert.

De verschillende thema’s worden onder de stadsdichters verdeeld en zijn veelal maatschappelijke. Mijn eerste gedicht als stadsdichter was een gedicht over de vrijwilligers in de vaccinatiecentra, die toch veel voor de burgers hebben gedaan. Voor mijn volgende project ga ik aan de slag met de leerlingen uit de Spectrumschool, waar ik vroeger lesgaf aan leerlingen die een beroeps- of technische richting volgen. Ik ga er workshops geven om, samen met de leerlingen, poëzie te gaan schrijven en zo tot een nieuw gedicht te komen. Die gasten hebben zoveel poëtische kracht in zich en zijn uiteraard, net als iedereen, in staat tot het creëren van schoonheid door middel van geschreven taal.
Dat geldt niet voor allemaal, maar er zijn bijvoorbeeld leerlingen bij die het thuis niet breed hebben en opgroeien in een milieu waar overleven op het voorplan staat. Juist daarom hebben die jongeren zoveel te vertellen en help ik hen graag om hun leefwereld, en wat er allemaal bij komt kijken, te vertalen naar een gedicht. Ik wil iets positiefs doorgeven aan diegenen die zich vaak slecht in hun vel voelen door ons onderwijssysteem.

Het vuur laait op als ze het over het huidige onderwijssysteem heeft, de intonaties in haar stem klinken nadrukkelijk heftiger.

Ik ijver hard tegen het elitarisme binnen het huidige onderwijssysteem. Er moet een einde komen aan de stigmatisering van beroeps- en technische leerlingen. Het valt niet te bevatten dat mensen – notabene met een pedagogische achtergrond – beslissen om leerlingen letterlijk te gaan opdelen in een A en B-stroom.
Daardoor worden vandaag duizenden jongeren – en later volwassenen – gestigmatiseerd, terwijl ze binnen het systeem even valabel zijn als een ander. Het is te gek voor woorden om te zien hoe de leerplannen in het onderwijs deze leerlingen achterstellen op het gebied van taalvaardigheid, en beperkt in deelname aan cultuur. Ik vind daarom, samen met vele anderen, dat het huidige onderwijssysteem dringend aan herziening toe is. Beperk deze vorm van expressie niet tot zogezegde ‘elite’ !

 

Gedichten

Karper

Dat niemand ooit de hele vorming van een ijsvlakte zag,
echt elke tel van hoe een vijver tot betreedbaarheid

stolt. Allicht is daar geen enkele totaalgetuige van, nu en
vroeger niet. Dat zekere raakpunt met

mensen uit eerdere tijden maakt hen plots nabij, alsof ze door
de troebele ijsspiegel naar mij kijken. Vooral in het midden

bij de vastgevroren karper in het wak als een tijdgat, waardoor zij
wel de troost lijken te seinen dat zij uitgerekend nu

met ongeveer evenveel ontbreken, aan de andere zijde zijn als wij
zenuwcellen hebben, als zit er in ons hoofd

van elk van wie hier is geweest
de felste sprankel.

 

(uit de bundel ‘Lichtmeters’)

 

Vries

Er zou voor ieder mens een kamer moeten groeien :
één millimeter nieuwe ruimte

als rente voor elk waardevol voorbij
moment. Een vertrek om te vinden, te innen

wanneer je het aandurft er luid passen tellend door te gaan,
de oppervlakte te bereken in damp

op het raam. En dat getal, ik zal het tijdens mijn bezoek
lezen noch na-

tellen alleen de vriesbloemen die het
uitwissen.

(Vries staat op de achterflap van het debuut ‘Poolijs’)

 

Fragment uit Vin

.   Vaak leek het alsof dat accordeonscherm van dat lokaal verder liep tot in mijn geheugen, met duizenden op en neer bewegende vouwen, die de kennis van mijn twee vakgebieden tegen en in elkaar drukten. De Engelse vertaling van een woord als ‘schroefsleutel’, waarnaar mij bijvoorbeeld werd gevraagd, kon plots in dezelfde hersenplooi zijn ondergebracht als de verschillen tussen gelijkvleugeligen en echte libellen, en het schema van de opbouw van de nierschors. De meest ongenode details kwamen me toegevlogen, terwijl de mogelijke vertaling van ‘schroefsleutel’ er elke seconde een bedrieglijke geheugenvouw bijkreeg en ik ten slotte het juiste antwoord diende te kiezen uit ‘a wrenck’, ‘a wreck’, ‘a wrecker’, ‘a whenck’, ‘a wherck’, ‘a wrench’ en ‘a whench’.
.   Als ik al te lang had geweifeld alvorens zo’n vraag van een stielman in spe te beantwoorden, stamelde ik soms als excuus iets over de spreidstand tussen mijn twee vakken die het opdiepen van kennis bemoeilijkte. Meteen daarna liep ik rood aan. Niet alleen door de stuntelige indruk die ik allicht maakte, maar ook omwille van het feit dat ik zo onbeholpen was geweest te klagen over moeilijke geheugengymnastiek tegenover tieners met veelal Maghrebijnse of Midden-Oosterse roots, die aldoor in een hoogst complexe culturele spreidstand leefden. Zelfs terwijl ze de veters van hun verontrustend dure designersneakers strikten of verveeld gelatinevrije gummibeertjes tussen de radiatorbuizen lieten smelten.`

(Vin is Lasters’ recentste roman, waarin zij over de beginnende struggles van een leerkracht schrijft)

 

Quotes, kanttekeningen en outtakes

‘Ik zie mijzelf als een beeldend kunstenaar en kan pas schrijven als ik het zie.’

‘Wanneer een gedicht af is ?… Als ik er effectief van afblijf.’

‘…anderzijds kan het intensief beoefenen van schrijfsport, zoals bij elke sport, tot blessureleed leiden. Naast de medische termen ‘tenniselleboog’ of ‘golferspols’, mag de orthopedische wereld er gerust aan aantal schrijversblessures aan toevoegen, zoals ‘deadline-kramp’ of ‘schrijversnek’ …
en ik kan er van meespreken !’

‘Een goed boek is een boek waarin je de creatievreugde van de auteur leest. Het is ook mijn verlangen dat de lezers deze vreugde in mijn werk even sprankelend weten te ervaren.’

 

 

 

 

Geplaatst in Interviews.