Vijftig: een beweging?

door Jan van der Vegt

 

1950, een roemrucht literair jaartal dat over drie jaar een jubileum viert, verwijst naar een revolutie, vooral in de dichtkunst. Na de bevrijding botsten de hoop op vernieuwing en het terugverlangen naar oude zekerheden op elkaar, ook in de letteren. Daarin kondigde het nieuwe zich meteen al aan toen in oktober 1945 Het Woord ging verschijnen, een blad dat bij monde van dichter Koos Schuur tegenover de herleving van romantisch realisme en rationele zakelijkheid de literatuur wilde openstellen voor het irrationele, de droom. Traditionele voorkeuren hadden het surrealisme en Dada wel niet helemaal buiten de taalgrenzen kunnen houden, maar nieuwe vormen en gedachten hadden in het Interbellum weinig kansen gekregen.
.           Het was niet één grote revolutie die uitbrak, het ging langs vage lijnen van geleidelijkheid. Bij Het Woord sloot zich Jan Elburg (1919) aan, die traditionele dichtvormen probeerde af te schudden. Bevriend met de vier jaar oudere Schuur, kwam hij in de redactie waar hij zijn leeftijdgenoot Bert Schierbeek ontmoette. Beiden kenden de jonge kunstenaars Appel, Constant en Corneille die in 1948 de Experimentele Groep vormden, voor schilders en dichters. Gerrit Kouwenaar was een van die dichters. Schierbeek en kunstenaar-dichter Lucebert kwamen erbij. Kouwenaar was evenals Elburg partijloos communist, want niet alleen oude literaire vormen moesten verdwijnen, er was ook een nieuwe samenleving nodig. Lucebert publiceerde in november 1949 in Cobra, het kunsttijdschrift van de avant-garde, zijn gedicht ‘Verdediging van de 50-ers’, waarin hij afrekende met de ‘letterdames en letterheren’ van de oude stijl.
.          Zo vormde zich een dichtersgroep die zich net als de schilders ‘experimenteel’ noemde, de dichters van ‘het proefondervindelijk gedicht’ (Lucebert). Roland Holst had in Een winter aan zee geschreven over ‘de taal brandschatten’ om vergeten inzichten terug te winnen. De nieuwe dichters, die Holst bewonderden, deden hetzelfde maar wilden mogelijkheden creëren om een nieuw levensbesef direct en spontaan uit te drukken. De een ging daarin verder dan de ander en Lucebert was degene die het radicaalst de taalconventies openbrak. Omdat hij als eerste de groep ‘Vijftigers’ had genoemd, lijken de benamingen verwisselbaar. Maar zijn ze dat wel?

Het lijkt een beweging, met een programma en woordvoerders als leidende figuren. Maar Paul Rodenko, die de voornaamste essayist van de nieuwe poëzie werd, waarschuwde tegen het gebruik van het woord ‘beweging’. Hij hield het nog voorzichtig bij een ‘nieuwe sfeer’. In literair tijdschrift Podium, dat zich voor de nieuwe dichtkunst openstelde, breidde de groep zich snel uit met o.a. Hans Andreus, Hugo Claus, Sybren Polet, Simon Vinkenoog. Het werd een heterogeen gezelschap, zeker in leeftijd. De jongsten waren Remco Campert, Hugo Claus en Rudy Kousbroek (alle drie van 1929), de oudste was Jan Hanlo (1912).  Het zoeken naar dat nieuwe levensbesef hadden ze wel gemeen, maar dat is een onduidelijk begrip. Elk had zijn eigen ongeschreven poëtica en lang niet ieder was geneigd de taal te ‘brandschatten’.
.           Bloemlezingen gaven met hun inleidingen de nieuwe poëzie een lezerspubliek. Vinkenoog kwam in 1951 met Atonaal, waarin hij elf dichters van een ‘nieuwe toon’ presenteerde: Andreus, Campert, Claus, Elburg, Hanlo , Kouwenaar, Lodeizen, Lucebert, Rodenko, Schuur en Vinkenoog. Rodenko gaf ook dat elftal in 1954 in Nieuwe griffels schone leien een plaats bij de poëticale avant-garde, inclusief de voorgeschiedenis vanaf Gezelle en Gorter.
.           In 1955 verscheen de bloemlezing Vijf 5tigers, ingeleid door Kouwenaar. Het was de eigen keus van Campert, Elburg, Kouwenaar, Lucebert en Schierbeek voor een lezingentournee ter promotie van de experimentele poëzie. Al die bundels moesten immers ook verkocht worden. Het boekje lokte – in een brief aan Andreus – een wat jaloerse reactie van Vinkenoog uit. Maar deze was in 1949 naar Parijs vertrokken en Andreus was daar ook gaan wonen. Ze hadden dus niet mee kunnen doen. Vinkenoog stelde nog voor een contra-bloemlezing te maken van de drie expats in Parijs en Rome: Andreus, Claus en hijzelf. Het is er niet van gekomen. Ze zaten al in Atonaal en gingen mee naar de derde druk, die werd uitgebreid met Kousbroek, Polet en Schierbeek.

.           Wel is publiekelijk het idee blijven hangen dat de vijf een soort kerngroep vormden. Maar dan had Vinkenoog er zeker bij moeten zijn; en waarom Andreus en Claus niet? Een kerngroep van acht? Toch een beweging? Dan had er een leidende figuur moeten zijn. Rodenko was wel de uitlegger en Vinkenoog de stimulator, maar zij waren geen aanvoerders. Vooral vriendschapsbanden, af en toe door liefdesgeschiedenissen doorkruist, hielden ondanks meningsverschillen de Vijftigers bij elkaar, met Schierbeek en Vinkenoog als meest verbindende figuren. Lucebert noemde het later spottend een ‘rebellenklup’.
.           Wil men er toch een beweging in zien, dan ligt het beeld van een onbedoelde ‘kerngroep’ voor de hand, met daaromheen bewegende ‘satellieten’: Kousbroek en Polet; Sonja Prins en Ellen Warmond als enige vrouwen; en een wolk van andere Vijftigers, te veel om te noemen, de een ‘experimenteler’ dan de ander. Eigenlijk een uniek fenomeen in onze letteren dat in 2025 terdege herdacht mag worden.
.           Remco Campert is de enige van alle hier genoemde dichters die nog leeft.

Bronnen en vindplaatsen krijgen later elders een plaats.

 

foto (c) Antiqbook

 

Geplaatst in Column.