Jan-Paul Rosenberg – Laatste foto van de vrede

Gerijpt talent

door Peter Vermaat




Nadat Jan-Paul Rosenberg in januari 2018 werd uitgeroepen tot winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 heeft het ruim vier jaar geduurd tot zijn debuut Laatste foto van de vrede (het gelijknamige winnende Turing-gedicht opent de bundel) het levenslicht zag. Rosenberg heeft geen haast en laat zijn gedichten blijkbaar met een gerust hart jaren op de plank liggen. Dat wil overigens niet zeggen dat hij ze niet af en toe – als rijpende kazen – keert: de gedichten ‘Roeping’ en ‘Doornroosje tweepuntzoveel’, die Rosenberg in 2018 inzond naar Meander ter gelegenheid van het interview met hem, komen in enigszins gewijzigde vorm in deze bundel terug.

Het is voor een dichter altijd interessant om de aard van dergelijke aanpassingen nader te bekijken, aangezien ze een inkijkje geven in de werkwijze van een auteur. Hier valt op dat vrijwel alle wijzigingen (alleen de vervanging van ‘Inuit’ door de correcte (want bedoelde) enkelvoudsvorm ‘Inuk’ heeft geen verstechnische redenen) lijken vooral ingegeven om het ritme beter te laten ‘lopen’, met name in de openingsregels. Op het gevaar af mij te bezondigen aan inlegkunde, herken ik bij Rosenberg mijn eigen ervaring van een wat stroef begin, waarbij het onzegbare beeld sterker is dan de taal die er in eerste instantie voor gevonden kan worden, waarna op enig moment de woorden gaan stromen in een ritme dat je ‘eigen’ is en in de regel de ene dichter van de andere onderscheidt. Wat deze dichter in huis heeft, lees je onder meer hierin:

Transformatie

Had u twee levens, u zou er eentje delen
met de wind, uzelf omkooien, leren zweven
op thermieken van de fantasie, niet langer
staal en glas tussen uzelf en uw verlangen.

Snavels vallen uit de lucht en pikken tot de ziel
niet langer klopt, vertrouwen blind op hun instinct
dat van uw angsten drinkt op deze dansvloer
van te vroeg ontloken morgengloed.

Er predikt iemand in het zwart en iemand in het rood
dient de injecties toe, er speelt onwennige muziek, een toekomst
waar uw geest zal zijn gesmolten tot een roes, vervallen tot een groen
dat zich verstopt heeft in een hemels visioen.

En daar staat u, in het basalten hart van uw heelal,
en droomt een wolkenlied, u broedt een engel uit
tot goudparkiet, trekt veren aan, de ziel hervindt
haar vorm, vliegt op en tjilpt een genesis.

[p. 29]

Ritme, klankrijkdom, verborgen rijm, allusies op de klassieken, dit gedicht bevat het allemaal. Zonder een verhaaltje te vertellen, roept de dichter een reeks beelden op die zich voor de ogen van de lezer onontkoombaar ontrollen en waarin een vogel zich – in een poging tot ontsnapping aan gevangenschap – afsplitst van de geest van de gevangene, als een feniks opstijgt en een nieuwe wereld schept. De goudparkiet is eigenlijk een papegaai en daarmee een vogel die spreken kan. Zo wordt de goudparkiet die een genesis tjilpt een parallel met een scheppende god en daarmee een metafoor voor de dichter die in zijn taal een nieuwe wereld laat ontstaan. Pareltjes als ‘op deze dansvloer / van te vroeg ontloken morgengloed’ (r. 7/8) en ‘in het basalten hart van uw heelal’ (r. 13) kun je vervolgens min of meer eindeloos herhalen zonder dat ze ook maar iets van hun schoonheid verliezen.
Dit gedicht vormt het sluitstuk van de afdeling ‘Sanatorium Soulscape’, die bij mij, vanwege de thematiek en niet het minst vanwege het consequente gebruik van de aanspreekvorm ‘u’, sterk de sfeer van Gerrit Achterberg oproept. Evenals de dichter uit Neerlangbroek vermag de dichter uit Zeist alle werkelijkheid door middel van zijn taal om te vormen tot poëzie.

Dat gaat niet altijd meteen goed. Rosenberg laat zich op plekken soms iets teveel dobberen op de golfjes van de huidigheid, met de inmiddels bijna obligate omineuze optredens van beeldschermen, algoritmen en robotisering. Mogelijk ben ik daarvan door mijn werkkring minder onder de indruk of heb ik minder vrees voor een vervreemdend effect van techniek. Wellicht leidt het naar mijn smaak ook tot een te beperkt te evoceren werkelijkheid; iedere science fiction lijkt immers op alle andere. De toegift die via een URL of een QR-code bereikbaar is (maar die ik hier met deze link al verklap) leg ik als product van de blijkbaar even obligate podium presence eveneens terzijde. Wie veel vermag, mag ook veel worden vergeven. En ondanks de mode weet Rosenberg er toch bij tijd en wijle een fraaie draai aan te geven:

Login in, Olla Vogala!

We maakten antropometrie na antropometrie, ik schilderde
het nabeeld van mijn lichaam op het jouwe, jij het jouwe
op het mijne, tot we levende doeken werden, jij en ik.

Olla, het leven is na al die eeuwen onverminderd interessant maar
wat zou ik graag met jou vandaag weer eens de honger stillen
met je wolken, met je heidens licht mijn diepste dorst.

Log even in dus, het leven is niet minder interessant dan toen
jij nog materie was, de pest verkrachtte met je kathedralen
een terpenborst boetseerde uit de natte bodem van je taal.

De geur van eb en vloed bestaat nog, spartelt (als een schaduw)
in mijn fuiken. Men holt vandaag de dag zijn karma’s achterna – je zou
je eenzaam wanen, Olla, ook al zou je in mijn oogopslagen veilig zijn.

En ik, op mijn beurt, blijf hier zonder jouw gesponnen klaarte hopeloos
verdwalen. Log dus maar in, ik loods je tussen de verraderlijkste
idealen door, jij vindt opnieuw de taal uit en ik sluit je bloed
(intens compatible) weer op de aarde aan.

[p. 43]

De literatuurwetenschap dateert ‘hebban olla uogela’ in de late elfde eeuw, de bouw van terpen (vanwege de verwantschap met werf (N-H), warft (D) en værft (DK) gaat mijn voorkeur uit naar ‘wierde’) begon in de vijfde eeuw v. Chr. en kwam aan het eind van de twaalfde eeuw vanwege de dijkaanleg tot een einde en van de bekendste kathedralen varieert de bouw van halverwege elfde eeuw (San Marco in Milaan, Dom van Speyer) tot in de dertiende eeuw (Chartres), terwijl de pest pas halverwege de veertiende eeuw in Europa toesloeg (en in Nederland: 1349 in Bergen op Zoom); er is wat dichterlijke vrijheidsdrang nodig om deze anachronismen aaneen te smeden tot tijdgenoten van de personificatie van de eerste Oudnederlandse volledige zin.

Het verreweg grootste deel van Laatste foto van de vrede overtuigt mij echter zonder twijfel van het gerijpte talent van deze dichter, die het beste voor het laatst bewaart: de afsluitende vijfdelige reeks ‘De winterzwemmer’, met in het vierde deel het sublieme ‘Koud water is een hond die scherper bijt dan wind’, waarvan ik helaas uitsluitend het eerste deel kan citeren:

[1]

Dit is het pad dat mij verbindt, het licht
valt op de oever dicht en koele schemering
bezweert de wind die afmeert in mijn hand
de zon laat al mijn schubben glanzen en ontkooit
het ijskoudbloedig dier dat uit het zwart
van zijn versteende bodem naar me tast
en door mij heen zwemt met de laatste
schaduwcellen van de nacht.

[p. 61]

Maar hiermee is het bewijs van een waarachtig dichterschap dan ook afdoende geleverd.
____

Jan-Paul Rosenberg (2022). Laatste foto van de vrede. Arbeiderspers, 70 blz. € 20,00. ISBN 9789029545150

Geplaatst in Recensies.