Over zingende synergie en over de betekenis van zijn nieuwste gedichten.

Jan-Paul Rosenberg was de winnaar van de negende editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.
Hij is oprichter en directeur van de onafhankelijke literaire uitgeverij Stichting Achterland in Zeist. Zijn poëzie verscheen in vele literaire tijdschriften evenals in de bloemlezingen Nog een lente, Bekroonde werken uit de tweejaarlijkse poëzieprijs van de stad Oostende en vier bundels met de honderd beste gedichten uit de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.
Elly Woltjes ging in gesprek met Jan-Paul Rosenberg.

foto Ruud van der Graaf

 

Je won de grote Turingprijs 2018 en daarmee wil Meander je feliciteren. Wat betekent het voor je? In het juryrapport stond: Laatste foto van de vrede is een mooi apocalyptisch gedicht dat er niet voor schuwt om de lezer een ongemakkelijk gevoel te geven.
Dank voor je felicitatie. Het winnen van de prijs kwam voor mij als een complete verrassing. Drie of vier keer eerder al had ik de top honderd gehaald, maar verder dan dat was ik nooit gekomen. Bovendien: met duizenden inzendingen en een top honderd met werk van gelauwerde dichters als Sylvie Marie, David Troch, Mark Boog en daarnaast veel jong talent, was er een sterk deelnemersveld. Ook het feit dat mijn gedicht tamelijk controversieel was, temperde de verwachtingen. Zeker tegen deze achtergrond beschouw ik het toegekend krijgen van de prijs als een enorme eer en een krachtige impuls voor mijn werk.

Negen jaar geleden debuteerde je in ons Meandermagazine. Schreef je al eerder en hoe is het begonnen?
Zoals zovelen schrijf ik al sinds mijn tienerjaren. Geïnspireerd door de boekenkast van mijn ouders (waarin ik werken aantrof van Piet Paaltjens, Lucebert en andere dichters) en de spreekwoordelijke bevlogen docenten Nederlands van de middelbare school, begon ik poëzie te schrijven. Toen Sylvie Marie me negen jaar geleden voor Meander interviewde, vroeg ze me wat mijn wens was voor mijn poëzie. Ik vertelde toen dat ik graag zou zien dat deze ‘een plekje zou mogen vinden binnen de rijke literaire traditie op wier schouders ze staat’. Of dat gelukt is, kan ik vanuit mijn eigen blikveld moeilijk beoordelen, al draagt het winnen van de Turingprijs zeker bij aan het vervullen van deze wens.

Heb je publicaties op je naam staan?
Nog niet in de vorm van een autonome bundel, maar wel in uiteenlopende literaire tijdschriften, bloemlezingen etc. Behalve in Meander verschenen mijn gedichten in tijdschriften als Deus ex Machina, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Tzum, Dighter, Nynade, Op Ruwe Planken, Krakatau, Re:pre-sent en Contrabas. Daarnaast ook in laureatenbundels van de poëziewedstrijden van de stad Oostende, Poemtata en de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. En niet te vergeten, in de bloemlezing Nog een lente, dertig dichters gekozen door Meander die jullie, samen met de Leuvense uitgeverij P, tot stand hebben gebracht.

Je hebt een eigen uitgeverij? Wat voor soort uitgeverij?
Uitgeverij Stichting Achterland heeft als missie bruggenbouwer te zijn tussen literatuur en maatschappij. Concreet geven we hieraan vorm door het samenstellen en publiceren van literaire bloemlezingen over Nederlandse steden, streken en provincies. Door een verbinding te leggen tussen afbeeldingen van markante plekken en literaire teksten presenteren we de letteren binnen een laagdrempelige en voor een betrekkelijk breed publiek toegankelijke, want herkenbare context van de ‘stem van de eigen plek’ In onze serie zijn inmiddels bijna vijftig titels verschenen.

Doe je dat naast een baan of ben je anders actief?
Nee, Achterland is mijn beroep en roeping.

Schrijf je alleen poëzie of beoefen je ook andere genres?
In het verleden schreef ik ook wel proza, maar dat ligt me niet zo. Liever zoek ik de grenzen op tussen poëzie en andere kunstvormen, zoals fotografie, muziek en film. Deels op eigen kompas, deels samen met in deze kunstvormen gespecialiseerde partners heb ik inmiddels diverse ‘cross over’ experimenten tot stand gebracht. Het zijn boeiende projecten die smaken naar meer.

Treed je ook op?
Ik was performer onder meer in Perdu, Theater Branoul en ‘t Einde van de wereld. En natuurlijk tijdens de presentatie van onze boeken uit de Achterlandreeks. Het voordragen van poëzie schept een heel directe band met het publiek en voegt aan het geschrevene duidelijk iets toe. Het boeiend declameren van poëzie is eigenlijk een kunstvorm op zich die ik me graag op een hoger niveau eigen zou maken.

Wat vind je van het poëtisch literair klimaat in ons taalgebied?
Interessant. Pluriform. Rijk. De hedendaagse Nederlandstalige poëzie raakt, naar mijn idee, de geest en de ziel van deze tijd en zoekt tegelijkertijd een verbinding met een diepe, epische onderstroom van de ‘grote thema’s des levens’. Vanuit velerhande invalshoeken, opvattingen en stijlen. Voor de talrijke goede dichters uit onze tijd kunnen we moeiteloos een 21e-eeuws erepodium ter grootte van een voetbalveld inrichten. Het zou me niets verbazen als men over honderd jaar nog werk leest van sommige poëten uit onze tijd. In ieder geval voor mij vormen zij een dankbare inspiratiebron, in leven en schrijven.

Hoe ga je te werk?
Ik ben mij bewust van de soms wat cryptische sfeer van mijn poëzie. Zoekend naar de betekenis daarvan, bemerk ik dat ‘begrip’ soms een wat beperkt instrument is om mijn gedichten te doorgronden Ik schrijf deze meestal vanuit een kerngedachte, waaromheen ik intuïtief woorden en beelden spin tot een poëziescape die zich zelden eenduidig laat interpreteren Een wat meer overkoepelende gedachte over poëzie, die ik uitsprak tijdens de presentatie van een door mij samengestelde bloemlezing om meer in algemene zin, de betekenis van mijn gedichten te duiden: ‘Poëzie is de kunst van het verbeelden, niet van het afbeelden. Juist in het weglaten ofwel het niet-vertellen schuilt een kern van poëtisch meesterschap. De paradox bestaat eruit dat een gedicht, hoewel verraderlijk talig, toch in de eerste plaats moet worden beschouwd als een visueel-tonale uiting en in die hoedanigheid evenzeer is opgebouwd uit woord en letter als uit beeldwerk en muziek.’

Heb je plannen voor de toekomst?
Allez, continuons, zou ik zeggen. Ofwel: doorgaan op de ingeslagen weg. Werken aan een bundel, maar vooral veel nieuwe poëzie schrijven. Misschien wat vaker optreden, als de gelegenheid zich voordoet. En vooral ook meer cross overs met andere kunsten en kunstenaars tot leven brengen en daarmee een ‘zingende synergie’ van creatieve energie scheppen, welke de deuren naar het publiek wijd openzet.

Ik heb nog aanvullende vragen over de betekenis en inhoud van de drie nieuwste
gedichten die bij dit interview worden gepubliceerd. Ik ben nieuwsgierig naar de betekenis van de gedichten die je inzond.
Vanwege de nogal intuïtieve manier waarop ik mijn gedichten schrijf, vind ik het eigenlijk best lastig deze van een concrete context en betekenis te voorzien. Het is natuurlijk niet mijn bedoeling door deze ‘zelfanalyse’ de lezer bij de interpretatie van mijn werk de wind uit de zeilen te nemen, maar misschien is juist het tegenovergestelde het geval. Hoe dan ook hoop ik met mijn antwoorden een uitzichtpunt te kunnen scheppen waardoor lezers en redactie van Meander een nadere duiding krijgen van mijn poëzie en er daardoor mogelijk ook meer van kunnen genieten. Een zeer interessant experiment, wat mij betreft.

 

Roeping

De wereld is van ons allemaal, maar we hebben een goeroe nodig
om ons de weg te wijzen, een grote geest die over de gedachten
waakt, een leider die ons voorgaat, desnoods kastijdt.

We willen brood en spelen en saamhorigheid, iemand
om onze dromen te duiden, uit ons op te staan
als een Messias, een gelijkenis, een vlam.

We vinden hem op opgespoten land en in een tijd
waar hij, geboren uit het maagdelijkste zand,
zich laaft aan Feniksbroedsel en toevallig
neergewaaide vegetatie langs de rand

van wat op eens zijn stad zal zijn, hier
speelt hij met vuur, wortelt in aarde, geeft eetbare
dieren hun namen (de mens komt later)
steekt het daglicht aan.

Brood en spelen, Messias, leider en andere grote woorden in je eerste ingezonden gedicht Roeping. Ik probeer te begrijpen wat je wilt zeggen met dit gedicht. Wie steekt volgens jou het daglicht aan? Gaat het om iets bijbels?
Roeping. Kerngedachte achter dit gedicht is de door veel mensen gevoelde dwingende noodzaak zich over te geven (of op zijn minst vertrouwen te schenken) aan een hogere macht, structuur of systeem, hier gesymboliseerd door de ‘goeroe’. Degene die deze behoefte observeert (laten we zeggen de dichter) zet, gefascineerd door dit fenomeen, met klassieke (‘brood en spelen’), religieuze (‘gelijkenis’) en spirituele (‘om onze dromen te duiden’) begrippen (‘grote woorden’) en (mede door die woorden) ook een zekere ironie, zijn verwondering over het geobserveerde om in taal. Je zou het gedicht kunnen beschouwen als een oproep om niet te lichtzinnig je identiteit uit handen te geven aan een (al dan niet zelfbenoemde) ‘Messias’ die ‘het daglicht aansteekt’, maar om vrij en onafhankelijk in het leven te staan.

 

 

Doornroosje tweepuntzoveel

Je wonden beginnen mooi
te drogen. Kijk, je ligt er nog
een open plek van ruisende organen
genummerd voor een bovenaardse slaap.In deze zaal begint en eindigt het, we zuiveren
de lucht rond je gezicht, geduldig oervocht dat je drinkt
leggen vertrouwde woorden op je tong, laden
je oor met onbestemde echo’s voor je later.

Dan kruipt het nulpunt naderbij, gelaarsd
met maagdelijke eenzaamheid trek je je terug
als een te oude Inuit in diep bevroren zwart.
Niets meer dan buitenkant, voor je ontsnapt

graven we koortsig naar je hart, haken je ziel als een verdwaalde slak
uit je versneeuwde ribbenkast, maken een digitale vingerafdruk
van je geest, verspelen alles wat je bent geweest
op de verstrooide velden van het internet.

Maar dat ben jij niet meer, het is
een kosmisch ruisen dat in jou berust, een raam
zal openslaan, misschien een eeuwigheid
die jou straks wakker kust.

Doornroosje tweepuntzoveel vind ik een dwingend maar mooi gedicht, wie heb je op het oog met jij en jou, een bepaald soort lezer?
Doornroosje tweepuntzoveel is te lezen als een mijmering aan het bed van iemand (de jij-figuur) die op het punt staat het leven ‘zoals wij dat kennen’ te verruilen voor iets anders. Misschien een eeuwige slaap? Misschien een tijdelijke, zoals in het bekende sprookje waarnaar de titel verwijst? Of gaat het om iemand die zich laat invriezen om later te worden herboren? En wat gebeurt er met de ziel (‘verdwaalde slak’) van de jij-figuur? En met (de ‘digitale afdruk’ van) zijn/haar geest? Zweeft die ergens rond in een denkbeeldige ruimte, op het internet, in het hoofd van de dichter of de lezer? En wat doet dat met die geest en ziel zelf? Wat betekent het voor de identiteit van de jij-figuur nu lichaam, geest en ziel van elkaar loskomen? En voor de identiteit van deze drie entiteiten individueel? Ik weet: het gedicht roept meer vragen op dan het beantwoordt…

 

 

De baadsters

Voor elke Aurora luiden ze de klok, maar wij
ronden het kerkhof op een griffioen, eren het blauw
dat groots het ochtendlicht lanceert, fata morgana’s
in ons openscheert.Deze foto van Plato is er deel van: het beeld waarop
het water glimlacht tussen naakte baadsters
lust ontlokkend aan de koortsige rotsen
waar wij de vleugels drogen in de zon.

Binnen het skelet van de seizoenen
bladeren wolken met gescheurde manen
door de stilgevallen oceanen in de hemel
op zoek naar intergalactische verhalen.

’s Avonds zijn het juist de motorfietsen
die het kerkhof ronden, sluiten je lippen
de giftige bloemen, verwekt het zwart
de zuiverste contouren van de nacht.

De levenden veranderen in schaduw
duisternis zinkt vreedzaam over Plato’s badende gelaat.
As van het verbrande daglicht danst de lucht uit
over het water, de baadsters, de graven.

In het derde gedicht heb je het mogelijk over een schilderij, de baadsters maar van welke schilder? Er zijn er meerdere. Over Plato, het anachronisme de foto van Plato en bijzondere combinaties van beelden Wie zijn de wij? Wat betekent ‘Het kerkhof ronden op een griffioen’? Wat heeft het met de rest van het gedicht te maken?
De wij-figuren in De baadsters hebben met de wij-figuren in Roeping gemeen dat ze betekenis aan (oorsprong en einde) van het leven willen geven. Anders dan in Roeping doen ze in De baadsters echter veeleer een beroep op hun eigen observatievermogen en verbeeldingskracht dan op de voorgekauwde mystiek van een zich boven hen stellende goeroe. Niet voor niets is er een associatie met (klassieke/Renaissancistische) schilderijen over baadsters en een (inderdaad anachronistische) fotografische ode aan een filosoof (uit de Oudheid, de basis van onze beschaving). De wij-figuren in dit gedicht scheppen hun eigen werkelijkheid, creëren hun eigen verklanking daarvan en koesteren hun eigen rituelen (‘het kerkhof ronden op een griffioen’). Misschien om die werkelijkheid te bezweren en naar hun hand te zetten, al of niet in hun verbeelding?

 

 

Geplaatst in Interviews.