Mustafa Stitou – Waar is het lam?

Iedereen is god én slachtoffer bij Stitou

door Adriaan Krabbendam




De titel van de bundel is ontleend aan het Bijbelvers dat als motto dient: ‘We hebben vuur en hout, zei Isaak, / maar waar is het lam voor het offer? (Genesis 22:7)’

Het geheel is onderverdeeld in zes Romeins becijferde hoofdstukken.
De eerste twee bestaan uit allerlei hervertellingen van de scène uit de Bijbel, telkens in een ander, meest hedendaags, perspectief, gelardeerd met ontboezemingen van de verteller aangaande diens angsten en demonen. De combinatie wekt aanvankelijk een wat verwarrende indruk, tot je, zeker bij herlezing, merkt hoezeer de gedichten op elkaar rijmen, en hoe er tussen de twee rode draden allerlei kruisbestuiving gaande is. De telkens van kleur en perspectief wisselende hervertellingen van de aloude mythe (*) zijn doorgaans doorspekt met de wrede aspecten van het bijbels origineel, zowel lijfelijk als psychologisch. ‘Een joodse fictie, / gekerstend en geïslamiseerd. / Een verhard gebed’. Het (letterlijke) slachtoffer doorstaat keer op keer dezelfde genadeloze rite, soms beschreven vanuit het slachtlam zelf, vaak ook bekeken vanuit de omstanders of dader. En altijd in de precieze bewoordingen die we van Stitou kennen, net als de vaak wonderlijke maar zeer effectieve woordvolgorde en niet te vergeten verdekt opgestelde humor. Enkele fragmenten:

Terwijl ruisend de engel het toneel verlaat
en ik die dit verzon tot vlees verstom
wassen en vlechten de vrouwen mijn darmen

_____________

Let op zijn verschrompelde
balzak, de non-descripte pik.
Let op zijn kop, rank en recht
en hooggedragen. Bevoel de roomwitbewolde
wangen, wrik gerust zijn mond open
discreet slaat hij zijn ogen neer.
(…)
Een kind maar slachtrijp
bespierd en bevleesd en van buitengewone
vleeskwaliteit. Soms blaat hij
(een toegift) zijn naam: i-sàààààk.

_______________

Kreunend onthalst de aartsdader mij
houdt mijn tronie vast als een trofee
blikt om zich heen en mikt en werpt
in één keer mijn kletskop in het
daarvoor bestemde teiltje.

De andere erdoorheen gevlochten reeks is die van de man die als ongelovige geplaagd wordt door oude angsten, paranoïde en demonen (die op sommige ogenblikken doet denken aan de roman van Said El Haji, De dagen van Sjaitan). Zo wordt hij door middelbare scholieren onderworpen aan een kruisverhoor, worstelt hij met onbenoemde trauma’s die zijn dromen bevolken als djinns… ‘Van binnenuit besprongen // meegesleurd de maalstroom in / van de verwrongen tegenkracht. / Maandenlang kopje onder // in helse uitzichtloosheid, / een gril van je natuur’.

Deze plaaggeest doemde op soms wanneer je
gedronken had en gevreeën en bijna in slaap
zou vallen, (…)
(…)
Het was een patroon, jarenlang hield je het vol,
verschijning, verstarring, vlucht, je verzweeg het,
leerde ermee leven, als een terugkerende straf
die je uit moest zitten. Tot je op een zomernacht
(…)
jij dook niet weg bleef kijken, niet uit moed
maar omdat je niet anders kon – en hij explodeerde,
(…)
Daarna heb je deze plaaggeest nooit meer gezien,
(…)
(…) pekelzondaar, bangerik, waarom hiermee
zo lang gewacht? Waarom dit schrikbeeld
al die jaren in leven gehouden?

Het is alsof we Frederik van Eedens kleine Johannes uiteindelijk zien afrekenen met Pluizer…

De beide eerste afdelingen lijken zo een onlosmakelijk geheel te vormen. Ten slotte afsluitend met het mini-gedicht:

Om ons op te vrolijken
viste grootvader de longen
van het offerdier uit het teiltje
met de organen,

bracht de luchtpijp naar
zijn mond en blies:
de longen zetten uit
alsof ze ademhaalden.

Maar dan gebeurt het wonder. De derde afdeling opent met de prachtige reeks ‘Pantheon’, waarin de goden mensen zijn en de mensen goden, in een verbijsterende reeks van verschijningen, die zo begint: ‘Een god droomt dat ze gestalkt wordt / door een god die de god wordt genoemd. / Ze hoort iemand de trap opkomen / en weet zeker dat hij het is.’ En elk gedicht eindigt totaal ergens anders dan waar het begon. Onwillekeurig moet ik daarbij denken aan de regel van Marc van der Holst – ‘Iedereen is wel de god van iets’. Een zal ik hier in z’n geheel citeren:

Een volledig nieuwe god opkweken is niet te doen,
en al zou het te doen zijn, het is waarschijnlijk ethisch
niet verantwoord. Daarom wordt in een laboratorium
onder een glazen stolp met isofluraan (een verdovend gas)
een god gestopt. Hij raakt buiten bewustzijn, wordt
na een minuut onthoofd. Zijn in plakjes gesneden hersenen
vormen een rijke bron van informatie. Om een goede zijdeoogst
af te dwingen gaat op een eiland in de Egeïsche Zee
in de ochtendschemering op de eerste dag in mei
een vrouw naakt op het dak van haar woning staan.
Vanachter een boom begluurt haar een god,
gehuld in een jas die ritselt noch kraakt. Terwijl hij
zich aftrekt, besluit hij haar wens uit te laten komen.
Op een afgelegen perceel wordt, om de wolven op afstand
te houden, tussen de schapen een balkende god geweid.

De andere zes verklap ik niet.

(‘De balkende god’ verwijst naar De gouden ezel, de roman van Lucius Apuleis uit de tweede eeuw van onze jaartelling, die onder meer werd naverteld door Louis Couperus en Robert Graves.)

Na deze reeks worden de varianten op het Bijbelse offerverhaal doodleuk weer voortgezet, net als de bespiegelingen van de worstelende ongelovige. En dan besluit de afdeling met het verbijsterende titelloze gedicht:

Wazige muren, gezichtloze mannen,
opwaaiende vitrage; een schim in het wit

zwaait met snoep, er wordt gelachen,
je naam wordt geroepen, gelokt word je

en gegrepen, als je tegenstribbelt is het
uit, het spel. Je blèrt en blèrt en je vader,

hoorde je terloops decennia later, durfde
je niet vast te houden, verliet de kamer,

een bange Abraham, bang te zullen beven,
maar een ander deed wat hij moest doen

en routineus knipte de besnijder – offer
en verbond – in naam van god het stukje

huid af dat daar niet hoorde, depte
het teken en stelpte de wond.

In deze scène komen alle thema’s samen, en net als op andere plaatsen in de bundel, rijmen de woorden die inhoudelijk op elkaar rijmen – offer, verbond, god, wond…

Afdeling IV bestaat uit een wonderlijke en wondermooie reeks, ‘Wie dat daar?’, waarin de ik-verteller de avonturen verhaalt die hij beleeft met een huisdier – een apin? De keuze tussen eruit citeren of het geheel overtikken is snel gemaakt. Alleen daarom zou je de bundel al aanschaffen. De vijfde afdeling, ‘Relieken’, kende ik uit de oorspronkelijke publicatie als losse uitgave (2016), bestaande uit vier gedichten. Ze is hier nagenoeg ongewijzigd opgenomen. Ik citeer de laatste drie strofen van het laatste gedicht:

De evolutietheorie vermengd
met het katholieke geloof
waarmee we zijn opgevoed;

in beide zit iets dat aannemelijk is
maar ons niet volledig kan overtuigen –
wie de dubbele laag niet ziet,

noemt het kitsch. Als kind al
gebruikten we speelgoed nooit
waarvoor het was bedoeld.

De slotafdeling bestaat uit één gedicht, ‘Mosque shaped alarm clock’, dat handelt over de relatie moeder-zoon, waarbij de eerste in ‘(E)ngelen, profeten, openbaringen, eeuwigheid’ gelooft: ‘(…) ze twijfelt niet, / je weet het zeker, getwijfeld heeft ze nooit’. Ze heeft ‘[je] een vreemde zien worden, / maar losgelaten nooit en jij haar evenmin (…) haar onverdeelde / aandacht wil je, overtuigd dat dood is dood.’

Weinig aandacht heb ik besteed aan het subtiele klankspel dat de gedichten doorbloedt en hechter maakt, maar in de geciteerde voorbeelden valt daarvan alvast veel te ontdekken. Ook op woordspelingen als ‘aartsdader’ en ‘mijn kletskop’ kan gewezen worden.
Verder valt op dat het gros van de gedichten waarbij de vertellersstem het meest intiem is, in de jij-vorm zijn gesteld. Dat maakt ze ook intiemer en invoelbaarder dan de wat stelliger ik-vorm, waar de afstandelijkheid van de sprekende persoon tegenover je bepalend is.

De indeling van de bundel blijft, zeker in het begin, bevreemden – vooral bij de afdelingen I en II, die eerder lezen als één afdeling, ook na meerdere malen lezen – terwijl aan de afdelingen IV en V een veel eenvoudiger te vatten en voelen logica ten grondslag ligt. Dat het slotgedicht een eigen afdeling kreeg toebedeeld komt mij volstrekt natuurlijk over.

Mijn ervaring is dat Waar is het lam? zich niet zomaar bij eerste lezing prijsgeeft – altijd een letterlijke m e e r w a a r d e: als je de bundel zes, zeven, acht keer moet lezen om er (be)grip op te krijgen, heb je evenzo vele malen leesplezier, en dat in toenemende mate! Boeken die zich bij één lezing volkomen prijsgeven kennen die meerwaarde niet.

Had ik al gezegd dat ik het een prachtige bundel vind? We hebben niet voor niets negen jaar gewacht.

(*) De horrorscène valt in z’n geheel na te lezen in Genesis 22:1-19
____

Mustafa Stitou (2022). Waar is het lam? De Bezige Bij, 95 blz. € 21,99. ISBN 9789403170619

Geplaatst in Recensies.