Klassieker 262: E. du Perron – Pastiche-Nerval

door Hettie Marzak

Meander Klassieker 262

Hettie Marzak bespreekt ‘Pastiche-Nerval’ van E. du Perron (1899- 1944). Geen vertaling van een gedicht van de romantische Franse schrijver Gérard de Nerval (1808 – 1853), maar een pastiche, een stijlnabootsing met in de hoofdrol één dode blonde vrouw en enkele mannen. Welke wrede, raadselachtige geschiedenis wordt hier opgeroepen?


Pastiche-Nerval


Waar is de korenblonde?
begraven en vergaan!
Heeft niemand uit de tombe
haar lichtend op zien gaan?

Haar lippen bloedkoralen,
haar voorhoofd van albast;
o, vloek der manestralen
over het wuivend gras –

Haar lippen bloedrobijnen,
haar tanden wit en wreed;
o, gruwelvolle rijmen
waar niemand meer van weet –

Waar ligt de korenblonde
begraven in het land?
Zij die haar weelde schonden
zijn grijs en uitgebrand.

Vervloekt, verlamd, vergeten,
ontluisterd door het kwaad:
drie doden en één leven,
haar nooit verzoend gelaat.


E. du Perron (1899-1940)

Uit: Mikrochaos, 1932
Uitgeverij: A. A. M. Stols’ Uitgevers-Mij

De hyperromantische Franse schrijver en dichter Gérard de Nerval schreef in 1853 het gedicht ‘Les cydalises’, in vier strofen met versregels van zes lettergrepen, met gekruist rijm. Het is opgenomen in de bundel Odelettes uit 1853. Het woord cydalises staat in geen enkel woordenboek, maar er wordt aangenomen dat hiermee actrices en danseressen uit de 18de eeuw werden bedoeld. Het woord valt qua muzikaliteit in dezelfde categorie als sylfide, odaliske en andere exotische woorden, waarmee nimfen en etherische dames beschreven werden, in Nederland door onder anderen Louis Couperus in Psyche en Fidessa.

De Nerval vraagt zich in het gedicht af waar zijn vroegere geliefdes en muzen gebleven zijn en geeft dan zelf het antwoord: ‘Elles sont au tombeau’, ze liggen in het graf en ze gaan naar de hemel, waar ze te midden van de engelen zullen zingen en voor inspiratie van dichters zullen zorgen.

Het is geen wonder dat zowel Jan Engelman als Nijhoff een vertaling maakte van dit melodieuze gedicht: bij Engelman verscheen die als ‘De Vluchtigen’ in zijn bundel Tuin van Eros en bij Nijhoff werd het ‘De verheerlijkten’ in Eenige romantische gedichten uit 1944. Het zal geen toeval zijn dat in beide varianten in de eerste versregel de echo doorklinkt van het gedicht van François Villon (1431-1463) ‘Ballade des dames du temps jadis’ met de beroemde regel ‘Mais où sont les neiges d’antan?’, waar is de sneeuw van weleer? De vertalingen van Nijhoff en Engelman zijn af en toe een bijna letterlijke overzetting van de woorden van De Nerval in het Nederlands.

Les Cydalises

Où sont nos amoureuses?
Elles sont au tombeau:
Elles sont plus heureuses,
Dans un séjour plus beau!

Elles sont près des anges,
Dans le fond du ciel bleu,
Et chantent les louanges
De la mère de Dieu!

Ô blanche fiancée!
Ô jeune vierge en fleur!
Amante délaissée,
Que flétrit la douleur!

L’éternité profonde
Souriait dans vos yeux …
Flambeaux éteints du monde,
Rallumez-vous aux cieux!


Gérard de Nerval

De Vluchtigen

Waar zijn de zoetelieven?
Begraven en vergaan!
Een lichter licht doorklieven
zij boven ster en maan.

Daar, bij de serafijnen,
van luchtblauw overkraagd
op onafzienbre pleinen
bezingen zij de Maagd.

O lief voor mij geboren!
O bloesemkind te rank!
Verlaten en verloren
en gansch verbleekt en krank.

Wat eeuwig zal beklijven
viel lachend in uw oog….
Der wereld toorts zal blijven
dit lichten van omhoog.


Jan Engelman                                         
De verheerlijkten

Waar zijn de minnaressen?

Zij zijn naar ‘t graf gegaan.
Zij zijn haar dorst gaan lessen
naar bovenaards bestaan.

Zij zijn bij de eng’lenkoren
hoog in het hemelblauw
en doen een lofzang horen
op Onze Lieve Vrouw.

O bruid die zich verteerde!
O meisje pas ontbloeid!
O vrouw wier vriend niet keerde
en door hartzeer verschroeid!…

er glinsterde een beloofde
eeuwigheid in uw oog:
vlam, die de wereld doofde,
ontvlam weer daar omhoog.


M. Nijhoff

Maar E. du Perron maakte geen vertaling, hij schreef wat hij een pastiche noemde: een stijlnabootsing, die afwijkt van het origineel in die zin dat de inhoud veranderd wordt, vaak om commentaar of kritiek te leveren op het origineel. Met vertalen heeft dat dus niets meer te maken. En al gaf hij zijn gedicht de titel ‘Pastiche-Nerval’ mee, het lijkt er meer op dat hij een pastiche geschreven heeft op de vertaling van Nijhoff.

Du Perron was de medeoprichter van het tijdschrift Forum, waarin de discussie tussen vorm of vent woedde: of een literair werk een losstaand gegeven was of de totale inzet van de persoonlijkheid van de schrijver, ofwel tussen stijl en persoon. Du Perron, die de voorkeur gaf aan vent boven vorm, verzet zich in dit gedicht tegen de ‘sierpoëzie’ van Engelman en Nijhoff, die een gedicht beschouwden als ‘een bloem, een gewas losgekomen van de grond waarin het ontstaan is.’ Nijhoff en Engelman richten in hun vertaling, net als De Nerval zelf, hun blik omhoog, naar de hemel, waar de gestorven ‘zoetelieven’ verder leven, maar in het gedicht van Du Perron blijven ze in de aarde, ‘begraven in het land’.

Die aardsheid wordt ook uitgedrukt door de prachtige term ‘de korenblonde’. Het adjectief is verzelfstandigd tot een substantief, alsof de dichter ervan uitgaat dat iedereen weet wie er bedoeld wordt, alsof er maar één vrouw bestond met die haarkleur. Het koren geeft niet alleen de kleur aan, maar ook de verbondenheid met de aarde waaruit het voortkomt. Ook doet het woord denken aan de goddelijke moeder Demeter of Ceres, de godin van de aarde, het graan en de akkerbouw, die meestal wordt afgebeeld met een korenaar in de hand. Door haar dochter Persephone heeft zij ook banden met de onderwereld waar de doden zijn en met dat wat zich onder de aarde bevindt: de begraafplaatsen.

De ‘korenblonde’ ligt ‘begraven in het land’, zomaar ergens en niemand weet waar. De vraag waar ze begraven ligt, vormt de openingszin van het gedicht en wordt herhaald in de vierde strofe. Dat wekt niet de indruk dat ze een christelijke begraafplaats inneemt, ook al is er sprake van een tombe. Ook de tweede vraag uit de eerste strofe, of niemand haar ‘lichtend’ heeft zien opgaan, doet vermoeden dat we hier met iets tegennatuurlijks te maken hebben: doden komen niet uit hun graf. De tweede en de derde strofe weerspiegelen elkaar: eerst zijn haar lippen ‘bloedkoralen’, dan weer ‘bloedrobijnen’. Het witte voorhoofd komt terug in de witte tanden en in de versregel die daarop volgt is sprake van ‘gruwelvolle rijmen’, een voortzetting van het ‘wreed’ van de tanden. Wat zijn die ‘gruwelvolle rijmen’? Zijn het de legendes en de volksverhalen over eeuwenoude archetypen als vampiers? Hebben we hier met een vampier te maken? Dan zou de versregel ‘Zij die haar weelde schonden’ niet op een verkrachting slaan, zoals ik aanvankelijk aannam, maar op de vampierjagers die een staak door haar hart gedreven moeten hebben om een einde te maken aan haar bestaan. Zelf zijn ze inmiddels ook tot ‘grijs’ stof en ‘uitgebrand’(e) as vergaan, want we zijn van stof en zullen tot stof wederkeren (Gen.3, 19).

De laatste strofe is de meest raadselachtige: ‘Vervloekt, verlamd, vergeten, / ontluisterd door het kwaad:’ slaat dat op de korenblonde of op degene ‘die haar weelde schonden’?  En het woord ‘verlamd’ past in het rijtje omdat het met eenzelfde prefix begint als de andere en omdat de l zo mooi volgt op de l van ‘vervloekt’, maar een echte betekenis is er niet aan te hangen, tenzij er gedacht wordt aan de prooi van een slang, van wie men vroeger dacht dat die gehypnotiseerd werd door de slang om stil te staan. Een slang zou zijn prooi verlammen. Met deze gedachtegang zou het toch om de slachtoffers gaan, ‘ontluisterd door het kwaad’.

‘Drie doden en één leven’ is daarentegen weer een puzzelstukje dat nog niet in het geheel past: wie zijn die doden? De vampierjagers? En die ene die is blijven leven, is dat de korenblonde? Ze is dan wel ‘begraven en vergaan’, maar Bram Stoker liet al zien in zijn roman Dracula dat een vampier zichzelf in stof kan veranderen en daaruit weer kan opstaan. Of zouden de ‘drie doden’ haar minnaars kunnen zijn geweest? Met ‘één leven’ zou dan ook een minnaar bedoeld zijn, de dichter zelf. Hij is gespaard gebleven en zou ‘haar nooit verzoend gelaat’ voor zich zien, gekweld door haar of door de herinnering aan haar.

Maar wie zijn hier de boosdoeners, de vermoedelijke vampier of degenen die haar schonden? Bij Du Perron is de scheidslijn tussen daders en slachtoffers wel vaker vaag. In het gedicht ‘De nieuwe moord van Raamsdonk’ worden een man, zijn vrouw en hun dochtertje van zeven jaar op brute wijze vermoord. Maar in de laatste strofe zet Du Perron de slachtoffers zo gedegenereerd neer, dat je je bijna afvraagt of de sympathie van de dichter niet eerder bij de moordenaar ligt dan bij de slachtoffers:

De vrouw was ietwat krom, de man
besnord, kaal, bruut van poten.
Het meisje had de fronsblik van
beginnende idioten.

Tegenover de etherische, engelachtige wezens van De Nerval, Engelman en Nijhoff zet Du Perron op deze manier een net zo’n beeldschoon, maar verdorven creatuur als tegenstelling, zoals hij ook al de aarde lijnrecht tegenover hun hemel stelde. Het gedicht doet denken aan de verzen van Hendrik de Vries in zijn Toovertuin (1946), waarin gedichten staan die raadselachtige en mysterieuze sprookjes en spookverhalen zijn, bijvoorbeeld zijn beroemde gedicht ‘Mijn broer’ of ‘De kleine zigeunerprinses’. Du Perron en De Vries voerden een lange schriftelijke correspondentie waarin ze elkaar advies gaven over het verbeteren van hun gedichten. De ernst waarmee De Vries zijn gedichten schreef, ontbreekt in de pastiche van Du Perron. Het is allemaal net te veel om serieus genomen te worden: ‘Haar lippen bloedkoralen, haar voorhoofd van albast; / o, vloek der manestralen’. Het balanceert op het randje van kitsch.

In een brief die Du Perron schreef aan een andere dichter en vriend Jan van Nijlen van 15 april 1931 schrijft hij over een ‘poëem’ dat hij ‘Pastiche romantique’ noemt, ‘à la Les Cydalises.’ Als een dichter zijn werk zelf een ‘poëem’ noemt, spot hij met wat hij geschreven heeft, hij neemt het zelf niet serieus. Du Perron stuurde het betreffende gedicht op de achterkant van de brief mee. In die eerste versie zijn de laatste twee strofen samengetrokken tot één, en hij vraagt raad aan Van Nijlen over verschillende alternatieven: moet het in de tweede strofe ‘wuivend gras’ zijn of is ‘zwijgend gras’ beter? ‘Haar tanden wit en wreed’ of ‘scherp en wreed’?  ‘Grijs en uitgebrand’ of ‘oud en uitgebrand’? En de doden in de laatste strofe blijken eerst met z’n vijven te zijn geweest: Du Perron vraagt aan Van Nijlen ‘of drie misschien genoeg zijn’? De laatste versregel was oorspronkelijk ‘haar honend, bleek gelaat!’ Hij vraagt Van Nijlen diens mening over de alternatieve slotregel: ‘haar nooit verzoend gelaat!’ Het antwoord van Van Nijlen is niet teruggevonden, maar Du Perron heeft alleen de laatste strofe gewijzigd, een terechte beslissing.

Opvallend is verder de opbouw van het gedicht: de vier strofen van ‘Les Cydalises’, die ook door Engelman en Nijhoff gehandhaafd blijven, zijn er bij Du Perron vijf geworden. Ook hierin gaat hij ‘over the top’. Het rijm is gekruist, maar in bijna alle gevallen – de vierde strofe uitgezonderd – is er sprake van halfrijm bij één rijmpaar in dezelfde strofe: ‘korenblonde’ – ‘tombe’, ‘albast’ – ‘gras’, ‘bloedrobijnen – rijmen’, ‘vergeten – leven’. Is deze onvolkomenheid met opzet nagestreefd? Het aantal lettergrepen per versregel is wel hetzelfde gebleven als bij De Nerval, het ritme is aangehouden en er wordt veel gebruik gemaakt van alliteratie en assonantie.

Hoewel van Du Perron de poëzie vaak achtergesteld wordt in de waardering ten opzichte van een prozawerk als zijn beroemde Het land van herkomst, kan niemand die ooit het gedicht ‘Gebed bij de harde dood’ gelezen heeft, ontkennen dat Du Perron een goed dichter was. Het mag dan ook verondersteld worden dat de ‘Pastiche-Nerval’ als opzettelijke overdrijving bedoeld is om de spot te drijven met de vertalingen van Nijhoff en Engelman, die in de ogen van Du Perron als vent veel te romantisch waren. Du Perron maakt gebruik van dezelfde stijlfiguren zoals de aanhef met O (‘o vloek der manestralen’ ‘o, gruwelvolle rijmen’) die bij Nijhoff drie keer in diens gedicht voorkomt en bij De Nerval en Engelman twee keer. Hij steekt de draak met alle drie de dichters. Een pastiche is geen parodie, maar dit gedicht van Du Perron komt daar toch wel heel dichtbij.

 

Hettie Marzak
dank aan redacteur J.D. voor de suggestie over de minnaars

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in klassieker, Klassiekers.