“Voor mij is poëzie een onmisbaar element in een evenwichtig leven, dat de diepte niet schuwt.”

Hilde Pinnoo (Brussel, 1962) studeerde theologie en toegepaste economie en werkte in de financiële sector. Haar gedichten verschenen o.a. in Kunsttijdschrift Vlaanderen, Gierik/NVT, Deus ex Machina, Krakatau en Dighter.
Zij debuteerde bij uitgeverij P met Dichter dan mist (2005), waarmee ze de Publieksprijs voor de beste poëziebundel 2005 won. In 2008 verscheen Zonder testament, in 2013 De gevoelige plaat.
Uitgeverij P gaf in 2021 de bundel Brakke dagen uit. In 2019 werd haar eerste roman (Valtuig) uitgegeven door Vrijdag. Deze debuutroman werd goed onthaald door de recensenten (bv. Marnix Verplancke gaf 4 sterren in weekblad Knack).
Alja Spaan sprak met Hilde. De gedichten bij dit interview komen uit Brakke dagen, Concerto per mare e monti.

Foto (c) Hilde Houtevelts

 

Terwijl je op internationale podia stond en in diverse tijdschriften, gebloemleesd werd (wat een prachtig woord overigens) en vier bundels uitgaf, kent Meander je nauwelijks. Hoe komt dat?
Geen idee eigenlijk. Blijkbaar ben ik er goed in geslaagd onder de radar te blijven, zeker wat betreft bekendheid bij lezers boven de Moerdijk.
Nee, alle gekheid op een stokje, ik stel vast dat veel afhangt van het kennen van de juiste mensen (bv. gerecenseerde en veel gevraagde dichters) en circuleren in de juiste (poëtische) kringen om bekendheid te verwerven.  Combineer dat met mijn introverte persoonlijkheid, en dan wordt het misschien al wat duidelijker waarom ik door Meander nauwelijks gekend ben.

Alleen in 2013 verscheen op Meander een bespreking waarin Yves Joris een hilarisch beeld schetst van de Antwerpse Boekenbeurs, Google en de Bekende Vlaming. Hoe moet je je als dichter voelen, vraagt hij zich af. Kun je die vraag anno nu opnieuw beantwoorden?
Hoe je je als dichter moet voelen… Eerlijk gezegd lig ik daar niet echt wakker van. Ik ben al lang blij dat ik een uitgever gevonden heb die kiest voor kwaliteit en liefde heeft voor poëzie. Hij zorgt voor mooie uitgaven, die soms echt bibliofiel te noemen zijn. Hij is erg benaderbaar voor zijn auteurs.

‘Gelukkig’, stelt Joris, ‘is er de mogelijkheid zelf schoonheid te ontdekken die niet geïndexeerd werd in de megaservers.’ Hoe afhankelijk zijn wij geworden van erkenning?
Tegenwoordig wordt er echt véél poëzie uitgegeven, en wie bij reguliere uitgevers niet aan de bak komt, kiest vaak voor de alternatieve weg van een uitgave in eigen beheer of iets dergelijks. Zelf ben ik nooit dat pad opgegaan, omdat ik ervan uitga dat wat niet goed bevonden wordt door een ‘echte’ uitgever, wellicht ook niet de moeite waard is (dat geldt zowel voor proza als voor poëzie). Het blijft echter wel moeilijk om die kaap te nemen en toch enige erkenning te krijgen als minder bekende dichter of schrijver.
Je kunt dus maar best niet te veel wakker liggen van die ‘erkenning’. Wat ik dan ook bewust niet doe. Het blijft natuurlijk prettig te horen dat mensen je boek in één ruk hebben uitgelezen, dat valt niet te ontkennen. En dat mensen dan zelf op zoek gaan naar schoonheid, die ontsnapt is aan de grote Google-zoekmachines, en blij zijn met een bundeltje van mij of andere illustere weinig-bekenden… mooier kan het toch niet zijn?

 

Uit cyclus Allegro con brio


¡No pasaran!

Hou alles tegen, ieder blad, iedere
nerf, verschuif geen schaduw, verpink
geen oog in dit onschijnbaar uur.
Waak en hou de dieren binnen,

de honden en de kinderen, hun sporen
zijn voor later. Bereid ons op alles
voor want niemand weet wanneer.
De kleinste twijfel kan volstaan,

daar mogen we niet aan denken.
Bega elke zonde als was ze
van jou alleen, bega ze als een pad
in de jungle dat er nog niet is, hak

ons een doorgang. Stamp door
moeras en distelvelden, weiger
te voelen. Verlies je tijd, wees
sterk als eierschaal –

breek.

Welke rol speelt de literaire wereld in jouw bestaan?
De literaire wereld speelt niet echt een hoofdrol in mijn leven. Ik moet ook niet leven van mijn schrijfwerk, eigenlijk is het vooral een (fijne!) hobby, en het feit dat er af en toe wel appreciatie is voor mijn werk (zoals bijvoorbeeld met dit interview) is voor mij al genoeg.

Kun je iets vertellen over de overeenkomst in filosofie en poëzie? Stel je in je poëzie dezelfde existentiële vragen?
Uiteindelijk komen de grote thema’s en existentiële vragen wel altijd terug, op één of andere manier. Maar filosofie en poëzie gaan er toch elk op een andere manier mee om. Zo is de aanpak van de filosofie meestal abstracter, er wordt nagedacht en gespeeld met abstracte begrippen, vraagstellingen en premissen. Terwijl de taal van de poëzie in wezen beeldend is en (meestal) concreet. Er wordt gewerkt met metaforen, en de gehanteerde taal is gewoonlijk associatief. De lezer krijgt veel ruimte om een gedicht zelf in te vullen, om er zelf verbanden in te zien, waardoor de ‘betekenis’ van een gedicht nooit eenduidig zal zijn, maar telkens anders wordt, afhankelijk van de lezer, en van het moment waarop die lezer het gedicht leest en de stemming waarin hij op dat moment is.

Hoe verhoudt zich dat met de financiële wereld waarin je werkt?
Eigenlijk ben ik, om persoonlijke redenen, al een aantal jaren niet meer werkzaam in die omgeving, maar over de tijd dat het nog wél zo was, kan ik alleen maar zeggen dat het contrast immens is. Zeker omdat ik werkte in de wereld van Fusies & Overnames (voor rekening van de bank zelf, niet voor cliënten), waar met gigantische bedragen gegoocheld wordt, alsof het niets is.
Wat wél waar is, is dat schrijven – en poëzie in het bijzonder – altijd een sterk tegengewicht gevormd heeft voor de wereld van cijfers, waarderingen, onderhandelingen enz.

Op de site Nederlands/beschouwingen staat een slotopmerking ‘Poëzie is niet te berekenen’. Is dat zo?
Ja. Voor mij als dichter, is dat een absolute waarheid. Ik kan me voorstellen dat het voor uitgeverijen en boekhandelaren anders ligt, die moeten nu eenmaal (ook) op de centjes letten, maar als dichter heb ik daar nooit wakker van gelegen.

Kun je je het eerste gedicht herinneren dat je las?
Nee. Ik heb me suf gedacht op deze vraag, en ik weet het hoegenaamd niet. Het zal wel iets van Herman De Coninck geweest zijn, denk ik.

In je profiel op de site Prijs de Poëzie staat dat je ‘een voorliefde voor spanningsvelden hebt’. Hoe is dat zo gekomen?
Die spanningsvelden heb ik nooit opgezocht, maar ik ben er per toeval tegenaan gelopen. Noem het een klassiek geval van serendipity.  Ik heb ondervonden dat juist die spanningsvelden je creativiteit aanscherpen, je hersens uitdagen om verder en dieper te gaan. Bijvoorbeeld het feit dat ik studies theologie, filosofie en economie heb gecombineerd. Veel mensen fronsen verbaasd de wenkbrauwen als ze dat horen, maar voor mij was dat juist spannend, en wellicht heeft het ook bijgedragen tot mijn persoonlijke ‘poetica’ (sorry voor dat Grote Woord, ik vond niet zo gauw iets anders).

In 2021 verscheen de bundel Brakke dagen. Concerto per mare e monti bij uitgeverij P. Gedichten over ervaring en emotie, over natuur en zwerven, ingehouden en reflecterend. Kun je iets over de totstandkoming van deze bundel vertellen?
In mijn ervaring is er een evolutie gekomen in mijn gedichten na De gevoelige plaat. Het is, als ik het zo bekijk, mijn eerste bundel die zo vitalistisch is, of misschien expressionistisch, qua thema’s en qua stijl/beelden. Dat zat er in de voorgaande bundels ook wel af en toe in, maar nu zit het in een groot deel van de gedichten, terwijl dat voorheen slechts af en toe het geval was. Qua thema’s en beelden sluit het aan bij de laat-romantici.

De titel Brakke dagen zet meteen de toon. Niet alle ontmoetingen en ervaringen smaken even zoet. Het leven geeft soms een brakke smaak in de mond. Wat maakt het dan de moeite waard? De tijd om dat te ontdekken, is afgemeten. Niemand weet hoeveel dagen ons precies zijn toebedeeld. Reden te meer om voluit voor het leven te gaan. Die vitalistische gedachte vibreert onderhuids in de meeste gedichten van deze bundel. In zes cycli wordt de existentiële zoektocht van de mens vergeleken met een meerstemmig lied. De toon balanceert tussen uitbundigheid en melancholie, tussen lichtvoetigheid en de zwaarte van het grote verlangen, tussen overgave en stil verzet.

Ook hier, opnieuw, het spanningsveld tussen speels en luchtig genieten enerzijds, en het heftige gevoelsleven van de romantici anderzijds. En steeds dwingender wordt het besef dat men nooit helemaal kan samenvallen met de ander. De grote metaforen worden hierbij niet geschuwd.

Uit cyclus Cantico di Venere


Oplosmoeder

Haar sterkste kant is vergeten
en vergeten worden. Ze vervaagt steeds
dieper in zichzelf, tot zelfs de nacht
haar niet meer vindt. Er zijn dagen

dat ze in niemands herinnering nog plaats
neemt – haar zoon is bij haar, vangt haar
woorden op en geeft haar de zijne
in ruil, maar ze loopt als water door

hem heen. Ze zou een rookwolk
kunnen zijn die oplost in onbekende
luchten, zich laat verwaaien tot ze nog
amper bestaat. We moeten zorgzaam

met haar zijn. Niet omdat ze breekbaar is
maar omdat ze er ook ineens niet meer kan zijn,
terwijl wij haar nog in onze armen houden.
Of minstens doen alsof dat nog kan.

De wereld verandert. Is er nog ruimte en behoefte aan poëzie?
ABSOLUUT! Voor mij is poëzie een onmisbaar element in een evenwichtig leven, dat de diepte niet schuwt. Dit kan de indruk wekken dat het allemaal zwaar en moeilijk moet zijn, maar zo is het niet bedoeld. Poëzie is ook – en misschien vooral – te vinden in het kleine en het onooglijke, in wat te bescheiden is voor (grote) woorden.

 

Uit cyclus Scherzando ma non troppo


Het mooiste wachten

Nooit was er iemand die zo mooi kon wachten
als wij, met weerloos korte nagels en waaiende
handen – nog even oefenen voor straks – en stevig

verankerd in tanige opperhuid. Alles blijft
op een plaats waar de wind aan kan zodat er kans is
tot drogen – we willen geen natte handen hier.

Dit land dat wij het onze noemen, zal andere
talen leren of onverzoenbaar zwijgen, en stilaan
zullen de wilde dieren komen, een schedel

zal hun drinkplaats zijn. Het is slechts een kwestie
van tijd en daarvan hebben we genoeg. Geduld
heeft er niets mee te maken, het gaat veeleer

om de schoonheid van een schaduw,
om de achterkant van wachten
– niet op wat komt, maar op wat weggaat.

In 2019 gaf uitgeverij Vrijdag (5) een roman van je uit. Waarin verschilt je proza van je poëzie?
Er zijn uiteraard overeenkomsten en verschillen. De technische verschillen zijn duidelijk: proza heeft gewoonlijk meer woorden nodig, om de boodschap over te brengen. Zo zal in een proza-verhaal een (eventueel lange) scène worden gebruikt om aan te tonen hoe bijvoorbeeld de relatie tussen twee of meer personages zich ontwikkelt, terwijl hetzelfde gegeven in een gedicht kan worden weergegeven in een paar strofes of misschien zelfs in slechts enkele goedgekozen regels.
Uiteraard zijn er ook raakvlakken tussen beide disciplines. Zo heb ik over mijn roman Valtuig vaak te horen gekregen dat de gebruikte taal knap en beeldend is, en dat het eraan te zien is dat hier een dichter aan het werk is geweest. De verschillen moeten dus niet overdreven worden, maar Valtuig is zeker geen verkapte dichtbundel geworden.

 

 

Geplaatst in Interviews.