Jelle Jan Klinkert

Jelle Jan Klinkert (1947) was eertijds sociaal-wetenschappelijk onderzoeker aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, ziekenhuisbestuurder en columnist van dagblad Trouw. Tegenwoordig is hij koordirigent en dichter. Hij publiceerde eerder in Meander, SLA/Avier en Schoon Schip. Ook bracht hij twee bundels gedichten uit: ‘Kijk. Schrijf een gedicht’ (2011) en ‘Kom liefde, kom!’ (2018). In een interview in Meander sprak hij over zin visie op poëzie: ‘Poëzie is de muziek van de taal’.
Twee maal per week plaatst Jelle Jan Klinkert zijn (nieuwe) apocriefe psalmen op zijn eigen website. In september zal een bundel met alle 150 apocriefe psalmen verschijnen. Daaruit vandaag een voorpublicatie.
De aanwijzingen zijn onderdeel van de tekst van de oorspronkelijke psalm zoals terug te vinden is in de zgn. Naardense Bijbel, vertaling Oussoren.

 

 

Psalm 88: Domine Deus.

(Een zang, een musiceerstuk,
v. de zonen van Korach, voor de koorleider,
op ‘De ziekte van’, voor beurtzang;
een onderwijzing,
v. Heman de Ezrachiet.)

.                                  Ge hebt die mij kenden van mij verwijderd,
.                                  mij voor hen gezet tot een gruwel,-
                                 . ik ben opgesloten,
                                 . ik kan er niet uit!


De uiterste duisternis huivert.
Zij schuiven door muien naar buiten.
Hun anker krabt door de aarde.

Maar ik ga aarzelend te water,
kan niet anders dan huilen,
ben mijn schuilplaats verloren.

Anderen zien mij en lachen,
kappen hun kabels voor afvaart,
denken niet langer aan landvast.

Niemand wist hoe ik hoopte.
Niemand roept in de verte.
Geluiden sterven als muizen.

Ik alleen maak nog leven.
Psalm 74: Ut quid, Deus.

(Een onderwijzing, v. Asaf.)

.                                  U, die alle gebieden der aarde
                                 . hebt bebakend,
                                 . zomerhitte en herfsthoos
                                 . hebt u geformeerd.


’s Nachts voeren wij rond in het zwarte,
doodsangstig waakten de mannen,
nabij moesten ijsbergen drijven.

Er heerste een bijtende koude
die vrat aan handen en wangen,
verhinderde helder te denken.

Het kwadrant was in slagzij gevallen,
het dieplood in donker gezonken,
het log in de golven verloren.

Maar ik heb de sterren gelezen,
de zon op haar hoogste geschoten,
de stromen en stormen berekend.

De mannen erkenden mijn kunde.
Ze gaven mij vrijelijk leiding.
Ik voerde hen naar rustige wateren.

Ik ben geen grote geleerde,
ik heb het geleerde gedaan.
Wie ben ik dat ik dit doen mag?
Psalm 71: In te, Domine, speravi.

.                                 Dan jubelen mijn lippen,
.                                 maak ik met mijn mond voor u muziek.


Zo klein was ik, dat ik een broekje droeg
zonder gulp en tussen de knieën van wachtenden
door kon kruipen naar de stoeprand: daar kon ik

hem zien komen, de tambour-maître, de hoek om,
met streng gezicht en straffe pas, in zijn hand de bâton,
die hij liet wentelen als een lichtende propeller. Soms
wierp hij hem omhoog, de durfal, en ving hem op

in de maat, in de maat, een ridder met zijn horigen,
hem volgend, volgzaam, nee niet gedwee, kwamen
de muzikanten in broeken met strepen en
vesten en tressen en petten, en de zon, de zon

schoot stralen af op de koperen hoorns en trompetten
en trombones en alles sprinkelde en sprankelde
als bubbeltjeslimonade en tierelier, en daar dan
die muziek bij! En ik zag alles

en mijn oren werden groot als de oren van de tuba’s,
achteraan, bij de dikke mannen die met elke ademstoot
een toon bliezen, zo zwaar als een heipaal
voor het fundament van de vaste burcht
die de anderen met hun tonen daarop bouwden.

Maar plotseling waren ze voorbij, ik zag
ruggen en kuiten, hoorde wegstervende klanken,
de wereld werd weerloos en weemoedig en ik

maakte nog een dansje midden op de lege weg,
gooide een stok omhoog, hoger
dan de tambour-maître had gedaan,

zo hoog als de zon, die hem
opving en nooit meer
teruggaf.
Psalm 11: In Domino confido.

(Voor de koorleider,
v. David)

                            .     ‘vogeltjes,
.                                  vlieg naar jullie berg!’


Vandaag hoorde ik, nauw wakker,
vogels. Tussen de gordijnen
notenbalken van lichtstralen.

De merel zong vlakbij.
Hem had ik Mozart
leren fluiten.

Maar verder? Heggemus? Roodborst?
Vogels en vragen te over. Niet
wakker genoeg?

Dankbaar! Niet vragen maar
dankbaar. Toch nog even slapen.
Liggen onder een licht laken
van fluitende vogels.
Psalm 108: Paratum cor meum.

(Een zang, een musiceerstuk v. David.)

                              .   Word wakker, luit en harp,
                         .        Ik ga het morgenrood wekken!


Ik schrijf het liefst
gedichten in de zon.
Regen verdrinkt mijn letters,
wolken verdonkeremanen
en mijn taal verliest
de lust te kussen.

Maar dan bij storm: letters,
zij jagen voor mij uit als visjes.
Ik vang ze in het net
van mijn gedicht,

school woorden samen tot
een veld vol tulpen.
Kleur overal, zinnen te over.

De zon schijnt fel
in mijn gezicht.
Geplaatst in Gedichten.