Interview met Hans Puper

‘Het schrijven is ook een verantwoording aan mijzelf, of, met een heel groot woord: een ontdekkingstocht.’

door Janine Jongsma




Hans Puper (Utrecht, 1953) neemt na acht jaar en 250 (!) recensies verder, afscheid als recensent bij Meander. Zijn naam is in de afgelopen jaren een begrip geworden in de poëziewereld. Zijn mening doet ertoe. Sinds 2014 besprak hij bundels voor Meander. Ook in zijn functie als coördinator en eindredacteur van de recensierubriek (2015 – 2020), was hij als recensent uitermate actief. Kennis van poëzie en een zuiver taalgevoel kenmerken hem. Maar waar hij in uitblonk als recensent, was zijn gave om poëzie spannend te maken voor de lezer, je hing, bij wijze van spreken, aan zijn lippen. Kritische noten werden meermaals gekraakt, maar altijd met respect naar de dichter toe. Hans Puper wist zijn publiek te enthousiasmeren voor poëzie, een recensent in hart nieren. Hoog tijd voor een interview!

Hans, in je een na laatste recensie, over Vier kwartetten van T.S. Eliot, viel mij onderstaande passage uit deel V van het vierde kwartet op. Het deed mij aan jou denken. In de letterlijke zin van het woord met hoeveel aandacht en precisie jij altijd je recensies schreef. Ik las de passage nogmaals, maar maakte nu van de laatste regel: ‘Elke recensie een eindschrift’. Kun jij je hierin herkennen?

Uit Vier kwartetten van T.S. Eliot, het begin van het laatste deel van het vierde kwartet:

Wat wij het begin noemen is vaak het einde
En een einde maken is een begin maken.
Het einde is ons vertrekpunt. En elke uitspraak,
En elke zin die juist klinkt (waarin elk woord zich thuis voelt,
Zijn plaats inneemt om de andere woorden te ondersteunen,
Een woord dat niet bedeesd en niet opdringerig is,
Een ongedwongen omgang tussen oud en nieuw,
Het gewone woord dat exact is zonder vulgair te zijn,
Het plechtige woord dat precies is maar niet pedant,
Het voltallige gezelschap dat samen danst)
Elke uitspraak en elke zin is een einde en een begin,
Elk gedicht een grafschrift (…).

Ha, ha. Of elke recensie een grafschrift? Ik hoop het niet, een geboortekaartje is leuker. Maar een eindschrift, zo voelt het wel als een recensie af is, maar niet lang. Soms werken stukjes uit een recensie door in mijn hoofd en komen ze terecht in een column. Dat zou je kunnen zien als een nieuw begin. Het gebeurt ook weleens dat ik een recensie teruglees en het dan niet eens ben met mijzelf. Ik zie een recensie daarom niet als iets definitiefs. Hoe zorgvuldig je een recensie ook hebt geschreven, het blijft in wezen een momentopname.

Je zegt hier iets heel waardevols. Een recensie is inderdaad een momentopname na het lezen van een bundel. Wat eerlijk dat je aangeeft dat je het soms, na het teruglezen ervan op een later tijdstip, niet meer met jezelf eens bent. Hoe kwam je in godsnaam aan 250 recensies? Dat is ook voor acht jaar heel veel. Diepe buiging Hans!
Vanaf het begin schreef ik gemiddeld twee recensies per maand. Ik deed dat op verzoek van Joop Leibbrand, mijn voorganger als redacteur van de recensierubriek. In september 2015 overleed hij onverwacht. Omdat de recensierubriek anders zou verdwijnen, ben ik hem opgevolgd. Er was niemand anders die het kon doen. Er waren nog niet zoveel recensenten als nu en de stapel recensie-exemplaren groeide alsmaar; we konden lang niet alle bundels bespreken die in aanmerking kwamen. Ik heb toen Joops rubriek ‘Poëzie Kort’ nieuw leven ingeblazen, die als het even kon een keer per maand verscheen met gemiddeld vier korte recensies. Ik droeg altijd wel een of twee recensies bij en zo nodig vulde ik ze in mijn eentje. Dan gaat het snel. Het is trouwens een misverstand te denken dat uitsluitend minder goede bundels voor ‘Poëzie Kort’ in aanmerking kwamen. Bij sommige bundels past een korte bespreking beter, je wilt niet in herhalingen vervallen. Pas toen jij me opvolgde, ben ik minder recensies gaan schrijven. Maar dat kwam ook door de columns.

Waarom stop je eigenlijk met het bespreken van bundels? En vertel eens iets meer over de columns die je wel voortzet. Over welke onderwerpen schrijf je het liefst en waarom?
Om verschillende redenen. Ik recenseer nu al acht jaar en alleen daarom al is het goed om te stoppen en iets anders te gaan doen. Een enkele keer begon het te voelen als een verplichting. Ik heb er wel lang over nagedacht, het is nogal wat om te stoppen. Neem bijvoorbeeld het bespreken van een bundel als Vier kwartetten, dat ga ik echt missen. Maar ik vroeg me de laatste jaren ook weleens af of ik het werk van jongeren nog wel op waarde weet te schatten. Ik doel dan met name op de modieuze ‘hoe verhoud ik mij tot-poëzie’, met de nadruk op het gekwelde ik. Als je bij het lezen van het achterplat al geïrriteerd raakt, kun je de recensie beter aan een ander overlaten.
Columns vind ik ontzettend leuk om te schrijven, vooral als ze een onderzoekje betreffen. Mini-essaytjes, zoals die over concrete poëzie.  Maar een verhaaltje van tijd tot tijd vind ik ook aardig. Zoals What’s in a name, over een fictieve achter-oudoom die worstelde met de naam Puper en op droeve wijze aan zijn eind kwam. Ik kreeg daar tot mijn verrassing heel meelevende reacties op, men had met die arme oom Hidde te doen. Of een wat pesterige column als Geurtjes, waarop de redactie van Meander het dringende advies kreeg voortaan aan interne kwaliteitscontrole te doen. Ik moest daar erg om lachen.

Je columns zijn pareltjes, ik lees ze zelf ook graag. Met de fictieve achter-oudoom leefde ik ook mee, terwijl ik wist dat het fictie was. Dat zegt wel iets over je beeldend vermogen. Je hebt overigens ook een column geschreven over het recenseren in 2019 toen je nog coördinator was van de recensierubriek: Hoe ga ik als recensent om met mijn poëtische voorkeuren? Die column sluit weer mooi aan op dit interview. Heb je nog andere plannen voor de toekomst?
Dank je, Janine. Ik heb H.C. ten Berge geïnterviewd over zijn nieuwe bundel Een kinderoog. Het interview verschijnt op 15 september in Meander. Misschien komen er nog wel meer interviews, maar incidenteel. Redacteur Alja Spaan moet daar wel mee akkoord gaan, natuurlijk. En samen met Hans Heesen van het Luxor Theater in Zutphen en August Hans den Boef van Zutphen Literair organiseer ik drie poëzieavonden onder de naam Meander Live, waarop een dichter een bundel in zijn geheel voorleest. Hans Heesen doet trouwens het meest. De eerste gast is Esther Jansma met De spronglaag, op 14 september in Luxor. En verder ga ik veel lezen, ook non-fictie.

Kun je ter afsluiting een tipje van de sluier oplichten wat betreft het recenseren in de praktijk? Hoe analyseer je bijvoorbeeld een hermetisch gedicht?
Voor ik begin aan een recensie lees ik een bundel meestal twee keer en een aantal gedichten nog voor een derde keer. Soms heb ik dan nog steeds het gevoel dat ik geen vat op de bundel heb, niet in zijn geheel, tenminste. Dat geeft niet. Juist tijdens het schrijven ervaar en zie ik dingen die ik daarvoor niet zag. Alles bij elkaar is het een vorm van zeer intensief lezen en dat is een van de redenen waarom ik maar niet kon stoppen met recenseren. Het schrijven is ook een verantwoording aan mijzelf, of, met een heel groot woord: een ontdekkingstocht.
Wat betreft een hermetisch gedicht: ik weet niet of ik echt analyseer. Ik ben nieuwsgierig: wat gebeurt hier? Hoe? Zie ik klank- en vormstructuren? Als het me boeit, blijf ik het herlezen. Niet achter elkaar, natuurlijk. Vaak krijg je dan ineens een inzicht, als je wakker wordt of op straat loopt. Dat is leuk. Het ideaal is dat je bij iedere bundel steeds opnieuw moet leren lezen. Pfeijffer zei zoiets, geloof ik.

Dankjewel Hans voor je openhartigheid. We blijven je lezen op Meander en succes met alles wat je onderneemt. Meer lezen over Hans en zijn mening over poëzie? Lees hier het interview dat Marten Janse met hem had bij het afscheid van zijn rol als coördinator en eindredacteur recensies: ”Poezie moet jou in beweging zetten”.

Geplaatst in Interviews, Recensies.