Interview Cora de Vos

‘De korte spanningsboog van een gedicht’

door Alja Spaan

Cora de Vos wilde als kind al schrijfster worden, maar het werd een omweg via de School voor de Journalistiek in Utrecht. Zij werkte in de tijdschriftjournalistiek en schreef daarna circa dertig boeken over zwangerschap, opvoeding en gezondheid. Toen maakte ze de overstap naar fictie: kinderboeken, korte verhalen en gedichten. Haar gedichten staan in diverse wedstrijd- en verzamelbundels. Ze won prijzen en behaalde nominaties in Nederland en Vlaanderen, waaronder de eerste prijs van de Vlaamse wedstrijd Poëziepad van A tot Z.

foto © Nico Kussendrager

 

Er is weinig los werk van je bekend, de meeste gedichten hebben dan wel een prijs gewonnen dan wel zijn opgenomen in bundels of ‘gematerialiseerd’ langs een poëziepad.
Betekent dit dat je heel selectief werkt? Ben je lang bezig met een gedicht?
Het betekent inderdaad dat ik selectief werk en dat een gedicht de nodige tijd vraagt. Een enkele keer heb ik het geluk dat ik een gedicht ‘in een flow’ schrijf en dat het dan in één keer af is. Of bijna af, want wanneer is een gedicht werkelijk af? Bij sommige gedichten kan ik lang schrappen en schaven. Ik streef niet naar de productie voor een eigen bundel. Ik vind het mooi als mijn gedichten in verzamelbundels komen, of in wedstrijdbundels, maar ook als ze op een website staan of ergens in het landschap opduiken.

 

Dwaalgast

Je bent niet onopgemerkt gebleven

ook de grauwste mus wordt gesignaleerd,
genummerd, geteld, gerapporteerd, niets
ontsnapt het spiedend oog van de vogelaar

ook jij, steppekiekendief,
aangewaaid uit Kazachstan,
verdwaald in platgespoten hooiland

ze zeggen niet waar je bent geland
maar de waarnemers staan gereed,
desnoods volgen ze je met hun drones

er staat een hek om je geheime nest
dus verbeeld je maar niets
en zeker geen vrijheid

paparazzi loeren met telelenzen in de struiken

soortenjagers ringen je kuikens
nog voordat ze geboren zijn.

Is er nog ruimte voor toeval, intuïtie, inspiratie?
Die ruimte is er altijd, bijna elk onderwerp leent zich voor een gedicht. Ik haal mijn inspiratie soms uit kleine nieuwsberichten, bijvoorbeeld over vrijwilligers die zich hartstochtelijk inspannen om zogeheten ‘exoten’ te verwijderen. Of vogelaars die zich massaal op een zeldzame steppekiekendief in een platgespoten weiland storten. Ook een enkel woord, zoals ‘trekhaakdichtheid’- over het grote aantal caravans in Nederland – kan mij prikkelen tot schrijven.

In je profiel staat dat je poëzie ‘ook in opdracht’ schrijft. Moet ik dan aan gelegenheidsgedichten denken?
Soms krijg ik een opdracht, bijvoorbeeld van iemand die op zoek is naar een persoonlijk gedicht over een overleden kind. Dan besef ik goed dat ik niet voor mezelf schrijf, maar voor de ander. Op structurele basis schrijf ik themagedichten voor De nieuwe oase, een kwartaalmagazine voor het voortgezet onderwijs. ‘Dagstart voor bezinning en burgerschap’ is de ondertitel. De leerkracht leest het gedicht voor en start daarna een discussie met de klas.

Sluiten gedichten in opdracht aan bij je vrije werk?
Soms zitten ze elkaar in de weg. Er is een verschil tussen ambachtelijk werken, zoals bij de themagedichten voor het onderwijs, en het vrije werk. Bij de themagedichten gebruik ik eindrijm en vaste vormen, bijvoorbeeld kwatrijnen. Bij mijn vrije werk vind ik eindrijm vaak te nadrukkelijk of geforceerd. Ik houd ook meer van alliteratie en klankrijm, of schijnbaar terloops binnenrijm.

Wouter van Heiningen haalt op zijn blog ‘Zichtbaar Alleen’ jouw gedicht uit 2020 aan dat in de top 1000 van De Gedichtenwedstrijd kwam, de titel ‘Donald Trump’. Voel je een maatschappelijke verantwoordelijkheid als dichter?
Het was voor mij een verrassing dat hij juist dit gedicht van de site van De Gedichtenwedstrijd plukte en niet de twee gedichten die in de Top-100 kwamen. Die keuze komt waarschijnlijk door de titel. Later heb ik het gedicht ‘Laatste ei ‘genoemd, de oorspronkelijke titel sloeg op de tijd toen Trump het Witte Huis niet wilde verlaten. Nu is het gedicht opnieuw actueel, omdat Trump nog lang niet uit het zicht is. De maatschappelijke verantwoordelijkheid komt hier op het tweede plan, het ging mij om de vorm en de invalshoek.

 

Laatste ei
(oorspronkelijke titel: Donald Trump)

Het laatste ei bewaren en halsstarrig
vastklemmen in een verder leeg nest

de wespendief, de buizerd, de sperwer
met hun scherpe snavels, je jaagt ze

een voor een weg, je werpt je op als hoeder
van een bedreigde soort, nog even en ze zien je

als de oermoeder, ze plaatsen camera’s zodat
je overal ter wereld op vroege vogels komt

iedereen kan volgen hoe gewetensvol jij broedt,
niemand ziet dat je eigenlijk de koekoek bent.

Hij noemt het een intelligent gedicht; waarom is dat, denk je?
Misschien door de politieke lading of de associatie met de koekoek in andermans nest? Ik vind het een eervolle benaming, een intelligent gedicht. Hoewel, schrijf ik dan ook domme gedichten?

Je bent zowel serieus als humoristisch. Wat is de rol van humor in je werk?
Bij mij is humor veelal ironie, zoals de laatste zin van ‘Ik wilde rozen planten’. Je kunt de lezer wel keihard met een laatste zin om de oren slaan, wat ik weleens gedaan heb, maar waarom doe je dat eigenlijk? Het is beter als een gedicht blijft hangen en de lezer er nog een tijdje op kauwt, zonder dat hij meteen afhaakt.

 

Ik wilde rozen planten

De tuinman sprak:

je moet tachtig centimeter afgraven om rozen te planten
de bloemenkoningin stelt eisen
allereerst wil ze humusrijke grond

controleer goed op vervuiling
fascisme, nazisme, nationalisme,
je ziet ze allicht over het hoofd

gemakkelijker zijn de bomscherven,
botscherven en het soldatenglas
dat je niet moet verwarren met
het glas van bierflesjes dat
zwervers achterlaten

waar te beginnen, vroeg ik
en welke zeef heb ik nodig?

de tuinman keek me schattend aan
zag hij de rouwranden onder mijn nagels wel?

doe het niet, zei hij langzaam, begin er niet aan
de zeef van de tijd is voor jou te zwaar
ik raad je geraniums aan.

Speelt leeftijd en ervaring een rol bij het dichten?
Absoluut, natuurlijk dicht ik anders dan op mijn twintigste. Ik mag hopen dat er enige ontwikkeling in zit.

In Meander stond eerder een gedicht van je over vrijheid ‘Vissenkom’. Is het makkelijker te schrijven aan de hand van een bepaald onderwerp of bepaalde opdracht?
Een thema zoals vrijheid geeft houvast bij het schrijven, maar het gaat toch vooral om het vinden van een originele invalshoek. Ik houd ervan om de dingen om te draaien. Bij ‘vrijheid’ denk je niet aan een goudvis in een kom maar aan ruimte, zoals de weidsheid van de zee. Maar hoe zou een vis zich voelen in die zee als hij aan de beslotenheid van de kom gewend is? Misschien zijn wij ook wel die vis in de kom. De wand is transparant en daarom denk je dat je in de zee zwemt, maar uiteindelijk zit je in je kom, je eigen bubbel. Buiten die bubbel zou je duizelig in de branding draaien.

Je trad bij de Haarlemse Dichtlijn op met het gedicht ‘Hond’ dat speciaal voor die gelegenheid geschreven was en in de bundel Vicit Vim Virtus terechtkwam. Je bent een uitermate ervaren schrijver, is poëzie een uitdaging voor je?
Ik ben een ervaren schrijver op het gebied van opvoeding en gezondheid. En ik ben ook een ervaren tekst- en eindredacteur. Op dat terrein voel ik me zeker. Maar als het om poëzie gaat, voel ik me vaak nog onervaren. Het schrijven van poëzie en in bredere zin fictie, blijft lastig en dat zal zo blijven.

Je bent ook een ervaren performer. Hoe is de interactie met het publiek?
Grappig dat je me een ervaren performer noemt. Zo voel ik me niet. Wel kan ik ervan genieten als ik merk dat er contact is met de zaal, dat er een sfeer van verrassing ontstaat, zo van: ‘Hé, wat zegt ze nou?’ Soms schiet iemand me na afloop aan en zegt iets heel persoonlijks. De leukste interactie met het publiek had ik in de loofgangen van Dichters in de Prinsentuin. De eerste keer, in 2017, was ik in mijn hoofd nog bezig met zaken als: hoe vul ik de tijd en hoe houd ik de aandacht vast? De tweede keer, in 2019, vloog de tijd. Toen heb ik er volop van genoten.

Kun je het verschil duiden tussen je proza en poëzie, los van het informatieve of opvoedkundige dat je in je proza verwerkt?
Poëzie en proza, zoals kinderboeken en korte verhalen, doen een beroep op je fantasie en, al klinkt dat afgezaagd, je creativiteit. Soms moet je de woorden uit je tenen halen, zo diep zitten ze nog verborgen. Bij informatieve boeken gaat het vooral om het doorgeven van informatie. Dat is echt een vak, verwant aan de journalistiek, mijn oorspronkelijke beroep. Poëzie is, in het beste geval, een vorm van kunst. Vaak is het ambachtelijk ploeteren, vallen en opstaan. Gerrit Komrij noemde het ‘met je poten in de modder’, dat dekt de lading wel.

Is het een idee dat je – naast alle kinderboeken – ook poëzie voor kinderen gaat schrijven?
Ik heb weleens een kindergedicht geschreven, zoals voor de bundel Er zit een feest in mij, Poëziespektakel 5 van Querido. Maar het is niet mijn doel om voor kinderen te schrijven. Er zijn in ons land en in België enkele heel goede dichters voor kinderen. Ik geloof niet dat ik nog iets zou toevoegen.

In een bundel van de Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -communicatie (En dat was kennis, zeg je dan, juni 2022) staan haiku’s van je. Wat spreekt je daarin aan?
Het schema van 5-7-5 lettergrepen geeft een beperking die je helpt gericht te schrijven en nauwkeurig te formuleren. Misschien past een dergelijke formule ook goed bij het thema wetenschapsjournalistiek. Ik was geen fan van haiku’s, de sfeer van heiligheid die eromheen hangt sprak me nooit zo aan. Toen kwam Kees van Kooten met zijn haikoots en was het aureool eraf. Een haiku mag over van alles gaan.

Terugkomend op de maatschappelijke verantwoordelijkheid, je zit ook bij de Klimaatdichters. Wordt het tijd dat de dichters zich (meer) aaneensluiten en in actie komen? Is schrijven niet specifiek een ‘eenzaam iets’?
Een deel van de Klimaatdichters loopt mee in klimaatmarsen en voert actie. Zelf klim ik niet letterlijk op de barricades, alleen mijn pen (of beter, mijn laptop) doet dat soms. Schrijven is inderdaad eenzaam, daarom is het goed om je ergens bij aan te sluiten, zeker als er een gezamenlijk doel is. Als voorzitter van vereniging Taalpodium heb ik ook contact met andere dichters. Maar je hebt gelijk, het eigenlijke schrijven is en blijft eenzaam. En schrijven met anderen om je heen, zoals tijdens een cursus of een workshop, levert in mijn geval nooit de beste gedichten op.

Wil je als dichter vooral de lezer iets meegeven?
Soms zit er een duidelijke boodschap in een gedicht, maar ik waak ervoor om al te moraliserend over te komen. Als journalist en auteur non-fictie werd ik op het laatst heel streng voor mezelf; ik probeerde het woord ‘moeten’ zoveel mogelijk te vermijden. Ik ben nog steeds allergisch voor dat woord. In mijn gedichten heb ik weleens de moraalridder uitgehangen, maar dat doe ik steeds minder.

Op de site KunstenhuisIdea staat in een kort interview dat je hoopt dat de lezers veel leesplezier hebben. Je blijft bescheiden over alle boeken die je hebt gemaakt. Is er iets waarop je trots bent?
Ik was trots op mijn allereerste boek, maar niet meer op mijn dertigste boek. Toen was het schrijven routine geworden, bijna een invuloefening. Ik had alle onderwerpen al gehad, van A tot Z, van ADHD tot zwangerschap en van ‘Onderzoek voor de geboorte’ tot ‘Ouder worden, nou en’. En ik heb mezelf soms helse taken opgelegd, schreef twee keer een Prisma, over zwangerschap en over gezonde voeding. Dat was eigenlijk monnikenwerk, met al die lemma’s. Die periode is echt afgesloten. Ik was trots op mijn eerst kinderboek: Nacht tussen de ijsberen, omdat het mij gelukt was voor mijn zestigste een kinderboek te publiceren. Ook was ik trots op mijn twee gedichten in de Turing Top-100. Maar achteraf is de weg naar het doel vaak interessanter dan het bereiken ervan.

Op de site van De Gedichtenwedstrijd staat dat je als kind al schrijfster wilde worden. Groeide je op met literatuur? Waarom koos je ervoor om naar de school voor journalistiek te gaan?
Ik groeide niet echt met literatuur op, maar had als kind wel enkele gedichtenbundels, De graaf van Weet-ik-veel van Annie M.G. Schmidt en De gouden bel van Peter Jaspers. Dankzij een enthousiaste onderwijzer mocht ik op mijn tiende voordragen in het radioprogramma De Tovercirkel. Later deed ik met mijn zelfgeschreven gedichten mee aan AVRO’s Jeugddag. En aan ‘Operatie vers’, waar je een cassettebandje naartoe stuurde met een gedicht dat mensen telefonisch konden beluisteren. De School voor de Journalistiek in Utrecht was een keuze om ‘iets’ met schrijven te doen in een tijd dat er nog amper opleidingen creatief schrijven waren.

Wat wil je nog meer gaan doen?
Doorgaan met gedichten schrijven, weer eens een kinderboek publiceren en wie weet een thriller. Ik ben ooit aan een roman begonnen, maar ik heb ervaren dat een korte spanningsboog beter bij me past. Waarschijnlijk spreekt het schrijven van gedichten me daarom zo aan. Bij die roman had ik ongeveer 40.000 woorden, maar ik heb de helft geschrapt. Kill your darlings! De overgebleven 20.000 woorden heb ik in hapklare brokken gehakt en als feuilleton verkocht aan een puzzelblad. Zo ben ik dan ook wel weer.

Geplaatst in Interviews.