Babeth Fonchie Fotchind – Plooi

Slecht gezocht of nog niet gevonden?

door Peter Vermaat




‘O tempora o mores.’ Deze uitdrukking van Cicero, afkomstig uit zijn eerste redevoering tegen Catilina, kent iedereen. Voornamelijk doordat de uitspraak treft en eeuwigheidswaarde heeft (en een beetje doordat Cicero zo ijdel was om zijn redevoeringen te boek te (laten) stellen) behoort hij na meer dan 2000 jaar nog tot het internationaal cultureel corpus. Het zal de aandachtige lezer van vandaag de dag niet ontgaan zijn dat in de huidige tijd regelmatig de strijd wordt aangebonden met het verondersteld elitaire karakter van de kunsten, die daarbij nogal eens met ‘de hogere Kunsten’ worden aangeduid. Alsof er zoiets als ‘lagere kunst’ zou bestaan. Sommige dingen behoren tot de kunst, de meeste dingen niet.

Het essentiële verschil tussen literatuur en lectuur, of in brede zin tussen kunst en weergave, is naar mijn overtuiging gelegen in het onderscheid tussen registratie en suggestie (of misschien nog beter: evocatie). Kunst heeft als bedoeling meer te geven dan waaruit het bestaat en waarbij dat extra bestanddeel liefst raakt aan het onwaarneembare. Kunst is daarmee per definitie persoonlijk, zowel in relatie tot de maker als in verbinding met de waarnemer.

Dit is zelfs van toepassing op een kunstvorm die gevoelsmatig erg dicht bij de waarneming ligt, namelijk de fotografie. Stel dat een fototoestel op een willekeurige plaats op een willekeurige tijd een foto zou maken, dan legt het resultaat zonder enige twijfel de op dat moment ‘geldende’ werkelijkheid vast. Er is echter geen mens die die werkelijkheid op dat ogenblik precies op dezelfde manier zal kunnen hebben waargenomen (of het moest een mens zonder enige associatie of aspiratie zijn). Zelfs in de quasi-objectieve waarneming bepaalt de mens zijn eigen compositie en filtering, juist op basis van wat men is, wat men heeft ervaren en wat men zou willen zijn. Dat betekent overigens niet dat ieder kunstwerk bij iedere beschouwer altijd iets oproept. Je hoeft geen Droogstoppel te heten om simpelweg geen gevoel te hebben voor muziek, kleur of vorm, aangezien een deel van het vermogen tot waarderen daarvan wordt meegegeven met de opvoeding. Vaak onbewust. Wanneer ik in mijn ouderlijk huis niet was omgeven geweest door een grote hoeveelheid boeken, had ik vermoedelijk minder snel een boek als artefact mooi gevonden en had ik mij wellicht bekeerd tot de e-reader. Ik houd het ook voor zeer wel mogelijk dat bepaalde teksten mij in het geheel niet aanspreken, ondanks mijn liefde voor de muzikaliteit en zeggingskracht van taal.

Evocatie lijkt niet het doel te zijn van de teksten in Plooi, de debuutbundel van Babeth Fonchie Fotchind:

(…)
ze zeggen dat het slechts is als een vrouw begeerten heeft, dat
de mijne onzuiver zijn en met lust kan de duivel het verstand ondermijnen
lust is wat wilde mensen wild maakt en beesten beestachtig

——————————-                                                   monstruositeit is verkeerd
——————————-                                                   geïnterpreteerd anders zijn

dan overgieten ze me met geitenbloed, dan wurgen ze de slang
en de slang spuugt gif, dan krijg ik het gif toegediend

———–                                                                               ik ril door het gif
———–                                                                              en probeer dit te stoppen
———-                                                                               door terug te denken aan
———–                                                                              mijn eerste keer met een vrouw

ze draaien me om, kleden me uit, stoppen een pikante peper in mijn achterste
tot enkel nog het steeltje zichtbaar is

———–                                                                                op een health blog las ik eens
———–                                                                                dat madame-jeanettes
———–                                                                                in je ochtendsmoothie verwerken
———–                                                                                een reinigend effect heeft

——                                                   —–een jongen
———-                                  –die mijn neef zou kunnen zijn
———–                          livestreamt bij wijze van voorbeeldfunctie
———–                                                 het spektakel

de medicijnman drukt as op mijn gezicht

———-                                                                                  ik vraag me af
———-                                                                                  welk ander lesbisch meisje
———–                                                                                 op zoek naar haar wortels
———-                                                                                –op dit erf is verbrand
(…)

[p. 27]

Madame Jeanette (Capsicum chinense) is een hete, gele chilipeper-cultivar die oorspronkelijk uit Suriname komt. Deze peper is zeer heet, 125.000 tot 325.000 op de Scovilleschaal. De smaak is enigszins fruitig en doet denken aan mango en ananas [Wikipedia].
Het fragment hierboven maakt onderdeel uit van een gedicht uit de reeks ‘couleur locale’ en geeft qua woordgebruik en bladverdeling een bruikbaar beeld van wat er nog meer in deze bundel te vinden is. Het gebruik van parlando (nogal eens in babbelmodus) en de reportage-achtige beschrijving van gebeurtenissen is eigentijds en zal het waarschijnlijk goed doen op bepaalde podia. De taal brengt de lezer echter nergens in verwarring, doet geen pijn, reikt niet naar meer en vooral buiten wat er staat. De teksten doen verslag van een ontwikkeling die biografisch zou kunnen zijn, maar die niet uitnodigt tot vragen stellen.

Wanneer noem je een tekst een gedicht? Wanneer de auteur de tekst presenteert als gedicht, moet ik als lezer dan daarin mee gaan of mag ik een reeks van criteria op de tekst toepassen en vervolgens besluiten of het voor mij al of niet om poëzie gaat? Voor deze lezer maakt het in feite niet uit, want hoe bewust ik mezelf ook wil openstellen voor een tekst, onbewust blijk ik toch op zoek naar de verwondering die taal in poëzie volgens mij moet hebben. Neem nu deze tekst, waarmee de bundel besluit:

vind ons hier

we spelen roulette met zaad uit een vooraanstaand
deens lab, het moest afkomstig zijn van een olijfkleurige italiaan
of een man met dubbelbloed, wit
en uiteraard zwart, we opteerden voor een spermarietje
met minstens tien miljoen actieve zaadcellen na ontdooiing
we verzochten om muzikaliteit en een hoog emotioneel quotiënt
verder hadden we weinig eisen

deze maand probeert mijn vrouw het, de andere
ben ik aan de beurt, de eisprongmelding
op onze telefoons heette ‘popcorn’, toen
kozen we er een die ‘optimisme’ heette
en daarna die met de naam ‘tikkende tijdbom’

we maken er iets romantisch van. honderd rode rozen
langs ons waterbed, klankschalenmuziek. zij
masseert mij, zegt ontspan zoals de huisarts
wanneer hij op het punt staat een eendenbek
in een schede te duwen. de vorige keer
dat we het probeerden vonden we
enkel kaarsen die op batterijen functioneerden
was dat een teken

nu hebben we
samen de kleur van de waist beads uitgekozen

dat hoort erbij

mijn vrouw doet de krans om mijn buik
het metaal van de sluiting voelt koud

dat hoort erbij
de kralen doen me denken aan vroeger
het land waar ik zelf ter wereld kwam

mijn moeder had vast ook zo’n krans

dat hoort erbij

mijn voorouders heb ik aangeroepen
een geloof gezocht waarin mijn vrouw en ik
geen zondaars zijn en de goden geprezen. met floridawater
heb ik onze slaapkamer gezegend

alles ligt klaar: de spuit met sperma en ik op mijn rug

mijn vrouw doet haar ringen af

[p. 80-81]

Het zou een ervaringstekst in de Libelle of misschien voor de vorig jaar gestopte Viva kunnen zijn en toch twijfel ik er niet aan dat er ook lezers bestaan die in deze taal meegaan zonder bezwaren of zelfs met enthousiasme, met de tekst instemmen zoals die zich aan hen voordoet en er mogelijk ook diepere lagen aan toeschrijven. Dan ben ik wel benieuwd naar de toelichting. Ik vind in de bundel van alles terug, maar geen poëzie.

Hoewel ik een uitgever inmiddels alles toevertrouw in diens pogingen om zijn waar aan te prijzen, maakt De Geus het in mijn ogen deze keer wel erg bont en bijna potsierlijk: ‘Ontroerende, scherpe en soms schrijnende versregels,’ laat hij Arthur Japin zeggen en uit de mond van Glenn Helberg (een Curaçaos-Nederlands psychiater en activist, werkzaam bij het Expertisecentrum Transculturele Therapie): ‘Deze bundel bevat zinnen die eeuwigheidswaarde hebben.’
En op de binnenflap: ‘ (…) Ze zoekt manieren om de lezer verder te laten kijken en het onzegbare toch onder woorden te brengen.’

Slecht gezocht of gewoon nog niet gevonden?
____

Babeth Fonchie Fotchind (2022). Plooi. De Geus, 83 blz. € 18,99. ISBN 9789044545388

Geplaatst in Recensies.