Dien L. de Boer – Vluchtstofgoud

Momenten van intens besef

door Jeanine Hoedemakers




Dien L. de Boer schrijft poëzie en organiseert Dichter op de Deel. Zij volgde de Akademie voor Expressie in Utrecht en studeerde Nederlands in Amsterdam. In 2014 debuteerde zij met de gedichtenbundel niet het moment maar het nagonzen.

‘Soms valt er door de kleine dakramen van een schuur zo’n typische streep zonlicht, die kan terechtkomen in een gedicht van Dien L. de Boer, zij woont en werkt in een stelpboerderij in Friesland (…)’. Met deze woorden vangt de tekst aan op de achterkant van Vluchtstofgoud. Daarnaast staat een foto van de dichteres. Over haar gezicht valt een streep licht. Dat dit geen toeval is spreekt voor zich. Dien L. de Boer debuteerde in 2014 met de bundel niet het moment maar het nagonzen. Volgens een korte omschrijving van deze bundel, op diezelfde achterkant van Vluchtstofgoud, is er sprake van een geslaagd debuut. Dit geloof ik graag. Ik ervaar alleen de titel al als zeer krachtig en overtuigend. Vluchtstofgoud is een titel die wat minder gemakkelijk bij me binnenkomt. Erg is dat niet. De gedichten gaan me vrijwel zeker anders naar de titel doen kijken. In feite komt het wat betreft de titels altijd goed. Voor in de bundel staat een overzichtelijke inhoudsopgave. Dan volgt, na een blanco bladzijde, een bijzonder treffend citaat van Marina Tsvetajeva: ‘Ik kreeg mijn vleugels toch om op te veren.’ Achterin de bundel, op pagina 68, staat vermeld, dat het een citaat is uit het gedicht ‘Oh liefde! Liefde! In ’t graf, in ’s levens krampen’ van de Russische dichteres Marina Tsvetajeva (1892 – 1941).

Van dit citaat word ik heel blij. Het is een citaat waar ik over na wil denken. Waarom laat je me niet wat vrijer, ik kreeg toch vleugels om op te veren, is één zo’n gedachte. Zodra ik de titel ‘tussenzusje’ lees van het gedicht dat de eerste serie opent, heb ik al een beeld van een pienter zevenjarig meisje dat veel opmerkt en registreert. In principe is dat vrijwel zeker beïnvloeding door het citaat. Of dit goed is of juist niet, laat ik in het midden. Waarom zou je gevleugelde vreugde ombuigen naar een soms dodelijke analyse? Bovendien merk je als lezer al snel dat het een zorgvuldig gekozen citaat is.

De gedichten in Vluchtstofgoud zijn onderverdeeld in vijf delen. Het eerste deel kreeg als titel ‘Zeven zijn’. Dat is precies waar de gedichten over gaan. In fijne, vaak herkenbare beelden en gebeurtenissen, schetst de dichteres hoe zij als zevenjarig meisje haar moeder, haar broers, de omgeving, het huis en zichzelf observeerde. Daar haar jeugd zich afspeelt in de jaren zestig, is het logisch dat ik het een en ander herken. Ook al speelde de jeugd van de dichteres zich af in Friesland en de mijne zich in Brabant, de invloed van bijvoorbeeld het geloof is voelbaar. Misschien ook het verschil in behandeling van de broers en de zusjes, iets wat vaak, zo niet altijd, samengaat met geloof.

broers

in de gang stinken zaterdags
de zweetsokken uit hun sporttassen

iedere stap die wij de meisjes zetten
voor het beeldscherm kan leiden

tot een sneer, ons schuurtje vangt
urenlang hun bal, op de schaal

van haar stem praat mijn moeder
met meer gewicht over de jongens

voetbal heerst bij wedstrijden over
de stoelen van de kamer op één rij

met mijn vader, van opspringen tot
de orgastische schreeuw bij een goal

Het gebruik van de komma’s valt op. Ze staan op precies de plekken waar je als lezer wel een bescheiden wegwijzertje kunt gebruiken. De dichteres, zo stel ik me voor, leest zelf al schrijvend mee en realiseert zich nu en dan dat misschien dáár toch wel een leesteken noodzakelijk is voor de leesbaarheid. Let ook op de regel ‘met meer gewicht.’ Voor mij is het is een regel, die het verschil in gewicht tussen jongens en meisjes welhaast voelbaar maakt. Een erg mooi beeld in de eerste strofe van het gedicht ‘omalaantje’ vind ik: ‘zomers nooit ’s winters / door het laantje dat uitliep / in haar jurk.’ Ook het gedicht ‘vadergum’ bevat prachtige beelden en toont een goed observatievermogen alsook schrijftalent. Dit gedicht werd eerder gepubliceerd in de bloemlezing Een vader als geen ander kind ooit had (uitgeverij Rainbow).

De tweede serie draagt als titel ‘volgende huizen.’ Als lezer begrijp je meteen dat het zevenjarig meisje ouder is geworden en toe is aan uitvliegen. Ik denk hier aan het eerder aangehaalde citaat voor in de bundel. De titel van het eerste gedicht; ‘vluchtvacuüm’ onderschrijft mijn vermoeden dat het geloof een belangrijke rol speelt in de jeugd van de dichteres. De eerste strofe van dit gedicht: ‘ik zag geen andere weg / dan weggaan op de gevleugelde / schoenen nooit meer / nooit meer’.

In de derde serie, die als titel ‘hoofdstad’ kreeg, vind ik het goud dat de titel van de bundel insloop.

goud

van buur-fietsbewegingen
en kattenloopjes weet je weinig
totdat het sneeuwt – die ene keer
zie je hoe ’s nachts de zoolkussens
en wielsporen hebben gekruist

van ondergrondse richtingen
merk je niets op straat, maar
ligt het asfalt open dan
schrik je je rot van het aantal
gekleurde en vertakte leidingen

er snellen metro’s, rommelt
derrie door de aarde in riolen
met een endoscoop kunnen artsen
in bloedvaten kijken, iedere
buitenkant heeft zijn binnenzijde

wat je niet ziet wordt soms
een gevaar, ook kan het afval
zijn samengeperst met verborgen
vergissingen om te stromen
als een ader van je goud

Een gedicht waarin de hoofdstad en Friesland lijken samen te vloeien. Een dichteres die zich volzuigt met ontdekkingen en beelden die uitgeplozen en/of genoteerd moeten worden om er vat op te krijgen, om uit te buiten, of wat dan ook. De dichteres ervoer misschien zelfs een cultuurschok. Ik geniet enorm van een regel als ‘wat je niet ziet wordt soms een gevaar’ en bij ‘iedere buitenkant heeft zijn binnenzijde’ kan ik het echt niet helpen dat ik even aan soortgelijke uitspraken van Johan Cruijff moet denken.

In de vierde serie, ‘nachtelijk netwerk’, lijken er veel gebeurtenissen en herinneringen uit het leven van de dichteres een plaats te krijgen. Ik baseer dit vermoeden enigszins aarzelend op o.a. het gedicht ‘moedergelach’ op pagina 51.

moedergelach

langer dan ik woonde in het huis
met de begonia’s, ga ik er op bezoek

de laatste meters met een huppelpas
en een lach alleen voor haar

de rollator losgelaten
grijpt ze me vast in de deuropening
intens mager, gekrompen

het voorbeeld dat ik moest ontvolgen
meisjes werden geplant in de schaduw
om daar klein te blijven

ik stap binnen, ze veert op
haar mond vol toen: schoon maakte ze
eten kookte ze vlug vlug snoeide ze de tuin
met bloei als beloning

ik werd een roos is een roos
die teruglacht van blad tot blad
uit een andere bloeitijd

Onmiddellijk valt mij de regel ‘een roos is een roos ’ op. Voor alle zekerheid lees ik de aantekeningen achterin de bundel er op na en jawel, deze regel is ontleend aan de regel: ‘ ‘A rose is a rose‘ in het gedicht ‘Sacred Emily’ van Gertrude Stein (1874 – 1946)’.
Ook de twee komma’s die als moeder en dochter tussen de woorden staan, ontgaan me niet. Niet zo mooi vind ik het woord ‘ontvolgen’. Het doet me aan onthaasten denken, een woord dat ik eveneens als een bedenksel ervaar voor iets waarvoor diverse, betere woorden zijn te vinden. Voor één keer, in een verder fraai gedicht, is het niet zo erg, ik aarzel zelfs of ik mijn opmerking niet gewoon zal schrappen, maar liever toch schrap ik lelijke neologismen.

De vijfde serie kreeg als titel ‘Friesland’. Het zou een gemis zijn geweest, als hier niet een serie aan was gewijd. Friesland hoort immers bij deze dichteres.

kind

druipend houdt hij een scherf omhoog uit de vaart
de rest van een rozepaarse schaal

een schilderij het brokkelgrijs inbegrepen
losgewoeld door zijn zwemtenen

hij legt het stuk naast de handdoeken
springt terug en terug, meer ringeloren uit het slib

en meer donkerblauw dat in gebroken letters
van de schotels spreekt

er is een ontdekker nodig om een schat op te duiken
tussen mij en het water rent de jongen

ik wist niet – voor hij bestond – dat geluk
hem nodig had om te worden opgediept

De laatste strofe vind ik in een woord geweldig! Het vat zo’n moment van intens besef samen en dit gaat zo vanzelfsprekend. Het stroomt me als vloeibaar goud tegemoet. Goud is eenvoudig te vinden in de bundel. Bij stof ligt dat wat ingewikkelder. Stof verspreidt zich nu eenmaal en het duikt op plekjes op waarvan je nooit gedacht had, dat precies daar een piepklein stofje (een inzicht bijv.) al die tijd al, ongezien lag te glanzen. Je vraagt je af waarom je er niet eerder keek. Als lezer denk ik nu bij de titel aan een combinatie van drie verschillende woorden. Alle drie komen ze voor in de bundel. Vlucht, stof en goud. Treffend staat het in het gedicht: ‘er is een ontdekker nodig (…)’. Dichters zijn ontdekkers, denk ik.

De titel zowel als het citaat, spelen een subtiele rol in het geheel. De dichteres verlaat het ouderlijk huis voor een ander, misschien beter leven. Ze doet stof op, keert uiteindelijk terug naar Friesland en beseft de waardevolle uitkomst van haar reis. Het ene gedicht is wat beeldender dan het andere, dat is juist goed. Niet alleen mensen kunnen elkaar naar voren schuiven, ook gedichten kunnen dat. Compact gezegd denk ik, dat deze dichteres nu weer thuis is. In Friesland, met diezelfde heldere inborst als die zevenjarige maar een hoop ervaringen en inzichten rijker. Ze is nu uitgerust met doorgeefkennis en voldoende stof voor meer gedichten die net als de poëzie in Vluchtstofgoud, uitnodigen tot ze meer dan eens te lezen.
____

Dien L. de Boer (2022). Vluchtstofgoud. Uitgeverij Palmslag, 70 blz. € 16,95. ISBN9789493245426

Geplaatst in Recensies.