Interview Romain John van de Maele

‘Bij het vertalen ben ik slechts de veerman die de overtocht van de ene naar de andere oever mogelijk maakt.’

door Paul Bezembinder

Voor de lezers die niet meteen weten wie Romain John van de Maele is, zou je jezelf kort willen introduceren? Ik vraag dat omdat de wijze waarop een schrijver zichzelf introduceert vaak meer zegt dan de formele auteursbiografie die veelal de opening van een interview als dit is. Hoe zou je jezelf positioneren en hoe hoop je dat de lezer je werk ziet?
Ik ben een introverte schaduwloper, en ik vermoed dat lezers die meer dan één gedicht van mij hebben gelezen, beseffen dat ik iemand ben die de stilte zoekt en nodig heeft. Dit betekent niet dat ik monastieke neigingen heb, want de volledige onderwerping aan een idee is voor mij meer dan één brug te ver.
In het verleden heb ik wel meermaals in gedichten sociaal protest verwoord, en dat lijkt misschien in strijd te zijn met mijn verlangen naar de luwte en de stilte. Zoals alle gevoelige mensen voel ik me echter betrokken bij het leed van de anderen, en ik heb altijd veel bewondering gehad voor de stellingen van de filosoof Levinas. Voorts ben ik sterk beïnvloed door de ethiek van Kant. Dat zijn allemaal dingen die onrechtstreeks mijn gedichten hebben beïnvloed, en die niet meteen opvallen. Wat wel opvalt, hoop ik, is dat ik absoluut ‘toegankelijk’ wil schrijven. Ik streef ernaar om inzichten en ervaringen met de lezer te delen, en wanneer ik daarbij gebruikmaak van metaforen, zijn die vaak door de natuur geïnspireerd.

Naast dichter en recensent ben je literair vertaler. Welke taal (of talen) staan centraal in jouw vertaalpraktijk?
Als vertaler heb ik een lange weg afgelegd. Ik vertaalde al gedichten toen ik nog middelbaar onderwijs volgde, en die werden soms opgenomen in het schooltijdschrift. Aanvankelijk vertaalde ik vooral uit het Frans en het Engels. Later zijn daar ook het Duits, het Deens, het Zweeds en het Noors bij gekomen.  Ik beperk mijn inzet niet meer tot poëzie, ook proza komt aan bod.

Als je moet kiezen, kies je dan voor auteurs die je inhoudelijk aanspreken of voor auteurs die je vertaaltechnisch interessant vindt?
Ook bij het vertalen staat communicatie voorop. Het is belangrijk dat de inhoud van een tekst correct wordt weergegeven. Dat daarbij al eens het ritme van de brontaal in het gedrang wordt gebracht, of binnen- en eindrijmen sneuvelen, vind ik minder belangrijk, al probeer ik zo dicht mogelijk bij het taalgebruik te blijven van de dichter die mijn aandacht heeft gewekt met een gedicht in een van de genoemde talen.
Vroeger heb ik ook gedichten vertaald op basis van een tussentaal – bijvoorbeeld oosterse gedichten op basis van een Engelse vertaling – maar dat doe ik niet meer. Ik weet immers niet of de tussentaal de brontekst bij benadering correct verwoordt en idiomatisch benadert.

Op welke schrijvers/dichters richt je je vooral? Er zijn dichters die me sinds jaar en dag boeien, zoals Emily Brontë, Edith Södergran, Tove Ditlevsen, Gustaf Munch-Petersen, Eva Strittmatter … andere auteurs heb ik pas later ontdekt – ik denk aan Karina Boye, Paul Zech, Else Lasker-Schüler … Het is echter even boeiend om gedichten uit het Nederlands in de vermelde talen te vertalen, en dat is vaak moeilijker dan zelf een gedicht schrijven in een van die vreemde talen. 

Dat is inderdaad een enorme opgave, de opgave om te vertalen naar doeltalen die niet je moedertaal zijn. Hoe zorg je ervoor dat je je gevoel voor de nuances in die vreemde talen bijhoudt, onderhoudt?
Woordelijk vertalen is onbegonnen werk, al gebeurt het wel eens dat ik een woord moet opzoeken. Dat is bijvoorbeeld de reden waarom ik in principe geen sonnetten vertaal. Daar telt elk rijm en is ook het metrum belangrijk. De oorspronkelijke tekst is het resultaat van bewuste keuzes uit veel evocatiemogelijkheden. Een vertaling, ook in het Nederlands, kan die specifieke kenmerken niet altijd gepast weergeven. Er werd me ooit gevraagd een Duitstalig sonnet in het Deens te vertalen, omdat in dat gedicht de geschiedenis van een Duits orgel in Denemarken werd samengevat. Ik heb die vraag afgewezen, en een min of meer bevredigende vertaling in het Nederlands heeft me veel moeite gekost. De originele versie en de vertaling zijn terug te vinden op de website van De schaal van Digther (22 september 2020).
Ik heb het geluk dat ik – o.a. beroepshalve – veel tijd heb doorgebracht in Engeland, Duitsland en Denemarken; ik heb daar niet alleen lessen en opleidingen gevolgd, ik was er ook aan het werk. Ik heb leren denken in volledige zinnen en alinea’s. Toen ik in oktober 1971 in Denemarken Deense literatuur en taal studeerde, werd ik ondergedompeld in het Deens, zowel tijdens de lessen als in mijn vrije tijd. Ik heb vergelijkbare ervaringen met het Engels en het Duits. Die ervaring vergemakkelijkt, globaal gesproken, het vertaalwerk, maar ik geef toe dat daardoor soms wel eens nuances minder sterk worden verwoord dan in de originele tekst. Maar ik vind troost in de Italiaanse uitdrukking: Traduttore, traditore … vertalen is verraden …

Ik kan me voorstellen dat het moeilijk is om je vertaalopvatting en je eigen poëtica los van elkaar te zien, zodat die dingen die je zelf in een gedicht belangrijk vindt als vanzelf ook in je vertalingen op de voorgrond treden. Is dat zo? Hoe bepaal je wat (beeldspraak, versvorm, rijm, ritme …) je bij een bepaald auteur in een vertaling van een gedicht laat prevaleren, dan wel hoe weeg je deze verschillende aspecten tegen elkaar af?
Eigenlijk heb ik me nog nooit met al die vragen op een theoretisch niveau beziggehouden. Als een gedicht mij geprikkeld heeft, ga ik met de brontekst aan de slag in de doeltaal waarin ik de oorspronkelijke tekst het gemakkelijkst kan vertalen. Sommige gedichten, zoals o.a. van Maurice Gilliams en Catharina Boer zijn als het ware geschreven om in het Duits vertaald te worden, en dat is een opgave die ik dan ook met plezier heb uitgevoerd. Soms ligt een Scandinavische taal meer voor de hand, omdat ik gelijkaardige gedichten gelezen heb in het Deens of het Zweeds en de lezing van die gedichten als het ware de vertaling van ‘verwante’ Nederlandstalige gedichten heeft voorbereid, zonder dat ik me daar toen van bewust was. Ik vermoed dat veel van mijn eigen werk trouwens sporen draagt van mijn Scandinavische en Duitse, soms ook Engelse leeservaring. Mijn moeder was van Engelse komaf, en in de jaren zestig heb ik veel tijd in Engeland doorgebracht, maar eigenaardig genoeg heeft de Engelse taal niet meer invloed gehad op mijn vertaalwerk dan de Duitse of Scandinavische poëzie. Dat besef ik nu plots wel door de vragen waar je mij mee confronteert.

Je zei ooit, in een eerder interview, dat jouw eigen werk precies in het patroon van indirecte communicatie kadert – en inderdaad zie je dat in jouw gedichten terug. Is vertalen voor jou ook een vorm van indirecte communicatie, een manier om via de stemmen van anderen iets in of van jouzelf zichtbaar te maken?
Op jouw vraag kan ik alleen bevestigend antwoorden. Wanneer je gedurende tientallen jaren elk vrij ogenblik gebruikt om te lezen, zowel vakliteratuur als proza en poëzie, weet je niet altijd meer waar zich precies de scheidingslijn bevindt tussen je eigen en door lezing verworven beelden. Als lezer/dichter word je onvermijdelijk een medespeler in de wisselende ploegopstellingen van de West-Europese literatuur en cultuur. Je beseft steeds meer dat je voorzichtig moet zijn met het gebruiken van waardeoordelen als uniek. Vaak verwoorden andere dichters beter dan ikzelf wat me bezighoudt, en wanneer ik een gedicht lees dat in dat kader past, dan voel ik meestal vrij snel dat het de moeite loont om het te vertalen. Je kan het vertaalwerk dan ook als een vorm van indirecte communicatie beschouwen. Bij het vertalen ben ik slechts de veerman die de overtocht van de ene naar de andere oever mogelijk maakt.

 

***

 

De Veerman. (The ferryman. Der Fährmann. Færgemanden.) Tijdschrift voor West- en Noord-Europese literatuur en kunst. Samenstelling en redactie Romain John van de Maele. Soms worden de teksten in het tijdschrift in meer dan één taal opgenomen, soms alleen in de oorspronkelijke taal; tenzij anders vermeld, zijn de vertalingen van de hand van Romain John van de Maele. Een gratis abonnement is aan te vragen via romain.vandemaele[at]gmail.com.

 

Gedichten

Madonna met kind

Plots bleef de trein naar Dresden staan,
zoals zo veel andere treinen in die dagen.
De aarde was al lang wakker geschud,
en de spoorstaven verweerden zich tegen

de onzichtbare hand van de wraak.
De lucht dreigde bijbels rood en zwart,
het was geen voor- of middenspel, maar
het eindspel dat in metalen vogels

de nederlaag bominslag na bominslag
dichter bij bracht. Hij nestelde zich
in de warme zijde van grootmoeder,
zijn madonna in dagen van angst.

Niet op een eikenhouten paneel
maar op zijn netvlies leeft nog steeds
een madonna met kind, ontsnapt
aan de waanzinnige bommenregen.
Een bezoeker groet de meesters

Dag meisje met de parel.
Dag zwijgzame meester,
die het meisje heeft geschilderd,
en dag meester-vervalser,
die de zwijgzame meester
onbekend werk heeft geschonken.

Dag kenners, die het nieuwe werk
van de zwijgzame meester
hebben ontdekt en erkend.
Dag bij de neus genomen kenners,
de werken van de zwijgzame meester
geven hun vele geheimen
maar langzaam prijs.

Het meisje met de parel
glimlacht om zo veel gekrakeel.
Het blauw van de parel in haar oor
verraadt na honderden jaren
meer dan het handschrift
van de zwijgzame meester,
die in stilte naar de meisjes keek,
en met trage hand langs doeken streek.
Langs het pad der traagheid

Nu eens vink, dan weer valk,
zingt hij de dagen wakker
of overvalt de aarzelende
hazen. Zonder talmen

richt hij zich op zijn prooi,
of aanbidt hij de zon.
Eksters ruziën om een
verkeerd woord en stelen

uit vreemde nesten, verjagen
de stille zanglijster uit heg
en vlierboomstruik. Maar
geen vogel vliegt uit

naar de ongekende velden
voorbij het laatste nest.
Zwijgen kan verbeterd worden.
Maar soms volstaat een echo.
De weerbarstige woorden

Voor Bert Kooijman, bij zijn negentigste verjaardag

De weerbarstige woorden strikken,
stroper tegen wil en dank.
Maar wie zal de lettergrepen
op de tong laten smelten
en het ongewone lied als
een apocrief gebed voor gevorderden
aan de tijd en bloemlezers toevertrouwen?

In het struikgewas wonen tovenaars
noch elfen die het zullen begeleiden.
Maar in een verre archipel wacht
een voor altijd jonge moeder,
en zij hoort dat het goed is.
Op haar zwijgende lippen
bloeit een bloem om de wonde te helen.

 

Geplaatst in Interviews.