Margriet van Bebber – het blauwe uur

Het alledaagse vanuit een andere hoek beschreven

door Wim Platvoet




De dichtbundel het blauwe uur van Margriet van Bebber bestaat uit gedichten die zij de afgelopen jaren heeft geschreven. Volgens de site ikwilschrijven.nl is zij een ‘Ervaren schrijfdocent in o.a. creatief schrijven, poëzie, schrijfcafé en levensverhalen. Specialist in schrijven op locatie.’ Sommige gedichten uit haar nieuwe bundel zijn elders gepubliceerd of door een jury geselecteerd voor een prijs. Veel van haar gedichten hebben een aanleiding: een gebeurtenis die ze heeft waargenomen of zelf heeft meegemaakt en zich herinnert, of een plaats, zoals het gedicht ‘van een vrouw de toren’, dat is ontstaan tijdens een verblijf in een biosfeereservaat in Noord-Karelië, Finland. Enkele gedichten zijn op een openbare plek gepubliceerd. Dit alles is te vinden in de ‘Aantekeningen’ achter in de bundel.

Het realistisch karakter van de gedichten is al direct in het eerste gedicht aanwezig. ‘Het was op een dinsdag’, schrijft ze in het openingsgedicht ‘een gewone dinsdag’, en enkele regels verder kunnen we lezen: ‘ik was net twee jaar / toen het schot klonk / dat kun je niet meer weten / ik weet nog heel goed dat / buurvrouw buiten stond te gillen’. In het tweede gedicht, ‘1953’, staat: ‘vandaag is zondag (…) / er is iets ergs gebeurd’. Margriet van Bebber wil met haar gedichten gebeurtenissen of plaatsen voor zichzelf weer tot leven brengen. Het vierde gedicht heet ‘Openluchtzwembad Zuiderpark’ en er is een gedicht met de titel ‘Kamperbinnenpoort’. In die zin zijn haar gedichten erg persoonsgebonden, hebben een mededelingskarakter over triviale gebeurtenissen en weten dit gegeven meestal niet te overstijgen. Ze gaan over de ‘de algemene ledenvergadering van de vve’ en vertellen ons ‘wij gingen in U. naar het verjaardagsfeest van C. / waar Yentl & De Boer optraden / wij gingen niet naar de verjaardag van W. die / de dag ervoor liet weten dat hij niks meer wilde / wij zagen nog een film en memoreerden / dat we al elf jaar van de drank af waren’. Wie dit een gedicht vindt mag het zeggen. Deze persoonlijke ontboezemingen sluiten aan bij de hedendaagse tendens je eigen ervaringen voor dat wat je te vertellen hebt als uitgangspunt te nemen. Margriet van Bebber zet haar gedichten soms zelfs in om te zwijgen.

afscheid

vandaag zwijgen wij over het land
waar je zoon woont
het regime daar
de reden van zijn overhaast vertrek

wij vermijden te spreken over vrienden
die niet op kraamvisite kwamen
die geen vrienden meer zijn
de inhoud van de kaartpot
die werd teruggestort

wij zwijgen het kind dood
dat ‘niet helemaal goed’ was

vandaag spraken wij over
hoe een stropdas te strikken

Alledaagse gebeurtenissen worden op een zeer realistische wijze beschreven en krijgen zo een enigszins absurdistisch karakter. Soms slaagt ze erin via een alledaags woord de meest uiteenlopende ervaringen met elkaar te verbinden, zoals in het gedicht ‘spelen’: ‘ik speelde visje met Jantje, dan was / ik de vis (…) / ik zat op het schellinkje niet te snappen / wat ik zag, ik zag Antigone en Spoken / speelde toneel in Alleman, ik speelde meisje’. Verbeelden speelt ook een belangrijke rol, zoals in het gedicht ‘Van een vader, het beeld’, dat eindigt met de regels: ‘Het beeld denkt hoe het moet zijn. / het hakt zich een kinderleven door het steen.’ Zo ook in het gedicht ‘nabeelden’, dat zoekt naar ‘een bewaarplaats voor nabeelden’, ‘een bewaarplaats / voor vergane gebaren’. In het gedicht ‘eerste buitenland’ beschrijft ze wat ze meemaakt, maar het gedicht eindigt met de regels: ‘later kun je niet verklaren waarom / en hoe je het deed’. Eenzelfde beleving is aanwezig in het volgende gedicht:

medewerkster linnenkamer

‘affiniteit met de ouder wordende mens’
stond in de advertentie
nog geen ouder wordend mens gezien
36 gordijnen heb ik gezien
terug uit de wasserij
moet de haken er weer aan zetten
of toch: één ouder wordend mens gezien
mevrouw Troost van de derde
die was hier beneden aan het dwalen
de rol koekjes die ze me toestopte
gauw in mijn locker gestopt
ik krijg op mijn lazer als de teamleidster
dat merkt: ‘die houden ze soms
wekenlang in hun bed, dat is vies:
altijd meteen weggooien’
mooi niet, ze zitten goed verpakt
ze zijn nog niet over de datum
de bewoners, die zijn over de datum
van de adjunct mag ik voor de afwisseling
naamlabels in doodshemden naaien
vier gordijnen op één doodshemd

In het gedicht ‘settelen’ lezen we: ‘de toegang tot het appartement / zit strak in de verf / glas-in-loodramen zijn in originele staat / teruggebracht, net als de schouw’ en zo kabbelt het gedicht voort. De observaties zijn soms scherp verwoord. Wie daarvan houdt kan aan deze bundel veel plezier beleven. En soms nieuwe woorden tegenkomen: ‘cacofobie is een woord / voor angst om lelijk te zijn / en voor lelijkheid in het algemeen (…) sjostygg is een Noors woord / voor iemand die zo lelijk is / dat – als hij aan de kust staat – / de vloed weigert te komen’ heet het in het gedicht ‘lelijk’, dat alleen maar gaat over het woord ‘lelijk’, maar helaas niet over het verschijnsel lelijk.
‘iemand onthulde op tv zijn fascinatie / voor onbewuste achterhoofden’ heet het in het gedicht ‘fascinatie’. Misschien is dit de fascinatie van Margriet van Bebber: dat wat zich onbewust in haar achterhoofd bevindt, of het nu iets absurds, iets volstrekt gewoons of iets verschrikkelijks dat ooit gebeurd is bewust maken door middel van schijnbaar tamelijk gewone, alledaagse dichtregels.
In het slotgedicht ‘ik nader het blauwe uur’ kunnen we aan het slot lezen: ‘mogen mijn slapen bonzen / mag ik ademhalen’. Vanwege het soms al te persoonlijke mededelingskarakter van de achter mij liggende regels, ervaar ik deze laatste regels als een verzuchting.

____

Margriet van Bebber (2022). het blauwe uur. Uitgeverij U2pi, 94 blz, € 15, ISBN 9789493299016

Geplaatst in Recensies.