Elvis Peeters – Ontwrichte gedichten

Ingezonden mededelingen

door Hettie Marzak




De nieuwste bundel van Elvis Peeters, Ontwrichte gedichten, is een klein, mooi verzorgd boekje waarin sommige letters uit het lood staan, scheef of ondersteboven en waarvan de nummers van elke oneven pagina in spiegelschrift zijn afgedrukt, om de betekenis van de titel visueel te maken. Maar de gedichten mogen dan ontwricht zijn, ontwrichtend zijn ze nergens. Ze schuren niet, bijten niet, ontroeren niet, zetten niet aan tot overdenking en doen niets van alles wat je van een gedicht verwacht. Het enige dat ze doen is zichzelf bevragen middels een vraag- en antwoordspel, dat voor een dialoog zou kunnen doorgaan als het om personen ging. De vragen die gesteld worden, gaan over taal en het feit dat gedichten ‘anders zouden moeten’ zoals in het eerste gedicht te lezen valt. De niet gestelde vraag die daar ogenblikkelijk bij oprijst is: geldt dat voor gedichten in het algemeen of alleen voor die van Peeters zelf?

Het gedicht moet anders

Anders dan alle vorige gedichten?
Of anders dan de werkelijkheid?
Anders dan de taal?
Zeg het.
Het moet verbeelden.
Hoe? Verbeelden uit de taal?
Uit de werkelijkheid?
Welke werkelijkheid?
Die van de taal?
Die van de schrijver?
Die van de lezer?
Die van de werkelijkheid.
Kun je uit de werkelijkheid?
Uit de taal?
De taal geeft niet.
De werkelijkheid wel dan?
Voor zover ze gedicht is.

Dit lijkt op een werkcollege literatuur van eerstejaars. Het zijn mededelingen en notulen die in een vorm gegoten zijn. Maar alleen de vorm maakt nog geen gedicht. Er is geen sprake van muzikaliteit, ritme, er is nauwelijks beeldspraak, er zijn geen dubbele bodems. Ook de gedichten met de titel ‘Sonnet’ zijn geen sonnetten. Er wordt wel gebruik gemaakt van woordspelingen zoals bijvoorbeeld de titel van het gedicht ‘Men taal’. De poëzie van Peeters doet denken aan Schierbeek en Schippers, maar zonder hun humor of spitsvondige zwenkingen.
Peeters heeft het vooral over de onmacht van de taal om iets uit te drukken. Dit komt tot uiting in de tegenspraak die de gedichten kenmerkt, de omkering van de beweringen en de paradox. Ook seksualiteit speelt een grote rol, waarbij ondergoed en de geur daarvan verschillende keren ter sprake komt. Sommige gedichten beginnen aardig, maar de nietszeggendheid en de leegte van de zinnen overheersen tenslotte toch:

Na de overwinning

Daar staan ze, voor een foto
in de kleuren die hen passen.
Ze willen een regering vormen.
Ze kijken hoe de kat uit de boom valt,
hoe de aap uit de mouw komt,
hoe de vork aan de steel zit.
Een prikt de kat met de vork,
een knoopt de mouw aan de boom,
een steelt de kat van de aap,
een aapt de boom na.
Ze vormen samen een regering.
Op de foto is het niet te zien.

De dichter is de ‘meester van de woorden, / maar de taal laat dit koud.’ zegt Peeters in ‘Het woord van de dichter’. Het gedicht heeft een eigen wil en de dichter is slechts een aangever van woorden. Maar als de taal de dichter de baas is en de dichter niet bij machte is die te temmen, ontstaan er gedichten die zich niet onderscheiden van de poëmen die tijdens het programma Candlelight werden voorgelezen:

Halverwege het leven

Zoveel wonden geslagen
—-Zoveel pijn geleden
———– Nu sta je daar

Nooit ben je klaar

—-Zoveel pijn vermeden
Zoveel leed om te dragen

Zoveel wonden geslagen

Er is nog altijd hoop op de mogelijkheid dat dit gedicht ironisch of parodiërend bedoeld is. Verschillende gedichten wekken het vermoeden dat deze bundel misschien één grote grap is, temeer omdat het allerlaatste gedicht de titel ‘Totaal witte pagina’ heeft en dat ook is.

Na dit laatste ‘gedicht’ volgt er in dertien korte hoofdstukken een merkwaardig ‘Toegevoegd proza’ waarin de dichter zijn poëtica uiteenzet en toelicht. Deze toevoeging heeft het karakter van een apologie; dit zou niet nodig hoeven zijn als de gedichten voor zichzelf konden spreken, maar dat kunnen ze blijkbaar niet. Volgens Peeters moet een gedicht centraal staan als levende entiteit en gebruikt het de dichter als medium. Hij stelt vast dat niet alleen zijn gedichten, maar ook de poëtica ontwricht is: ‘De gedichten doen een beroep op de poëzie, terwijl ze die verwerpen. Ze zoeken in de poëzie naar een manier van communiceren hoewel ze communicatie wantrouwen. (…)’. Het gedicht ontwerpt ook een lezer: ‘De dichter is een slachtoffer van de taal. De lezer is zijn medeplichtige en beul’. Voor het laatste zou nog wel iets te zeggen zijn, maar als het gedicht zichzelf schept, zoals Peeters beweert, en ‘de ontregeling van alle zinnen’ als doel heeft, dan betekent dat tevens dat de dichter zich aan alle verantwoordelijkheid kan onttrekken en zich kan verschuilen achter het gedicht.

Peeters verliest zich hier in de metafysica van de poëzie, het wezen van de gedichten en wat daar achter zit, maar hij ziet geen kans om uit zijn zelfgeschapen doolhof van woorden te komen: ‘Dat vereist een schizofrene schrijfact, het voorwenden niet te schrijven wat je schrijft, maar het door de lezer wel zo laten lezen.’ Waar de gedichten beperkt bleven tot algemeenheden en registraties als mededelingen en omschrijvingen, daar ontwikkelt het proza zich als mystieke codetaal. Geen van beide overtuigen, het blijven lege woorden zonder betekenis. ‘Het gedicht heeft GEEN armen, geen handen, geen voeten, geen hoofd, geen bloedsomloop, noch een steel, een handvat, een draagriem, een lens, een haak of een oog.’ Maar de zeker zo belangrijke vraag wat het dan wel is, wordt door Peeters niet beantwoord. Dat stond het gedicht hem wellicht niet toe.
____

Elvis Peeters (2022). Ontwrichte gedichten. PoëzieCentrum, 74 blz. € 19,99. ISBN 9789056553302

Geplaatst in Recensies.