Paul Demets – De hartvinger

Het opheffen van dualiteit

door Douwe Wilts




In De hartvinger onderzoekt de Vlaamse dichter Paul Demets zijn verhouding tot het oeuvre van schilder Raoul de Keyser en zijn eigen poëtica. Dit doet hij aan de hand van wat de Franse Filosoof Jacques Derrida het parergon noemt: de ruimte tussen woord en beeld.

Als motto heeft Demets gekozen voor een uitspraak van De Keyser (pagina 3): ‘Als iemand me zei dat die lijn de krijtlijn op het voetbalveld was, dan zei ik dat het iets anders was. Als iemand me zei dat het iets anders was, zei ik: het is de krijtlijn op het voetbalveld. Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.’ Dat motto is wat mij betreft uitstekend gekozen.

Het komt al vanaf de eerste afdeling, getiteld ‘Krijtlijnen’ tot uiting. Deze afdeling bestaat, net als alle andere afdelingen, uit zeven genummerde titelloze gedichten. Het voetbalveld en wat daarop en daaromheen gebeurt lijkt, in ieder geval qua beeldtaal centraal te staan in deze afdeling. En toch speelt er meer. Dat bespreek ik aan de hand van het eerste gedicht van de afdeling (pagina 10). Ik zal het hieronder volledig citeren en er daarna een beschouwing aan wijden.

We praten in abstracte klanken en kennen
er betekenis aan toe. Het zijn geen gebeden
die we prevelen, het is de mist die uit de grond

komt en ons doet verstommen. We zijn
het noorden niet kwijt, maar we oriënteren ons
aan de hand van de hoeken. Zij bakenen het veld af,

treinen denderen voorbij. Ze sluiten een pact
met iedereen die dezelfde kleuren als zij draagt.
Ze vormen een rij als korenaren en vegen

in groep het enkelvoud uit. Ze hebben veel bekijks.
De palen lijnen af, de lucht is vuil. Wij, de tegenstanders,
weten beter. We denken veel tegen te houden.

Maar valt de bal juist, dan verliezen we onze zinnen.

De eerste strofe verraadt al dat het in dit gedicht vermoedelijk om meer dan alleen voetbal gaat. Een groep die in dit gedicht wordt aangeduid als we/wij spreekt in abstracte klanken en kent er betekenis aan toe. Die groep prevelt geen gebeden, maar het is de mist uit de grond die hen doet verstommen. De mist lijkt er voor te zorgen dat de groep zijn oriëntatie, zijn noorden kwijt is. De groep oriënteert zich daarom aan de hand van de hoeken. ‘Zij bakenen het veld af (…)’ staat er. En daar gebeurt iets interessants. Het zijn namelijk niet alleen de hoeken die het veld afbakenen; de zin loopt namelijk door in de derde strofe. In de eerste twee regels van die derde strofe staat ‘(…) ze sluiten een pact / met iedereen die dezelfde kleuren als zij draagt.’ Er komt hier dus een tweede groep om de hoek die wordt aangeduid als ze/zij. De tweede groep vormt een rij als korenaren en veegt met veel bekijks het enkelvoud uit. De groep ‘wij’ nu ook aangeduid als ‘de tegenstanders’ weet beter en denkt veel tegen te houden. Als de bal voor de groep ‘zij’ goed valt verliest de groep ‘wij’ zijn zinnen; en het is die groep die in de eerste strofe in abstracte klanken spreekt.

In de aantekeningen (pagina 73) die achter in de bundel zijn opgenomen gaat Demets in op de betekenis van de afdeling ‘Krijtlijnen’. Dan blijkt dat het niet alleen verwijst naar de fascinatie van De Keyser voor het lijnenspel van het voetbal en de man die de lijnen kalkte, maar ook naar de veroordeling van de Vlaamse partij het Vlaams Blok en het succes van het Vlaams Belang, de naam die de partij aannam na de veroordeling. Het zou goed kunnen zijn dat het Vlaams Blok en later het Vlaams belang, een partij met een nationalistische inslag zorgt voor de mist die ‘(…) ons doet verstommen’. De groep ‘zij’, ook wel het Vlaams Belang, bakent het veld af en sluit een pact met iedereen die dezelfde kleuren draagt als zij.

Op die manier krijgt het gedicht een diepere betekenis; al wil ik wel opgemerkt hebben dat het eigenlijk niet nodig zou moeten zijn dat een dichtbundel van verklarende aantekeningen wordt voorzien.

Erg interessant vind ik ook de vijfde afdeling van de bundel, getiteld ‘Verschuivingen’. Met name het vierde gedicht daarvan spreekt mij aan. Demets verwijst daarin naar het schilderij Oost van Raoul de Keyser uit 1992. Het gedicht staat op pagina 45. Ik zal het hieronder eerst volledig citeren. Daarna zal ik een poging doen om het te analyseren.

Afgetekend tegen de lucht: frontaal treft
jou de schaduw van de apenverdriet.

Kunnen vlekken tot leven wekken,
die vingers in het blauw, gekarteld?

De hartvinger zoekt de kortste weg.
Hij jaagt het bloed in de dingen.

Nu nog voorvoelt hij alles, kloppend,
ontdoet zich als de wind valt

van het geruis. Het wordt door zijn
aanwezigheid overschaduwd.

Het zuigt bloed, staat op het punt
om uit te breken, maar luwt.

Allereerst spreekt de schaduw van de apenverdriet tot mijn verbeelding. Het geeft het gevoel dat het om een ruw verdriet gaat dat dicht bij ons oerinstinct staat. Dat gevoel wordt nog eens versterkt door de hartvinger die de kortste weg zoekt, die het bloed in de dingen jaagt. ‘Nu nog voorvoelt hij alles (…)’ zo staat er aan het begin van de vierde strofe. Het gebruik van ‘nu nog’ doet vermoeden dat het voorvoelen wellicht binnenkort ten einde komt. Het zet een kentering in het gedicht in gang. Als de wind valt ontdoet hij zich van het geruis en het geruis wordt door zijn aanwezigheid, de aanwezigheid van de hartvinger, overschaduwd. Het geruis zuigt bloed uit de hartvinger en staat op het punt om uit te breken, maar uiteindelijk luwt het, gecontroleerd door de hartvinger.

En daar zit dus de spanning. Het bloed wekt de blauwe vingers tot leven. Het bloed klopt en ontdoet zich van het geruis, maar het bloed ruist zelf ook. ‘(…) Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.’ (Pagina 3.)

Aangrijpend vind ik ook de zevende en laatste afdeling, getiteld ‘Einden’. Paul Demets heeft tussen 2000 en 2005 geregeld met Raoul de Keyser gesproken. Meestal wilde De Keyser het niet over zijn werk hebben noteert Demets in de tekst ‘In de tussenruimte’ (pagina 68) die daadwerkelijk tussen de gedichten en de aantekeningen is gepositioneerd. In de aantekeningen (pagina 77) schrijft Demets dat De Keyser nu en dan toch iets los liet over zijn werkwijze. Een deel van deze citaten heeft Demets meegenomen in deze afdeling. Demets onderzoekt in deze afdeling hoe zijn eigen poëtica zich tot het werk van De Keyser verhoudt. Daarnaast verwijst de afdeling ook naar de aanslagen op de Twin Towers in New York en naar de nasleep daarvan. Die combinatie levert schitterende poëzie op. Als voorbeeld daarvan zou ik het vijfde gedicht (pagina 62) volledig willen citeren.

Koffie, radiomuziek.
De onvolkomenheid der dingen,
zoals hun geuren.

We moeten retoucheren
wat is opgezogen in het beeld.
‘Dus moet ik aanvullen wat
verdwenen is. Een oefening
in aanzuiveren van lijnen en vlakken.’

Het beeld niet wantrouwen,
maar je ervan afkeren.

Er is koffie, er is radiomuziek. Tot zover is er niets aan de hand. En toch is het allemaal onvolkomen. Want wat is opgezogen in het beeld moeten we retoucheren. Dat roept direct associaties op met de Twin Towers die na de aanslag op 11 september 20o1 uit het beeld zijn verdwenen. Een schilder kan in zijn werk die lijnen en vlakken aanvullen, het afgebrokene weer heel maken; al is het schilderij per definitie onvolmaakt. Toch moeten we dat beeld niet wantrouwen; het is immers een spiegel van wat er gestaan heeft. We moeten er ons daarom van afkeren. Wie voor de spiegel staat, staat tegenover zichzelf.

Het is het beeld van de Twin Towers en het is niet het beeld van de Twin Towers. Je vormt je spiegelbeeld en tegelijkertijd vorm je je spiegelbeeld niet, maar wordt je spiegelbeeld gevormd door de spiegel. ‘(…) Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.’ (Pagina 3.)

Met De hartvinger heeft Paul Demets een weergaloze poging gedaan om die dualiteit op te heffen. En dat gevoel stroomt nu, vier weken nadat ik de bundel voor de eerste keer gelezen heb, nog steeds door mijn lichaam, het gonst in mijn hoofd, het heeft zich in de bodem van mijn ziel genesteld.
____

Paul Demets (2022). De hartvinger. PoëzieCentrum, 78 blz. €21,99. ISBN 9789056553203

Geplaatst in Recensies.