Ingmar Heytze – Met wat geluk

Voorzichtig optimisme

door Hettie Marzak




De titel van de nieuwe en twaalfde bundel van Ingmar Heytze, Met wat geluk, is een zin die door iedereen zelf aangevuld kan worden. Heytze zelf lijkt gekozen te hebben voor ‘met wat geluk slaan we ons er wel doorheen’ vanuit het optimisme dat zijn poëzie kenmerkt. Dat geluk hebben we nodig, zegt Heytze, nu de wereld erger dan voorheen gebukt gaat onder oorlog, hongersnood, natuurrampen en angst voor de toekomst. Niet het Grote Geluk dat zich altijd ver aan de horizon ophoudt, maar het kleine geluk dat voor iedereen onder handbereik ligt in het dagelijkse leven. De dichter heeft het geheim daarvan gevonden, maar mag dat aan niemand doorvertellen: ‘Het is mijn plicht om alle geluk van de wereld geheim / te houden op straffe van het verdwijnen ervan’. Dus zullen we het zelf moeten proberen te ontdekken, om te beginnen in deze bundel.

Wanneer heb je geluk het hardste nodig? Niet als je gelukkig bent, want dan besef je het niet, zoals Heytze vaststelt in ‘Droomhuis’: ‘Dit is het huis waarin ik wakker lag / en dacht dat ik nooit meer gelukkig zou zijn / terwijl ik het was – en ik wist het niet.’ Pas bij ellende en ongeluk, dan moet het geluk een handje helpen. Om door de coronacrisis te komen bijvoorbeeld, waar Heytze een aantal gedichten aan gewijd heeft. Nu corona zich niet meer zo evident manifesteert, zijn die gedichten niet meer zo invoelbaar; de pijn om de anderhalvemeterafstand is alweer verzacht en verdwenen. De gedichten drukken niet langer urgentie uit, we willen de lockdown zo snel mogelijk vergeten en de gedichten laten daardoor niet meer dezelfde indruk achter als ze deden toen corona nog volop rondwaarde.

De dood is een ander verhaal, want we krijgen niet de kans om die te vergeten. De bundel is opgedragen aan de vader van de dichter, die dit jaar op 89-jarige leeftijd overleed. Het prachtige, lange prozagedicht ‘Brief uit het rijk van halve wezen’ begint met de zin: ‘Nu mijn vader dood is, woon ik in een ander land.’ Deze metafoor wordt doorgetrokken met de dichter als reisleider die verhaal doet van het sterven van zijn vader, de afwikkeling van de formaliteiten die daarmee gepaard gaan en hoe hij zich voelt nu alles voorbij is: ‘-alsof ik de eerste ben, de enige, alsof me iets unieks / is overkomen, alsof niet bijna iedereen al in dat land is komen / wonen, glimlacht bij mijn doodvermoeiende verhaal, hun geduld, / de kalme gratie waarmee ze me maar laten praten zoals zij ooit / moeten hebben gepraat toe zij arriveerden in het rijk van halve wezen.’

Heytze is op zijn best als hij de onderwerpen dicht bij zichzelf houdt en put uit zijn dagelijkse leven, met zijn vrouw en dochters, vrienden, vader en moeder. Dat levert de mooiste gedichten uit deze bundel op:

Mijn vriend en ik

Een van mijn vrienden lijkt op mij.
Wij kregen louter dochters, blij
dat het geen zonen zijn.

Ik vocht alleen tegen mezelf,
hij sloeg kroegen kort en klein.
‘Waarom,’ vroeg ik. ‘Omdat ik
zo vaak won,’ zei hij.

Ik word voor zacht en goed versleten.
Mijn vriend weet beter. Hij sloeg
naar buiten, ik naar binnen.

Heytze schrijft geen opzienbarende, wereldschokkende gedichten, maar ze bieden herkenning en troost voor iedereen die zich wel eens in eenzelfde situatie heeft bevonden. En omdat Heytze het zo gewoon houdt, slaat dat op ons allemaal. Bovendien is zijn altijd aanwezige optimisme een welkome eigenschap, die ook weer niet zo ver gaat dat alles gebagatelliseerd wordt. Verdriet en leed bestaan weliswaar en worden niet minder door optimistisch te zijn, maar de niet af te wenden voortgang van het leven wordt daardoor wellicht wat beter te dragen. We moeten verder, of we willen of niet, en we kunnen er alleen maar het beste van proberen te maken, lijkt Heytze te zeggen. Daarom beschrijft hij kleine geluksmomenten, zoals het fluiten van een vogel, het opkomen van een herinnering, die het leven dragelijk maken.

Foutmeldingen

Vandaag zie ik in alles poëzie, of ik nu wil of niet:
‘De opgevraagde pagina probeert een omleiding naar zichzelf
uit te voeren, waardoor een oneindig proces kan ontstaan.’

Als ik dat lees, ben ik opeens zo vreselijk, belachelijk
Alleen in het heelal. Terwijl: wat is er helemaal aan de hand.

Ik klap de laptop dicht en blader door een krant:
‘Het meisje van Yde, tweeduizend jaar geleden gewurgd,
Komt in Assen tot leven in een gouden hologram.’

Daar kan ik om snikken. Ik ben ook moe, zeg ik erbij.
Maar niemand vraagt om mijn ontroering, zeker het meisje
van Yde niet. En het heelal, vrees ik, laat alles koud.

Mijn moeder zegt dat ik voor het geluk geboren ben.
Daar hou ik me aan vast.

Maar ook het geluksgevoel van Heytze wordt begrensd door de ons omringende werkelijkheid. Zijn positieve houding laat altijd nog ruimte open voor twijfel, voor de angst dat het kwaad in de wereld misschien toch sterker is dan wij. Het is juist dit vage onbehagen en het besef die Heytzes gedichten optillen naar een hoger niveau; zonder die onrust zou de humor in zijn poëzie verworden tot louter lolligheid en dat is gelukkig beslist niet het geval.

Het ongeluk

Het ongeluk heeft hoeven, veren, schubben
en een vacht. Het lekt urine op het zeil,
breekt armen, enkels, sleutelbenen.

Het werpt ons af. Het spint bij elke nieuwe val,
springt midden op de weg, laat ons met liefde
falen voor de elandproef,

het vouwt ons keurig om gereedstaande bomen.

Het heeft scherpe tanden en bijt, wanneer
het bijt, in hoofdzaak mannen –
vrouwen werpt het liever af.

Het ongeluk heeft nauwe banden
met de zwaartekracht. Het bestaat
voor drie procent uit dier
en voor de rest uit wat je niet verwacht.

Heytze heeft talloze verwijzingen binnen de literatuur aangebracht in zijn gedichten. Prettig is dat hij in de ‘Aantekeningen’ achterin de bundel tekst en uitleg geeft van de aanleiding tot het schrijven van een gedicht, wanneer en waar het al eerder gepubliceerd is en waar hij zijn inspiratiebronnen vond. Ook vertelt hij iets over de achtergrond van de onderwerpen die hij gekozen heeft en licht hij vreemde woorden toe. Daar hadden begrippen als ‘paternoster’ en ‘elandproef’ ook bij mogen staan, maar niet alles hoeft te worden verklaard. Twee gedichten van andere dichters zijn uit het Engels vertaald. De taalbeheersing van Heytze, zijn spel met verschillende vaste vormen en mooie metaforen maken dat het ontbreken van het eindrijm nauwelijks opvalt.

Heytze heeft in deze bundel opnieuw laten zien dat hij de dichter van het kleine geluk bij uitstek is. Nooit zo gelukkig dat het ongeloofwaardig wordt, nooit zonder kanttekeningen die het enigszins afzwakken. Geluk bestaat alleen bij de gratie van het ongeluk, zegt de dichter. Het maakt zijn poëzie des te interessanter.
____

Ingmar Heytze (2022). Met wat geluk. Uitgeverij Podium, 56 blz. € 20,99. ISBN 9789463811576

Geplaatst in Recensies.