Interview Ruth van Rossum

DE WILDHEID VAN HOKKAIDO VERBEELD

door Sander de Vaan

 

foto © Marcel Nollen

 

Dichter Ruth van Rossum publiceerde de bundels Eilandranden en Sakasegawa. Ze redigeerde Hans van Rossums bewerking van de Rubaiyat van Omar Khayyam. Van Rossum treedt op, geeft poëzieworkshops, en is dichter voor De Eenzame Uitvaarten in Den Haag. De hier geplaatste poëzie zal deel uitmaken van haar nieuwe bundel Ruig land.

Je bent in Japan geboren. In hoeverre hebben die wortels effect gehad op jouw latere leven in Nederland?
In mijn gedicht Wat zoek je schreef ik:

(…) Je wilt blijven, maar wat is het, de draden van vroeger.
Draden in je lichaam toen gesponnen. Geuren in je huid
gesijpeld ’s nachts als je sliep onder de pijnbomen. (…)

Japan heeft zich die eerste jaren van mijn leven in mijn systeem genesteld. Mijn ouders leefden er lange tijd. Wij hebben Japan als het ware mee naar Nederland genomen, het echoot in ons na.  Als ik er ben, voel ik me er thuis, hoe volkomen anders de cultuur en het leven er ook zijn. Er is altijd een vaag verlangen om daar weer te zijn. Misschien is dat ook het verlangen van de verplaatste om thuis te komen. En het is natuurlijk ook een razend interessant land.

Je schrijft al vele jaren gedichten, wat betekent poëzie voor jou?
Poëzie is voor mij een manier om het leven en het mens zijn te onderzoeken. Via het dichten onderzoek ik hoe we in elkaar zitten, wat we meemaken, hoe we daarmee omgaan.
Poëzie is magie. Wat er met een paar zinnen opgeroepen en aangeraakt kan worden. Hoe je kunt spelen met de taal. Hoe een gedicht een eigen wil heeft. Toen ik begon te dichten was ik opgetogen: ik besefte dat ik mijn uitingsvorm had gevonden. Mijn analytische en mijn intuïtieve kant kunnen er goed in samenwerken.

En waar ligt voor jou de scheidslijn (als die er al is) tussen proza en poëzie?
Bij de lezer, die zegt: wat ik nu lees vind ik een gedicht. En dat is heel persoonlijk. Het heeft te maken met melodie, klank, rijm, het hele samenstel van factoren dat poëzie is. Er is proza dat haast poëzie is. En poëzie die haast proza is. Ik vind het mooi dat het soms in elkaar kan overlopen en niet precies te duiden is.

Nog even terug naar je geboorteland. Je schreef onlangs een reeks gedichten over een bezoek aan Japan. Wat stond je daarbij vooral voor ogen?
Er zijn indrukwekkende prentenseries van Japanse kunstenaars, die houtsneden maakten van wat ze zagen. Denk aan Honderd gezichten op beroemde plaatsen in Edo van Hiroshige of Zesendertig gezichten op de berg Fuji van Hokusai.
Ik reisde over Hokkaido. Een eiland met een machtige natuur, het heeft iets heel ouds.  Op die reis dienden zich op de een of andere manier allemaal verhalen aan. Soms heftige verhalen, want de natuur is daar heftig, en de geschiedenis van het eiland ook. Ik wilde de wildheid van Hokkaido verbeelden door die verhalen te vatten in een serie gedichten, als een geschreven variant van wat de Japanse kunstenaars deden.

Welke dichtregels zou je graag in marmer gebeiteld zien?
Deze regel zit altijd in mijn hoofd:

Wees langzaam door vogels gezongen het wordende licht.

Het is de slotregel van C.O. Jellema’s gedicht Zomernacht. Prachtig van melodie, en voor mij raakt het aan een diep verlangen.

Wat kunnen we qua publicaties in de naaste toekomst van je verwachten?
Ik ben de laatste hand aan het leggen aan mijn nieuwe bundel Ruig land, die hopelijk binnenkort verschijnt.
En verder werk ik aan een serie columns rond mijn verstandelijk gehandicapte zus die twee jaar geleden overleed aan dementie. Samen gaan ze een boek vormen, dat een beeld geeft van Down en dementie, en van de enorme impact van een gehandicapt kind op een gezin.

 

Uit de bundel Ruig land:

Aarde

In deze tomeloze wereld sprongen we van boom tot boom.
Jij likte aan een paddenstoel die lichtbruin glom van vocht.
Een bijennest zwart bungelend aan tak.
Dampend water uit de berg, gevoed door wolken grijze regen.
Hoe kunnen bomen die eeuwigdurend zijn ontaarden,
hun wortels grond omklemmend in de lucht?
Planten zo rond en ruim van blad dat ze een schuilplaats boden.
Ons kind sliep in een groene kelk.
Zet je voet voorzichtig want je kunt zomaar zijn gebroken.
We keken hoe vrij de vogels
hoewel ook zij hebben te zorgen voor een nest.
Verrotte stammen droegen tekens.
We bewogen ons omzichtig, toch gromde een beer ons toe.
Misschien was zij geen beer maar mens.
Sode fureau mo tasho no en

Wonderlijk dat wij elkaar hier ontmoeten
bij het gonzen van keuken, bestekgeluid, geroezemoes,
vlagen van tocht en buiten regen.
Onderweg zag ik kraanvogels in het zompige gras.

De mouwen van onze kimono’s een streling van zijde,
een rimpeling uit een vorig leven
met tedere maanbries en volkomen zon.

Veel woorden zijn niet nodig –
nu we elkaar hervonden kunnen we niet meer scheiden.
We reizen terug naar Oost en West.
Maanbries, zonnegloed, waar ben je?



Sode fureau mo tasho no en is een oude Japanse uitdrukking die zoiets betekent als ‘onze mouwen strijken langs elkaar – er moet een verbinding zijn die ons nu samen brengt – misschien kenden wij elkaar al in een eerder leven’.
De laatste berenjager

Onderschat hun slimheid niet.
Beiden wisten we dat je de ander moet doorgronden –
kuma moest mens zijn, ik een beer.

Eens school ik zó nabij, dat ik zijn bloedstroom volgde
en hij mijn bevroren adem. Geen van ons wilde bewegen.
Het sneeuwbos hield ons neer, een klem van ijs.

Soms dacht ik ons gelijk,
hoe we op eigen hartslag leefden in het wild.
Nu zijn we uitgestorven.



In Wat te doen als je een beer tegenkomt zijn verhalen opgetekend van Hitoshi Anezaki, de laatste Ainu berenjager. Hij leefde van 1923 tot 2013. Kuma is het Japanse woord voor beer.

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Interviews.