LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Senne Bogaerts

30 mrt, 2023

‘Poëzie, soms spuug ik het uit en dan wat later scheurt het gemis mij aan flarden’

door Annet Zaagsma

Senne Bogaerts (1994, Leuven) publiceerde eerder in Het Gezeefde Gedicht.  Werk van hem werd opgenomen in de bloemlezing van de eerste editie van de Gopher Poëzieprijs. Ook las hij voor op de avondrond 30 jaar C. Buddingh prijs, werd hij genomineerd voor de tweede Zeef Poëzieprijs en werd hij opgenomen in de bloemlezing ‘De 44’ van de Herman de Coninckprijs 2022. Hij debuteerde met zijn bundel De Vochtige Slapeloosheid, uitgegeven door uitgeverij De Zeef, in 2021. Naast dichter is hij oprichter en zaakvoerder bij het ecologisch tuin- en landschapsbedrijf Gruuner. Hier ontwerpt hij van stadstuintjes tot ecologische boerderijen, bedrijfsterreinen en voedselbossen waarin alles samenwerkt met de natuur.

foto © Lot Vaes

Jeanine Hoedemakers schreef in Meander Magazine over je debuutbundel De Vochtige Slapeloosheid: ‘Bogaerts schrijft poëzie op twee manieren: dikwijls zit de poëzie in de originele beschrijvingen en de soms welhaast kinderlijke gedachtenkronkels, vaak ook zit het verborgen tussen de regels. Daardoor ontstaat er een soort golfbeweging’. Herken je dit en is dit iets wat je bewust toepast?
Of die golfbeweging per se bewust gecreëerd wordt betwijfel ik. Uiteraard probeer ik, zoals wij allemaal, origineel uit de hoek te komen en waar het zich zo voordoet ben ik steeds blij wanneer er tussen de regels ook iets te lezen valt, maar ik ben niet noodzakelijk op zoek naar die golfbeweging die ze daar beschrijft. Ik denk dat ik in mijn schrijven voornamelijk op zoek ben naar hoe ik situaties, beelden, gevoelens en wat nog, die niet noodzakelijk vernieuwend of origineel moeten zijn, maar zelfs zeer banaal mogen zijn, op zo een manier mee te geven dat ze mij eigen zijn. Mijn kijk, mijn ervaring, mijn inzichten en de linken die hierbinnen ontstaan mee te geven op een manier die vlot leest. Ik vind wel dat een gedicht moet vloeien als je het leest. Misschien komt er zo wel ergens bewust een golfbeweging, of alleszins: misschien maakt die golfbeweging ergens wel dat ik bij bepaalde gedichten het gevoel heb dat ze werken, maar dan lijkt het mij niet dat ik mag zeggen dat ik er bewust naar schrijf.

Vader II

jij staat daar nu
als een personage uit Dostojevski-boeken
waar in wol gewikkelde, half geschoren, langharige dronken narren
door met kaarslicht verlichte kamers sluipen
waar bier klotst en kleeft en waar de bakstenen
het reeds eeuwen geleden aan longkanker verloren

je hebt je blik Jupiler vervangen door iets goedkopers
jouw rug, gekromd door de hevige druk van lage plafonds
in bruine kroegen alsof je nog altijd een beetje
op een barkruk zit

ik herinner mij toch echt dat jij ook ooit
een kadastraal inkomen betaalde
en mijn broer draagt toch een ring
met daarin jouw trouwdatum

je krult je moeder in je handen als een kind
of alsof er nog iets van je kleine broertje valt uit te persen

zijn het die dingen die je niet door donkere plafonds krijgt geduwd?
en is dat hoe mensen psoriasis krijgen?
door met hun ellenbogen op massieve togen
hun eigen valkracht op te drukken?

jouw baard is nu meer grijs dan ros
jouw gezicht meer wal dan vel
behalve dat lijk ik zo op jou

behalve dat ik zo op jou lijk
verwijt ik jou nu niets meer

je kruipt bedachtzaam in je rode ribfluwelen vest
hoe je van je gerolde sigaret trekt zou ik willen tekenen
hoe je aders steeds meer reliëf op je handen leggen

hoe je kijkt als iemand die standbeelden ten val zou brengen mochten de treinen rijden
hoe je kijkt alsof je een hevig brandend vuur bent ergens kilometers onder water
hoe je kijkt alsof je kon vliegen mocht het beter weer zijn

Jeanine geniet ook erg van je ‘prachtige, pakkende titels’. Wanneer geef je jouw gedichten een titel, als je eraan begint of als ze klaar zijn? Volgt het gedicht uit de titel of andersom?
Daar heb ik absoluut geen gestandaardiseerde aanpak voor. Het kan voorkomen dat ik een titel in mijn hoofd heb en het verhaal dat ik wil vertellen zich daar rond ontwikkelt, maar het kan ook goed zijn dat ik een gedicht schrijf en er nadien nog een titel bij zoek. In het eerste geval is het zeer goed mogelijk dat de titel nog verandert.
Ik verander mijn titels best vaak. Omdat ik een goede, intrigerende titel wel heel erg belangrijk vind. Als het kan probeer ik een zin of een deel van een zin te zoeken in het gedicht die de sfeer en de waarde van het gedicht wel uitdraagt maar het mag zeker ook niet alles verklappen. Idealiter lees je de titel en heb je al het gevoel te pakken dat het gedicht wil meegeven, waardoor je dan hopelijk ook de neiging krijgt om dat gevoel en bijgevolg het gedicht te onderzoeken.

In je bundel leid je de afdelingen in met citaten van Joti T’Hooft, Sammy Cahn, James Shelton en Charles Bukowski. Wat heb je gemeen met deze dichters?
James Shelton en Sammy Cahn zijn geen dichters maar liedjesschrijvers. Alhoewel sommigen dat vergelijkbaar of zelfs hetzelfde vinden (en of dat zo is of niet laat ik in het midden aangezien ik hun waarde op zijn minst even hoog inschat) moet ik dat toch even benadrukken want om eerlijk te zijn had ik voor het publiceren van mijn bundel nog nooit van de twee heren gehoord. De citaten komen uit ‘Lilac wine’, mij persoonlijk het best bekend gezongen door Jeff Buckley en uit ‘I fall in love too easily’, een lied dat ik op verschillende cd’s van verschillende artiesten heb. Dus wat ik met hen gemeen heb zou ik je niet kunnen zeggen. Wat ik met ze gemeen zou willen hebben wel: ik hoop dat op een dag één van mijn eigen regels zo bij mensen mag blijven hangen als hun woorden dat bij mij hebben gedaan.
Joti T’Hooft en Charles Bukowski hebben dan weer een grote indruk op mij nagelaten door op één of andere manier miserie zo te verwoorden dat het prettig wordt om te lezen. Daarin spraken ze voor mij de absolute waarheid. Misschien is dat wel wat James en Sammy ook deden. Ik heb alleszins veel van hen geleerd. Mogelijk vooral dat het allemaal niet zo heel veel uitmaakt. Waar je vandaan komt, wie je bent.
Dat citaat van Bukowski heb ik zelfs op mijn buik laten tatoeëren vlak voor ik een mail kreeg van Roel om te vragen of ik geen bundel wou uitgeven. Het komt uit How to be a great writer en dat vind ik nog steeds een machtig gedicht. Toen ik er maar niet in slaagde om iets te bereiken met mijn poëzie, en hoe langer hoe meer het gevoel kreeg dat ik er nooit iets mee zou bereiken, was dat gedicht mijn bijbel. Het beschreef zo goed als perfect wie ik was en hoe ik mij voelde, dus het moest zeker betekenen dat ik een ‘great writer’ zou worden. (Grapje, he.) De eerste regels van dat slot: ‘drink more beer, there is time’ betekenen voor mij: ‘doe waar je je goed bij voelt, er is tijd voldoende om te bereiken wat je wil, je moet daar jezelf niet voor verloochenen’ en dat vond ik zo geruststellend. Dat gaf hoop. Wanneer hij eindigt met: ‘and if there is not, that’s allright too’, denk ik: absoluut! Fuck it. Ik doe waar ik zin in heb, waar ik me goed bij voel. Ik ga genieten van het leven en me niet star focussen op dat schrijver worden want als mijn tijd erop zit dan weet ik het niet meer (ik geloof niet in hiernamaalsen en zo) en dat is ‘allright too’.  En nog maar een paar dagen later kreeg ik de mail met de vraag om te debuteren, dus zeg eens dat hij geen gelijk had.
Daarnaast denk ik dat Joti en Buk de gave hebben om in vieze dingen, rottige dingen, om in al de miserie ook de lichtpuntjes te zien. De mooie dingen te vinden. Zonder al de zeik eromheen te verbloemen of te verstoppen. Dat staat daar vaak net in de spotlight. Dat vind ik wonderbaarlijk en probeer ik zelf ook wel te bereiken met sommige gedichten.

In de flaptekst van De Vochtige Slapeloosheid staat dat je na het eerste jaar aan de Schrijversvakschool Amsterdam deze opleiding onderbrak om je tuinbedrijf te leiden. Hoe zit dat, Is poëzie schrijven niet te combineren met een tuinbedrijf?
Poëzie schrijven en een tuinbedrijf runnen wel. Dat doe ik nu ook en het tuinbedrijf dat ik nu heb is van een ander kaliber en veel meer tijdsbesteding dan het tuinbedrijf dat ik toen aan het oprichten was. Dichter willen worden, naar school gaan en een zaak opstarten niet. Het probleem zat ‘m eerder in de wekelijkse verplaatsing naar Amsterdam.
De dag voordat ik aan de schrijversvakschool begon was ik teruggekomen van anderhalf jaar reizen, dus stak ik de weinige centen die ik nog had in mijn inschrijvingsgeld, mijn eerste treinticket heen en weer Leuven-Amsterdam en een overnachtingsplaats voor één nacht. Die som is voor veel mensen meer dan een maandloon. Dat was even slikken, maar ik ging alles op alles zetten om er te komen met mijn schrijven.
Ik heb dat eerste jaar al ongeveer de helft van de lessen gemist. Toen ik in mei effectief mijn bedrijf oprichtte wist ik al snel dat nog een jaar schrijversvakschool niet haalbaar was.

Behalve de website van je tuinierbedrijf, een paar gedichten, een recensie en wat korte informatie over je bundel kon ik op internet weinig informatie over je vinden. Is dit een bewuste keuze, heb je niet heel erg de behoefte om jezelf (via internet) te profileren? Hoe bereik je als beginnend dichter vervolgens je publiek en je netwerk, zonder promotie via social media etc.?
Dat is ooit een bewuste keuze geweest maar dan als mens en niet als dichter. Nu ik mezelf dichter mag noemen wringt dat soms wel een beetje. Dat ik niet vaardiger ben digitaal, met socials en al die zooi. Snapchat, Instagram, twitter, tik-tok. Het is allemaal aan mij voorbijgegaan. Daar ben ik als mens ontzettend gelukkig over aangezien ik er ook echt van overtuigd ben dat die social media voor mensen zoals mezelf vergif is. Dat ik er ongelukkig van zou worden mijn tijd daaraan te verdoen en dat het ook bijdraagt aan een zekere verdomming van de mens. Wat een belachelijke dingen die nu gegeven feiten zijn, zijn er al niet voortgekomen (rechtstreeks zowel als onrechtstreeks) uit de mogelijkheid van elk mens zijn mening als een feit te verkondigen? Maar goed, als marketing werkt het dan wel weer ontzettend goed, als je het goed doet en daar kan ik nu wel al eens spijt van hebben dat ik die vaardigheid niet bezit, want uiteraard wil ik ook wel dat mensen mijn gedichten lezen en dat mensen gemakkelijker bij mijn bedrijf terechtkomen om samen aan natuurherstel te kunnen doen. Ongetwijfeld ga ik op een dag nog overstag en poog ik mezelf ook ooit online te promoten. Zo heb ik sinds kort eindelijk mijn eerste smartphone en heb ik al meteen meer last van mijn nek.

Je tuinbedrijf heet Gruuner, met als slagzin ‘Verliefd op de natuur’.  Stel dat je moet kiezen, wat was dan je eerste liefde: (poëzie) schrijven of de natuur?
Dat is de vraag die ik mezelf al heel mijn leven stel. Ik heb geen idee, dus zal ik besluiten dat ze beide aangeboren zijn. Wat wel het meeste heeft gewogen is de literatuur. Als ik me daar niet mee bezighield dan verscheurde het mij. Keer op keer. En ik heb de literatuur dikwijls uitgespuugd en verworpen. Gehaat. Dat heb ik met de natuur nooit gehad, maar het heeft mij dan ook minder verscheurd wanneer ik daar niet actief mee bezig was. Misschien omdat de natuur altijd wel aanwezig is en je literatuur toch echt moet gaan opzoeken. Maar in woorden kon ik vroeger meer heil vinden dan in natuur. Wanneer alles tegenzit heb ik een waarheid zoals die van Bukowski nodig. Geen verbloeming. Ik heb er geen behoefte om aan te zien hoe mooi het kan zijn, wat de natuur wel is voor mij, maar wel aan hoe er iets moois kan schuilen in de figuurlijke stront.

Op de website van je bedrijf beschrijf je dat je een omslag meemaakte doordat je bij de voorbereidingen voor het leggen van een terras een paar bijen door de verse stabilisé zag kruipen. Door deze confrontatie besloot je op een andere manier (nog) ecologischer te gaan tuinieren (ik moest even googelen voor het Nederlandse woord voor stabilisé: het blijkt een soort waterdoorlatend beton te zijn). Zijn ecologie en natuur een inspiratiebron voor jouw gedichten?
Nee. Tot dusver niet. Ik zal er wel mee in herhaling vallen, maar voor mij is de natuur iets prachtigs. Daar hoef ik toch niet over te schrijven? Dat kun je zo gaan bekijken. Ik zal niet zeggen dat ik vroeger nooit iets heb geschreven over de natuur, of dat er nooit iets in mijn gedichten voorkomt wat aan de natuur gelinkt is, maar echte natuurpoëzie werkt voor mij niet. Ik vermoed wel dat ik in de toekomst nog een milieudichter zou kunnen worden. Maar ik denk dat ik in die miserie de lichtpuntjes nog niet helemaal heb gevonden. Of er de humor niet van inzie.

Je schrijft over je bedrijf: ‘Onze missie: die van ons, maar ook die van jou moet het herstellen van onze natuur en planeet zijn’. Heeft het volgens jou zin om poëzie in te zetten als middel om mensen bewust te maken van de beroerde situatie rond biodiversiteit, klimaat etc.?
Ja en nee. Hoeveel mensen kun je echt bereiken met poëzie? En van die mensen die dan toch poëzie lezen, hoeveel zijn er zich nog niet bewust van de huidige situatie? Misschien is het een utopie van mij, maar ik vermoed toch dat mensen die actief gedichten lezen best belezen mensen zijn en dus ook wel eens een krant of zo vastnemen. Ik denk dat onze problematieken daar best wel duidelijk in verklaard worden.
Ik hoop daarentegen wel dit ooit te kunnen doen, maar de paar milieugedichten die ik heb proberen te schrijven daar was ik niet echt tevreden over. Die zijn voornamelijk kwaad op de wereld en bieden geen uitweg. Ik vind het te gemakkelijk om boos te zijn zonder een uitweg te bieden. Hoe ik dan toch een positieve boodschap moet uitdragen in die kwaadheid, dat heb ik mezelf nog niet aangeleerd.

Ik vond op je website ook een mooie ready made (waarbij ik een van je specialisaties als titel heb toegevoegd):

Doorlaatbare opritten

Muren en afsluitingen zijn voor ons
een uitstekende basis om verticaal te werken
maar ook als er nog geen omheining aanwezig is
kunnen wij verder. 

Kun je het waarderen als iemand (in dit geval uit louter speelsheid trouwens) zoiets met jouw tekst doet? Maak jij (letterlijk of figuurlijk) wel eens gebruik van bestaande teksten om een gedicht te maken?
Ik vind het zeker fijn dat jij poëzie vindt in een tekst die ik schreef maar zo niet bedoelde. Dat doet me zelfs een beetje blozen.
Of ik dat zelf vaak doe is iets anders. Ik kan wel getriggerd worden door een zin zoals in mijn gedicht ‘echte mannen’ waar ik schrijf dat echte mannen het gras niet meer maaien. Dat las ik op een reclamebord voor robotmaaiers en daar is uiteindelijk best wel een leuk gedicht uit voortgekomen (vind ik zelf toch).
Behalve dat kan ik me niet meteen iets voor de geest halen waar ik dat toepaste, maar ongetwijfeld zullen er zo nog wel dingetjes zijn. Het meeste van mijn schrijven gebeurt heel spontaan en meestal wanneer ik er niet naar op zoek ben en eigenlijk ook geen tijd voor heb. Maar die gedichten werken voor mij dan net het beste. Ik ga niet actief op zoek naar inspiratie want dat werkt meestal omgekeerd voor mij. De keren dat ik wel actief op zoek ging gaven me steeds het gevoel dat er aan de gedichten die daaruit voortkwamen iets ontbrak. Ikzelf waarschijnlijk.

Schrijf je alleen of krijg je daarbij feedback van anderen of andere dichters?
Ik schrijf alleen. Er mag niemand in de buurt zijn wanneer ik schrijf. Als ik het gevoel heb dat er zomaar iemand zou kunnen binnenwandelen en iets zou kunnen lezen dat niet af is, dan schrijf ik liever niet.
Wat ik wel altijd heb gedaan, wanneer ik het gevoel had dat iets af was, is het doorsturen naar enkele van mijn betere vrienden, mijn broer en mijn lief (al was ze dat bij het maken van mijn bundel nog niet). Meestal kwam daar niet superveel feedback van maar ik heb ontdekt dat als ik schrijfsels met andere mensen deel, ik het ook als een buitenstaander kan lezen. Zo werkt dat voor mij ook met inzenden naar tijdschriften of wedstrijden. Meestal weet ik op het moment van inzenden plotseling wat er niet of wel werkt aan mijn gedicht.
Mijn vrienden maakten mij wel altijd duidelijk wat moeilijk te begrijpen viel of anders geïnterpreteerd kon worden dan ik bedoelde en dat vind ik heel belangrijk. Ik mompel in het dagelijkse leven enorm, dus in mijn schrijven onverstaanbaar zijn vind ik verschrikkelijk. Daar kan ik echt boos van worden op mezelf.

wish you were here

jij hebt op je biceps twee robothanden getatoeëerd

één hand beeld ik me in als de mijne, jouw broer
de andere als die van jouw zus
samen de deeltijdse vader vormend die wij
hadden we mogen kiezen
hadden laten leven

mensen verwarren jouw handen met iets uit Star Wars of Star Trek

zij zijn dan ook niet opgegroeid onder jouw headset steevast na het avondeten
verscholen in jouw kamer tussen de muziek van een fulltime vader die ik
had ik mogen kiezen
had omgeruild.

Wat is je droom als het over je poëzie gaat? Hoe ga je te werk om dat te bereiken?
Dat is momenteel een beetje een moeilijke vraag. Ik had gedacht dat het langer zou duren vooraleer ik eindelijk gepubliceerd zou worden. Dus op dit moment voel ik me best tevreden met wat ik al heb bereikt. Ook omdat ik nog druk bezig ben met zoveel mogelijk bij te leren als het gaat over natuurinclusieve landbouw en herstellende landschapsinrichting en met het ontwikkelen van mijn bedrijf tot wat ik wil.
De urgentie is eventjes wat minder. Misschien ook omdat alles in mijn leven best voorspoedig loopt tegenwoordig. Maar ik ga ervan uit dat dat ook nog wel zal veranderen.
Wat ik wel altijd heb gehad is een drang om impact te maken. Om mijn stempel te drukken op deze wereld. Ik twijfel er wel over of dat echt kan met enkel poëzie.
Aanvankelijk wilde ik eigenlijk geen poëzie schrijven, maar proza. Ondertussen vind ik het gewoon heel erg tof om gedichten te schrijven. Daar kun je naar mijn gevoel veel meer mee spelen dan met proza. Wanneer ik een verhaal schrijf voelt het meer als werken. Bij de les blijven, niet van het pad afdwalen enzoverder, waar gedichten schrijven voor mij meer een opluchting is geworden. Het op een rijtje zetten van mijzelf en de dingen waar ik moeite mee heb (meestal toch). Dingen die ik niet begrijp onderzoek ik ook vaak in gedichten tot er een bepaalde waarheid voor mij ontstaat.
Maar die drang tot impact maken begint nu ook wat ingevuld te worden door mijn bedrijf waarmee ik echt wel op zoek ben naar meer en grootschaligere manieren om het klimaatprobleem te bestrijden. Ik vermoed dat wanneer ik daar ook nog wat beter een weg in gevonden heb, ik wel weer op zoek zal gaan om via literatuur impact te maken. Door bijvoorbeeld wat meer milieuproblematiek aan te pakken in mijn schrijven.
Ik hoop ook nog wel een groot schrijver te worden, maar zowel Bukowski als Masanobu Fukuoka zeiden mij: ‘Don’t try’ en ik weet ook dat als ik daar te hard mijn best voor doe, ik eraan onderdoor ga. Stoppen met schrijven kan ik niet; of mijn schrijfsels ooit het grote publiek gaan bereiken of niet moet ik een beetje loslaten. Maar uiteraard hoop ik ook wel onsterfelijke gedichten te schrijven en nog steeds gelezen te worden wanneer deze wereld ten einde gaat omdat ons klimaatprobleem niet wordt bestreden.

ik wil dat ze het kind omverrijdt

tussen twee witte lijnen wacht ik op het meisje van kassa vijf
haar rode haren en dat ringetje in haar neus

kijk naar de mensen die rammelend voer heen en weer duwen
kijk naar de bestuurder die het kind niet ziet
die een foto neemt van de uitpuilende achterbak en – bank.

ik wil dat ze het kind omverrijdt
dan moet het meisje van kassa vijf wel naar buiten komen.

ik kan haar zeggen dat ik alles zag en vind dat bestuurders
of mensen in het algemeen niet continu met hun telefoon mogen bezig zijn.
dat ik daarom geen smartphone heb. ik toon haar mijn Alcatel.

zij zal onder de indruk zijn, me misschien zoenen
een waterkans op een blowjob op de parking van de Delhaize.

 

 

 

 

 

     Andere berichten

Interview Liesbeth Huijer

Interview Liesbeth Huijer

‘Bij poëzie voelt het alsof je meer ruimte hebt dan bij proza.’ door Mirthe Smeets   Liesbeth Huijer, literair vertaalster uit het...

Interview Gerry van der Linden

Interview Gerry van der Linden

‘Poëzie is voor mij ademhalen’ - door Cora de Vos   Gerry van der Linden (Eindhoven, 1952) is dichter, schrijver en beeldend...