LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Antjie Krog – Plundering

3 mei, 2023

Over plundering gesproken

door Yolandi de Beer




De Zuid-Afrikaanse Antjie Krog (1952) geldt al vele jaren als één van de groten van de hedendaagse literatuur. Haar goede naam en faam dwingt zij af met haar fonkelende, virtuoze dichtbundels, maar ook met haar non-fictie, waaruit zij een persoonlijke keuze samenstelde ter gelegenheid van de haar als eerste niet-Nederlandse auteur toegekende Gouden Ganzenveer 2018: Hoe alles hier verandert. Maar liefs twee keer ontving ze de prestigieuze Hertzog prijs.

Haar nieuwste bundel Plundering, vertaald door Robert Dorsman en Jan van der Haar, stelt eveneens niet teleur. Toen ik het postpakketje opende en de bundel voor het eerst vasthield, dacht ik: ‘Plundering’- mmm dat wordt een taaie….
Achter op de kaft de onheilspellende woorden:

het komt niet meer naar me toe
het geluid
het geluid van een gedicht
komt niet meer naar me toe

Gelukkig kan ik Krog fans gerust stellen. Het is niet waar. Echt niet. Het kwam, het geluid, de gedichten en ze heeft ze gepend zoals alleen zij het maar kan. En om je te verzekeren dat ik zeker geen Krog ‘groupie’ ben: ik heb al werk van haar weggelegd, genegeerd, gewoon omdat het voor mij als blanke Zuid-Afrikaan te zwaar en te confronterend was, teveel een spiegel werd. Los van de kwaliteit van het geschrevene…
Maar deze bundel is er één die je niet loslaat. Ooit heeft mijn favoriete recensent, Hans Puper, in een recensie van één van Krog’s bundels, de vraag gesteld: In welke volgorde kan men de gedichten in deze bundel van Antjie Krog het best lezen? Nu, in dit geval is het antwoord eenvoudig; je kunt Plundering het best lezen van voor tot achter, zonder het neer te leggen. Korte pauzes om bij te komen, of om te ademen zijn wel toegestaan, en soms ook even nodig… Precies wanneer je denkt dat Antjie Krog zichzelf onmogelijk kan overtreffen, doet zij het toch.

De bundel bestaat uit 5 hoofdstukken en behandelt thema’s als liefde, de kwetsbaarheid van het vrouwelijk lichaam en de voortdurende algehele plundering door de mens van zichzelf en de aarde. Ze begint heel persoonlijk. Haar wanhoop, het behouden van haar verstand, haar woorden. Met een diepe liefde, intimiteit en hoop. In haar gedicht ‘wanneer alles ineen lijkt te storten’ vindt zij de woorden waar we allemaal naar op zoek waren, om de angst en onzekerheid van de Covid pandemie te beschrijven – de angst dat het virus ook bij haar thuis kan binnendringen. Het is een gedicht van zes en een halve pagina, te lang om hier te plaatsen, maar eindigend met:

om ons heen hompelt het einde met zijn blaasbalg
we vechten, we vechten, we zijn bang en we vechten we vechten
voor ons ene gezamenlijke lichaam
omringd door de plinten van smekelingen
en bacteriële verneveling blijven we dit zien:

dood met de lange touwen

In hoofdstuk 2 verschijnt vervolgens Antjie, de patriot en vrijheid voorvechtster. In wederom een gedicht dat te lang is om te plaatsen: ‘#WegmethetCollegegeld -oktober 2015’, neemt zij de lezer mee in de emotionele tweestrijd tussen wit en bevoorrecht zijn en gerechtigheid en gelijkheid willen bevorderen. In het tweede gedicht van dit hoofdstuk onthult ze dan de naakte hardheid van strooptochten – plunderingen – van het haast groteske daarbuiten tot in het meest persoonlijke, diep van binnen.

het zichtbaar maken van allerlei strooptochten

de soldaten staan opgesteld
——- ze zetten zich schrap tegen de aarde
luisterend naar het gegil van drilboren en drones
sissende projectielen
er liggen pelzen van bruutheid om elke gestalte
kille angst rafelt langs hun kuiten omlaag

en hun laarzen
met de zich afzettende tenen
——–voor de eerste bezetenen stormloop
hoe nederig machtig
——–het toonpunt van geweld

*

maar hoor daar! Het ruisen van serafs –
——–ademloos als jukbeenderen tussen ons in geslingerd
ook een cherub –
——- nog morsig van goddelijk behang
het schokt me –
——- hun verbeten bochels, hun stinken aangeknaagde vleugels
——–hun voeten die de aarde niet kunnen raken
wees ons genadig, o Heilige Moeder van der Weerlozen
wees ons genadig

maar de engelen hijsen alleen hun armen over westerse epidermissen
diep, drollig darmgeweld van ouwe-lullendistillaten

zou er komen zou een denken komen zou een denken uit de áárde komen
met openzwaaiende vleugelscharnierende schouderbladen
zou iets gezegends opsuizen naar hier naar ons arme drommels
waar onrecht ettert in de open velden
waar halzen van honger schreeuwen en vergeefs voortmodderen naar uitkomst

o het rááskallen van smart tegen de Verdraaiers-van-de-wereld dat maar
——- voortduurt

*

als dichter ben ik in wezen een Kolonist
ik val andermans werk binnen
ik oscilleer van extase, bewondering
verander, teken op, pik kleine souvenirtjes
want die teksten grijpen me aan, landschappen tuimelen
stuit ik op een beeld, een ongerepte kloof
ontdek ik een verblindende berg
dan omhels ik, verorber, stroop
en stop mijn hoofd vol, mijn onderbewustzijn
de overmaat verdwijnt in notitieboekjes
want alles wat gezegd wordt is al gezegd
——–is voorheen al keer op keer nooit zó gezegd
ik doe mijn best om bronnen en oorsprong op te sporen
maar uiteindelijk word die hele bliksemse bende
———–                                   collectief-verslonden buit

afdankertjes voor het verrinneweerde lichaam bij schemering

*

iets van de rauwheid van asregen
de bittere adem van een anorak
de geur van verschrompelde huid
——–teruggetrokken in gebogen ellips
dat werpt een schaduw, dat gooit geen handgranaat
dat sluipt in het onderwuste rond
angstig hangen de tenten in kartels van hoop
verdoft schitteren de kousloze enkels
ze vormen het corpus aan geruisloze onbehuisden
-zwaarder dan Sabbat, lichter dan hostie

ik moet je in mijn arme nemen, deken-flapperende
hoe moeilijk kan het zijn om jou geliefde te noemen?

*

onzalig zijn de geplunderden
——–-de zachte gewrichten van de wereld

*

De dood is zachtjes opgestaan
En heeft zichzelf voorgesteld:
Ik ontvang hem als een eregast

*

O lijf. O lichaam.

er is geen echo van lied
geen zoom van licht
geen naaste klank of sleutelbeen van sterren
die je door je jaren heen niet voor mij heb verzameld

hier, nu in mijn zeventigste jaar
draaien mijn oren binnenwaarts en vinden tekens
dat je ons aan het verlaten bent

in de paar jaren die resten
moeten we ons vestigen in vrede
ons vreugdevol plooien en krimpen terwijl we kijken
lang en eerbiedig zoals een oude van dagen moet kijken
naar de brandende ondergaande zon

Het lijkt of voor Krog, de ultieme plundering, die door het leven op haarzelf is. Op haar witheid en haar niet-anders-kleurigheid. Zij schrijft de zin erin en de chaos eruit. Zij schrijft wat we allemaal voelen maar niet weten hoe te zeggen, en ook dat wat we niet willen horen. Antjie Krog ís en blíjft een revolutionair en een vorst. Deze bundel is kwetsbaar, sober, actueel en onmisbaar.
____

Antjie Krog (2023). Plundering. Uitgeverij Podium, 208 blz. € 24,99. ISBN 9789463811644

     Andere berichten

Joris Iven – Onderdak

Poëzie in alles, die de werkelijkheid vat door Kamiel Choi - - In wat voor soort gedichten kun je wonen? Moeten het ondoorgrondelijke...

Ted van Lieshout – Ommouw me

Ted van Lieshout – Ommouw me

Wat voorbij gaat, blijft door Peter Vermaat - - Het zou wel eens onmogelijk kunnen zijn om in uitsluitend tekst een leesbeleving te geven...