LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Moeder

13 mei, 2023

 

foto Pixabay

 

Hersenpap

Ooit heeft het je voor het eerst overvallen
het lauwwarme licht van een oranje luifel

een vuistdikke knoop in de maagstreek
weeïge verweking van armen en benen
gevolgd door golvend geklots in het oor
een onvoorstelbaar huilerige leegloop
van drassige klonten zompige hersenpap

was het werkelijk een broeierige middag
laat in augustus toen je voort werd geduwd
in een veel te krappe kinderwagen gepropt
door een toch al niet spraakzame moeder

werd je inderdaad een fourniturenzaak
binnengereden waar drukkers en knopen
moesten besproken, gezocht, aangereikt
bekeken, gekeurd, te licht bevonden
te zwaar, donker, opvallend, teruggegeven
lijzig weer aangenomen en opgeborgen

heb je heus in dat slecht herinnerde jaar
als kind wel je moeder herkend
kon uit de kleur van die eerste zonwering
zomaar iets zo onuitsprekelijks ontstaan

of bestond het allang en had het
bij toeval zich onmiddellijk vastgezogen
waardoor later lege sportvelden in de regen
het vermoeden van geur in steunkousen
zich openbaarden als oranje verlamming?

© Wiljan van den Akker
uit Hersenpap (De Arbeiderspers, 2011)
Moeder

Zo lang zij rustig leeft kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld, ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar misschien, gaan wij nog bij haar eten
en lachen als ze zegt: Het is de laatste keer.

Maar één kort spoedbericht maakt ons opnieuw tot zonen,
wat ons gewichtig werd valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw en in ons werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg haar kleine huis betreên.

Ze heeft op ons gewacht. Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was, het arm gezicht
waarin veel eenzaamheid berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst in reeds vervreemdend licht.

Dat wij voorgoed alleen zijn thans, dat alle bronnen
vervloeien in de tijd, bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid, dit wordt ons taaist verdriet.

© Karel Jonckheere
uit Poëtische inventaris (Paris-Manteau, 1973)
opgenomen in de bloemlezing Familie duurt een mensenleven lang (Menno Wigman, Prometheus, 1999)
De Moeder Het Water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien

– toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid –
misschien zou ‘t goed zijn als nu Psalmen klonken.

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in ‘t gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.


(naar Martinus Nijhoff: De Moeder De Vrouw)

© Rutger Kopland
uit Tot het ons loslaat (Van Oorschot, 1997)
Sonnet

Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta

Om thuis te komen. En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken –
De tijd die stilstond en hem liet begaan

© Ischa Meijer
uit De handzame Ischa Meijer (Veen, 1986)
opgenomen in de bloemlezing Familie duurt een mensenleven lang (Menno Wigman, Prometheus, 1999))
Halve blik

M’n moeder talmt
bij ’t weggaan
in de hoop

dat iets haar
zomaar
nog mooier

maakt tientallen
jaren later
raakt een

ander me aan
kust me
wanneer is de

rug van
m’n moeder
voor het laatst

gestreeld kijk
ik met haar
halve blik

wordt zij
deels in
mij bemind

© K. Schippers
uit Fijn dat u luistert (Querido, 2014)
opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Anne Vegter, Querido, 2015)
Breiliedje

Twee toeren geel, twee toeren blauw,
en bij de schouders minderen.
Wat zou dat toch voor neiging zijn
bij die moderne kinderen?
Wat zijn jullie toch negatief,
dat is heel overdreven,
je moeder was toch altijd lief
en heeft je veel gegeven.
Twee recht twee averecht,
toch zijn jullie niet slecht.
Doe die revolver nou es weg
en niet misdadig worden,
denk aan je lieve moedertje.
’t Komt allemaal in orde,
zolang je tegen ’t kwade vecht.
Twee recht twee averecht.
Twee toeren blauw, twee toeren geel,
wat zeggen jullie ouders?
Die vinden dat toch ook niet goed?
Nu mind’ren bij de schouders.
Je moet een beetje aardig zijn
en aan je toekomst denken.
Een lustmoord kan toch op den duur
niet echt voldoening schenken.

Twee recht twee averecht,
’t komt allemaal terecht.
Marihuana, jongelui
geeft eigenlijk geen vrede
’t Is eventjes misschien wel fijn,
maar ’t haalt je naar beneden.
Je vader heeft het al gezegd:
twee recht twee averecht.
Twee toeren blauw, ik ben er haast.
Dit wordt een heel leuk truitje.
’t Is voor een nieuw rechte rok,
zo eentje met een ruitje.
En nu wat positiever zijn.
Ik geef jullie een lesje.
Als jullie positiever zijn
begin ik aan een vestje.
Twee recht twee averecht.

Een oude wijsgeer zegt:
een mens (zegt hij) poogt altijd weer
heel diep (zegt hij) van binnen,
poogt ieder mens altijd (zegt hij),
de mensheid te beminnen.
Dat is wat die wijsgeer zegt:
Twee recht twee averecht.

© Annie M.G. Schmidt
uit Huishoudpoëzie en meer (De Arbeiderspers, 1957)
Nu

Nu ik wat vrouwen heb gehad keert mijn moeder terug,
niet zoals ze nu is, zoals ze was, ik zie haar niet

de was doen aan de oever van een rivier, zoals dichters
dat zien, de was doen met je haren hangend voor je ogen,

moeder, draag mij naar zolder in je wastobbe, zo zie
ik haar niet, maar meer voorovergebogen, de kale aarde

boenend zonder ondergoed in een gele ochtendjas,
boenend tot alles gaat blinken.

© Rogi Wieg
uit Liefde is een zwaar beroep. Persoonlijke kroniek 1997 (De Arbeiderspers, 1998)
opgenomen in de bloemlezing Familie duurt een mensenleven lang (Menno Wigman, Prometheus, 1999)

     Andere berichten

Hazina

Hazina

Hazina is schrijver en dichter. In haar werk komt haar liefde voor rafelranden en het mysterieuze naar voren. Eerder stond haar werk in...

Kinderpoëzie (X)

Kinderpoëzie (X)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...