LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Vergeten dichters (II)

19 sep, 2023

Zijn deze dichters vergeten? Kent u ze nog? Ligt er misschien eentje op het nachtkastje en blijft zij favoriet? Of helpen wij u op de naam te komen van dat glansrijke gedicht dat u ooit uit het hoofd kon? Is dit een aanleiding de boekenkast om te keren of op uw knieën op zolder in die dozen te kijken? Hoe dan ook, veel leesplezier!

 

geleund over de schrijfmachine

Geleund over de schrijfmachine
die ik met zoveel vaardigheid bespeel,
komt plotseling ik weet niet waar vandaan
een langvergeten geur naar binnen drijven
van dorre takjes, vochtig zand
en platte grijze kiezelstenen.
Daar heb ik vroeger mee gespeeld
op winderige maandagmiddagen,
uren aaneen, gevangen in de ban
van een bedwelmende verveling
en vage onbegrepen droefenis.

Er is sindsdien niet veel veranderd:
ik speel nog steeds, zo niet met zand en stenen.
De maandagmiddagen zijn winderig als toen.
Droefenis en verveling zijn gebleven
en zelfs een langvergeten geur
komt mij er nu en dan op wijzen
dat alles is zoals het vroeger was.

© Hanny Michaëlis
uit de bundel Water uit de rots, Van Oorschot, 1957
opgenomen in bloemlezing Dromen met open ogen, samengesteld door Adriaan Morriën, De Kern, A’dam 1959


Hanny Michaelis (Amsterdam, 19 december 1922 – aldaar, 11 juni 2007) was een Nederlands dichteres en vertaalster.
Ze schreef al gedichten op de middelbare school. In 1945 en 1946 verschenen gedichten van haar in bladen als Proloog en Criterium van Uitgeverij Meulenhoff (J.M. Meulenhoff). Zij debuteerde officieel in 1949 met Klein voorspel bij genoemde uitgeverij. De bundel werd niet of nauwelijks gepromoot door de uitgeverij.
Vanwege de houding van Meulenhoff stapte ze over naar Van Oorschot. In haar kleine oeuvre beschrijft zij de mens in zijn hulpeloosheid en eenzaamheid, op zoek naar liefde. Haar werk is sober en later ook relativerend. De oorlog drukte gezien haar persoonlijke geschiedenis een groot stempel op haar werk. Maar zelden refereerde ze er direct aan; ze wist toen niet hoe ze dat moest verwerken.
In 1966 ontving ze de Jan Campert-prijs, in 1995 de Sjoerd Leikerprijs.
Na 1971 verschenen er geen nieuwe bundels meer van Michaelis, maar ze hield nog wel voordrachten door het gehele land. Zij was van mening dat er al zoveel poëzie was, ze had last van overmatige zelfkritiek in combinatie met gebrek aan zelfvertrouwen.
In 1995 ontving zij de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre, bij de toekenning van de prijs meldde ze dat ze weer heel langzaam aan het dichten was geslagen, maar tot publicatie kwam het niet meer. In 1996 verschenen haar Verzamelde gedichten.
Postuum werd haar oorlogsdagboek uitgegeven in twee delen: Lenteloos voorjaar (1940-1942) en De wereld waar ik buiten sta (1942-1945), alsook een aantal gedichtenbundels.

In Klassieker no 10 van Meander werd haar gedicht Het kind besproken.
De ogen die het hart zich heeft verkozen
Zijn zorgeloos en diep en donker als de rozen.

En ’s morgens als de nacht hen heeft bemind
Vochtig en wild, als rozen in de wind.

Vochtig en bleek als rozen na de regen
Is het gelaat, dat om hen heeft gezwegen
En huiverende in de morgenwind
Droefenis naast zich op de peluw vindt.

© J.W.F. Werumeus Buning
uit de bundel Verzamelde gedichten, Querido, Amsterdam, 1970
opgenomen in bloemlezing Dromen met open ogen, samengesteld door Adriaan Morriën, De Kern, A’dam 1959


Johan Willem Frederik Werumeus Buning (Velp, 4 mei 1891 – Amsterdam, 16 november 1958) was een Nederlands dichter en schrijver.
In 1921 verscheen zijn eerste dichtbundel In memoriam, over de dood van zijn geliefde. Daarop volgde Hemel en Aarde (1927) waarin Werumeus Buning de stijlvorm van de ballade uitprobeerde. In die vorm dichtte hij zijn grootste succes: Mária Lécina (1932), dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door Kees Stip werd geparodieerd als Dieuwertje Diekema, gevolgd door Drie balladen (1935), waarvan de Ballade van den boer de bekendste is (“Maar de boer, hij ploegde voort…”). Werumeus Buning was ook een enthousiast en kundig schrijver over culinaria, zoals in zijn 100 avonturen met een pollepel (1937).
In de oorlog trad Werumeus Buning toe tot de Kultuurkamer, wat hem na de oorlog een publicatieverbod van één jaar opleverde. Hij werd daardoor minder populair. Na de bevrijding was hij behalve dichter ook redacteur van Elseviers Weekblad en vertaler van onder anderen Shakespeare, Cervantes en Herman Melville.
In 1926 ontving hij de D.A. Thiemeprijs, in 1943 de Tollensprijs.
Met het onbetrouwbare oor van een slaper

hoe boeiend in roerloosheid
het stenen
het hoornen
het steeds vroegere tijdperk. snachts
doorklotsen het huis de heimelijke
naaimasjienes van de voorhistorie

maar slechts gewapend
met het onbetrouwbare oor van een slaper
en geen lichtsterkte genoeg. niets doen.
men kan de absolute stilte
niet eens beluisteren: overschreeuwd
door lichaamsgeluiden.

hoe boeiend in roerloosheid
maar niet om grijpen
maar diep onder de muurvaste huid
een ingewikkelde formule, savonds
weggegleden gaan overnachten in zwarte ravijnen
van het water.

© Gust Gils
uit de bundel Gewapend oog, Meulenhoff, A’dam, 1962
opgenomen in Voor wie dit leest, proza en poëzie van 1950-tot heden, samengesteld door Kees Fens, Salamander reeks, Querido 1959


Gust Gils (20 augustus 1924 – 11 november 2002) was een Antwerps dichter. In 1953 verscheen het debuut van Gils in eigen beheer (Partituur voor vlinderbloemigen). Gils was een van de oprichters van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik (1954). Verder was hij redacteur van Podium. Zijn werken zijn verschenen in de absurdistische bundels Paraproza en de verzamelbundels Afschuwelijke roze yogurtman (1972) en Mijn plichtvergeten werk (1994).
Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord “partituur” bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een “auditief” karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde “verbosonische” experimenten.

In Klassieker no 97 van Meander werd zijn gedicht een minnend paar besproken.

 

De gedichten werden in de spelling van de betreffende bundel of bloemlezing overgenomen.

foto © Wouter van der Hoeven, boekhandel Scheltema, Amsterdam, oktober 2018

     Andere berichten

Kinderpoëzie (VIII)

Kinderpoëzie (VIII)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...

Haliastur

Haliastur (1964) is een recent pseudoniem. Leeft in Gent. Schrijft poëzie. Publiceerde onlangs op De Schaal van Digther, zeer binnenkort...

Kinderpoëzie (VII)

Kinderpoëzie (VII)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...