LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Geen kwaad doen aan de werkelijkheid

5 nov, 2023
door Jan Loogman

‘Wanneer de lente komt / En als ik dan al dood ben / Zullen de bloemen net zo bloeien / En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. / De werkelijkheid heeft mij niet nodig…’  Regels van Fernando Pessoa, in de vertaling van August Willemsen. Ik las ze van de week, maar ik las ook Nicolaas Beets: ‘Groote Plas, groote Plas! / ‘k Wou je leeggemalen was / Want je knabbelt, alle jaren / Aan mijn weiland met je baren.’

Beets schreef zijn gedicht omstreeks 1840, toen hij als dominee in Heemstede woonde,  dicht bij het Haarlemmermeer, de grote plas in zijn gedicht, die in de loop van de tijd steeds verder uitgedijd was. Als een ware waterwolf vrat het meer het omliggende gebied op. Recent waren voor Beets de stormen van 1836, toen het meer ook het land in de omgeving van Heemstede bedreigde. Hij kan in het Gedenkboek van den orkaan in November 1836 en van den daarop gevolgden Kers-storm gelezen hebben hoeveel dreigender de situatie op andere plaatsen was geweest. In het poldergebied tussen het dorp Sloten en Amsterdam zette het wild geworden meer 2300 bunder grond onder water en beroofde vele mensen ‘die in het warmoezieren (= groente telen) hun bestaan vonden, in één ogenblik van alles.’ Op kerstdag was op deze zuidwesterstorm een noordooster gevolgd die het Haarlemmermeer aan de andere kant had opgestuwd in de richting van De Kaag, Rijpwetering,  Alkemade en Leiden. Nu leden de boeren in dit gebied grote schade. Met instemming zal Beets hebben gehoord over de plannen tot drooglegging van het Haarlemmermeer. De waterwolf moest worden bedwongen. De mens kon de werkelijkheid niet langer zomaar zijn gang laten gaan.

Er waren ook mensen die tegen de drooglegging gekant waren, zoals schippers en vissers, maar zij delfden het onderspit. ‘Nu wordt de Slokop opgeslokt / Nu raakt zijn rijk ten ende /  Nu ligt de grove waterreus / Zieltogend op zijn brede neus, / En jammert van ellende,’ kon Beets enkele jaren later dichten.  Op 1 juli 1852 lag het Haarlemmermeer droog. De mens had zich ingrijpend bemoeid met de werkelijkheid, het was gedaan met de waterwolf.

Aan de Amsterdamse kant van het Haarlemmermeer bleef een plas buiten de drooglegging, maar enkele jaren later verkocht het Rijk dit Lutkemeer aan de broers Rutgers van Rozenburg. Zij investeerden alsnog in de drooglegging van het kleine meer, die op 15 maart 1865 werd gerealiseerd. Anders dan bij het Haarlemmermeer vormde niet de veiligheid van omringende bewoning het motief voor de drooglegging, het Lutkemeer was te klein om werkelijk overstromingsgevaar op te leveren. De broers verwachtten profijt. Al in het jaar van de drooglegging leverde de verkoop van de bovenste veenlaag als turf hen geld op. Nog in hetzelfde jaar lieten zij de grond inzaaien met koolzaad om deze rijp te maken voor de landbouw. In de daarna volgende jaren verkochten zij delen van de grond aan boeren die zich in de Lutkemeer vestigden en verpachtten andere delen. De bemoeienis van de broers Rutgers van Rozenburg met de werkelijkheid leverde hen voordeel op en de inwoners van het gebied een mooie landbouwpolder.

De mens is niet gestopt zich met de werkelijkheid te bemoeien. Schiphol en autowegen domineren intussen grote delen van de Haarlemmermeer en de Lutkemeer is al lang onderdeel van de gemeente Amsterdam. Volgens het platform ‘Behoud Lutkemeer’ vinden we in dit ‘prachtig groengebied’ … ‘een weids uitzicht, vruchtbare kleigrond en daar midden in de enige biologische boerderij van Amsterdam.’ Als het aan de gemeente Amsterdam ligt verandert de polder in de komende jaren in een bedrijvengebied, het platform verzet zich hiertegen.

‘De werkelijkheid heeft mij niet nodig’ is een mooie regel die wereldvreemd aandoet. Mensen bemoeien zich met de dingen om zich heen en met elkaar. De vraag of dit nodig is of  niet, lijkt niet terzake. Wie zich verbeeldt dat de werkelijkheid zonder hem of haar vanzelf voortgaat, miskent dat mensen deel zijn van – en invloed hebben op de werkelijkheid. Verstandiger lijkt het als mensen zich bezinnen op de verhouding die zij tegenover elkaar en de rest van de werkelijkheid gewenst vinden.  ‘Zolang we kersenbomen zacht in bloei zien staan / dan hebben we nog niemand kwaad gedaan’, regels van Leo Vroman bieden daarbij volgens mij een realistische leidraad.

 

© afbeeldingen:
Lutkemeerpolder, Op Vrije Voeten
Watersnood 1855, Wikipedia
Lutkemeerpolder, 1935, Nico Swaager, Stadsarchief Amsterdam
Schiphol, Stadsarchief Amsterdam

 

     Andere berichten

Als de zomer eens komt

door Hans Franse   Ik houd erg van ‘petite histoire’, de geschiedenis van kleine mensen soms in een grootse tijd. Wij kennen dan de...

Kunst en afgunst

Kunst en afgunst

door Rogier de Jong     Afgunst Afgunst, adder, is geduldig, haar beet verraderlijk. De overvloed aan stenen, gras en...

Waar een busreis toe leiden kan

door Marc Bruynseraede   In de jaren zeventig kwam ik in contact met Ton Luiting, dichter-journalist bij De Gooi- en Eemlander en...