LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Sandra Roobaert – De inventaris van wat blijft

17 jan, 2024

Een geslaagde en gelaagde debuutbundel

door Tom Veys




In De inventaris van wat blijft, nota bene een debuut, toont Sandra Roobaert dat ze veelzijdig is. Ze vindt daarbij een perfecte, mooie balans in prozagedichten. Met stip duiden we haar klimaatgedichten aan die ongeveer in het midden van de bundel staan.

Op de zijflap van de bundel staat biografische info die richtinggevend kan zijn: ‘Sandra Roobaert studeerde verhalen, tolken, sociaal werk en muziek.’ Deze facetten krijgen indirect een plaats in deze bundel, zowel op het vlak van de taal als van de inhoud. ‘Ze volgde de tweejarige opleiding poëzie aan de Schrijversacademie in Antwerpen en won in 2022 de Poëzieprijs van de stad Oostende’. Sandra Roobaert is niet aan haar proefstuk toe. Ze publiceerde eerder ‘digitaal bij Meander Magazine, Het Gezeefde Gedicht en De Vallei en op papier in Het Liegend Konijn, Poëziekrant en Verzin.’

Sandra Roobaert kan in haar prozagedichten poëzie oproepen met woorden die ze uit een omhulsel haalt. In het openingsgedicht ‘Als het trilt’ uit de eerste afdeling ‘Het snoer van moed’ bekijkt de dichter verschillende betekenissen van schalen. Het volgende vers uit het gedicht creëert een andere invalshoek: ‘Eierschaal zegt ook jij bent breekbaar.’ Het gedicht eindigt met ‘Ik nestel mij in eigen schaal / de wereld broedt / als het trilt kunnen we barsten.’ In ‘Draad’, een ander gedicht uit de eerste afdeling, is de dichter een curator in een museum waarin objecten met wonderlijke gedachten worden aangevuld.

Deze dichter tast grenzen af met voorwerpen, met taal en natuur. De lange prozagedichten bieden interessant en kwaliteitsvol denkmateriaal. Wat vaak opvalt, is soms de vrouwelijke kant die onbewust en af en toe bewust wordt benadrukt.

In de tweede afdeling ‘Als een lichtende nachtwinkel’ wordt maatschappijkritiek gegeven, onder andere in het gedicht ‘Speciman’ wordt het burgerlijke op de korrel genomen. In ‘Brave new playmobil world’, met een knipoog naar de dystopische roman van Aldous Huxley, start de dichter met een gekend speelgoedelement Playmobil om daarrond een gedachte uit te werken die hoogst poëtisch is. Sandra Roobaert gaat in dit gedicht naar de binnenkant van de dingen en dit via een poëtische omweg. Het wereldbeeld is niet altijd rooskleurig. Het sprankeltje hoop blijft in de poëzie.

Brave new playmobil world

Als wij naar hun poppetjesmodel waren gemaakt in plaats van zij naar ons
gepeld uit een plastic mal, de juiste themadoos
voorbestemd tot levenslange oma, eeuwig kind
tuinier of brandweerman zonder carrièreswitch.

Jij en ik komen bruiloftsklaar ter wereld
mijn trouwjurk past met een klik om mijn hals
jouw feestschoenen schuiven over je voorgevormde voeten
voor ringen missen we vingers
voor nageslacht onderdelen.

Modelgezin zijn we moeiteloos
onze eetkamertafel breed genoeg om alle recht vooruit gestrekte benen plek te bieden
zonder neus smaakt alles vlak, stinkt niks.

Obees of kansarm, bipolair of burn-out, we ontlopen alles
voor het lot van vluchteling, van seriemoordenaar ontbreken de accessoires.

Met niet te wissen glimlach verwelkomen we de volgende hittegolf
regimes, alternatieve feiten, oorlog
alleen langzaam kalen lukt ons niet, haarverlies plots en volledig
het trauma van een gat in ons hoofd verdwijnt
onder een onwrikbaar toupet.

Met wat geluk gaan we minstens vierhonderd jaar mee
met oefenen leren we een stramme lepeltjeshouding.

In de derde afdeling ‘Ze zeggen’ neemt de dichter ons mee in een levensloop. Elk cijfer in het lange gedicht staat voor een leeftijd. Het wereldbeeld van de dichter wordt steeds duidelijker, het wordt gespiegeld in de gedichten.

Een absoluut meesterwerkje in deze bundel is de vierde afdeling ‘Schorsbraille lezen’. Hierin is de dichter volgens mij een sterke klimaatdichter. In ‘Randverschijnselen’, het eerste gedicht in de afdeling, neemt Sandra Roobaert ons mee naar een tuin. De voorwerpen, de bloemen komen tot leven in woorden die de zintuigen prikkelen. De dichter wijst de lezer op wonderlijke inzichten die dwars op de realiteit liggen.

In ‘Metamorfosen’, ook in deze afdeling, wordt de dichter iemand anders, dat kan een vis of een aardworm zijn, een dier dat zijn betekenis ontleent aan de natuur. In het gedicht ‘Opveren, rechtbuigen’ is het laatste vers overigens de titel van de bundel: ‘ik maak de inventaris van wat blijft.’ Ik kan hierbij aanvullen dat die inventaris wordt opgesteld met verrassende en verruimende ideeën en met poëzie waarin taal verder groeit.

Er zit iets filmisch in de gedichten. Mens en natuur ontwikkelen zich, grijpen bij elkaar in. In het gedicht ‘Meisje uit het plioceen’ wordt dit heel duidelijk. Het meisje lijkt in dit gedicht een nieuw leven te krijgen. De titel van een ander gedicht ‘Jij meervoudig plantdiermens’ onderschrijft de duidelijke band tussen mens en natuur. De titel van de afdeling ‘Schorsbraille lezen’ is een mooie poëtische vondst.

In de volgende afdeling ‘De jas van je verhaal’ kijken we achter de werkelijkheid van de soms dagdagelijkse bezigheden, zoals een supermarktbezoek in ‘Verknoping’: ‘We waden door de wereld als vissers zonder boot / we stevenen door de gangen van de supermarkt met fuiken voor de buik’. In twee gedichten ‘Ode’ en ‘Rauw’ krijgen we twee opvallend andere gedichten te lezen, met name korte, kernwoordachtige gedichten die misschien de begrijpelijkheid wat vermoeilijken.

In ’Verjaardagen’ komt dan de gevoelswereld van Sandra Roobaert tot uiting. Het beeld van verjaardagen noteren, keert ze om in een ander wereldbeeld. De pijn krijgt hier een plaats.

Verjaardagen

De gekke gewoonte om elkaars geboortedag op kalenders te noteren
ze in het toilet op te hangen
jaar na jaar vieren we de arbeid van onze moeders alsof het onze eigen prestatie was
blijf in leven en champagne wordt je deel.

Onze littekens blijven buiten beeld
Geen felicitaties voor de striem, geen lied voor de groef, feest voor de stomp.

We doen het anders.
In september noteren we jouw gebroken kaak
in januari de dag dat het zaagblad door zijn arm ging
in augustus de rits in mijn buik.
We bedenken ceremonies: blazen kaarsjes voor de kaak
snijden taart aan, vlotjes, net als jaren terug metaal door vlees
knutselen met schaar en lijm een huidbleke slinger.

We zetten ze bijeen, we geven ze een straat, een praalwagen, fanfare
de pride van littekens trekt langs
op overleven staat geen maat.

Een van de meest bijzondere gedichten in de bundel is ‘Schildervingers, schrijfhand’. In dit gedicht vergelijkt de dichter schrijven met schilderen: ‘Stiekem benijd ik het rood dat ze op doek laten druipen / woorden hebben geen aders.’

In de laatste afdeling ‘Lakens’ zoekt de dichter in ‘Off’ naar bescherming: ‘ik denk aan een wollen boot / sterren slierten op me af / ik blijf onbeweeglijk als een al lang gevallen boom’. De dichter speelt met betekenissen. Bijvoorbeeld in ‘Werelverbeteraar’ krijgen witte lakens telkens een andere functie, het worden ‘spandoeken’ of ‘ontsnappingslijnen’. Dit is bijzonder treffend.

Het allerlaatste gedicht in de bundel is ‘Smeltpunt’. Daarin komen enkele rode draden samen, zoals het nadenken over de natuur en de persoonlijke leefwereld. Figuurlijke taal en realiteit gaan hand in hand bij Sandra Roobaert, dit is wonderlijk. De dichter schrijft pur sang. Vrijwel alle prozagedichten zijn volle gedichten die zich twee keer laten openplooien. De inventaris van wat blijft is meer dan een inventaris, het is een geslaagde en gelaagde debuutbundel waarbij verwondering en maatschappijkritiek verschillende kansen krijgen, zowel door taal, als door inhoud.
____

Sandra Roobaert (2023) De inventaris van wat blijft. Uitgeverij De Zeef, blz. 64, € 18,00. ISBN
9789464757187

     Andere berichten

Kira Wuck – Koeiendagen

Kira Wuck – Koeiendagen

Luchtige melancholie door Onno-Sven Tromp - - Als ik de titel lees van de nieuwste bundel van Kira Wuck, krijg ik meteen een goed humeur....