LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Fred Papenhove – We zitten in de nachtbus

5 apr, 2024

Haast terloops

door Hettie Marzak




De naam Fred Papenhove klinkt niet erg bekend. Toch heeft deze dichter in 2009 de Halewijnprijs gewonnen voor zijn bundel De hemel is vol zwaluwen. Ook werden gedichten van hem geplaatst in Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn, Ballustrada en De Groene Amsterdammer. In 2023 is zijn zesde bundel verschenen, We zitten in de nachtbus. Wie bij de titel denkt aan het gedicht van Vasalis, ‘Afsluitdijk’, waarvan de eerste regel luidt: ‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’, komt tot de ontdekking dat er met de tijd veel veranderd is. Waar bij Vasalis de stilte overheerst en passagiers in slaap vallen, vertelt de eerste strofe van ‘Geestdrift’ uit Papenhoves bundel: ‘we zitten in de nachtbus een wereld van Selfies WhatsApp Facebook / en Twitter vertelt waarom er niet geslapen mag worden’. De inzittenden lijken eerder op de voetbalsupporters in de bus waarover Freek de Jonge vertelt in zijn voorstelling ‘De Pretentie’ uit 1988, met de running gag: ‘Dat zullen we nog wel eens zien!’

De moderne maatschappij wordt weergegeven in het gedicht ‘Geestdrift’, met drank, drugs, modetrends, zinloos geweld, alsof het zo hoort te zijn. En de ‘we’ van wie zo vaak sprake is in deze gedichten, doet mee, wil erbij horen, wil of kan niet anders leven. Door in de eerste persoon meervoud te spreken blijft de dichter niet op een afstand staan, maar maakt hij zichzelf deelgenoot van de gebeurtenissen. Wat hij schrijft gaat ook over hem. Maar evengoed is het een generiek ‘we’ dat alles veralgemeniseert, waardoor weer afstand gehouden wordt. Het is een knap en bijna verscholen procedé dat de dichter meesterlijk hanteert.

In laconieke constateringen beschrijft Papenhove het leven in een grote, moderne stad, waar sommige mensen ontevreden zijn en wegtrekken, de natuur in. Om ook daar tot de verbijsterende conclusie te komen dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is.

Armen

we verlaten dorpen frisse hooilucht
hangt in onze neusgaten herinneren
niemand

lopen door weilanden gooien met
koeienstront reizen via Google Maps
dopen onze dorst met water roken
skunk – alleen al voor de smaak –

in een hoek staat een wit huis het roept
nee en schudt zijn hoofd ezels met vingers
wijzen ons na bomen beginnen te wandelen
zijn opeens bang dat onze armen verstopt
worden in een schuur

willen graag terugkeren naar de werkelijkheid
van regen klaprozen zonnebloemen fluisterende
lippen in de nacht

Alle verworvenheden van de technologie die de samenleving gemaakt hebben tot wat ze is, kunnen niet voorkomen dat er onvrede is ontstaan. Papenhove doet daar niet dramatisch over, maar laat wel zien dat er een verlangen is ontstaan naar oude waarden en normen, naar stilte, echt contact en saamhorigheid: ‘we verlangen naar mensen die / voor iedereen opzij gaan geen vlieg / kwaad doen geen duistere opwellingen / hebben wiens broosheid boekdelen / spreekt / wat maakt dat zij zo zijn’. De sprekers in de gedichten laten een roep om diepere betekenis van het leven horen. Papenhove laat die schreeuw gepaard gaan met relativering en een ironische humor:

Over de kunst van ’t nietsdoen

’t ogenblik is daar ik neem de tijd heb er genoeg
zelfhulpboeken over gelezen

weg met afspraken Netflix en gamen wat een ander doet
wil ik niet doen zelfs m’n iPhone laat ‘k links liggen

voor mij geen infobesitas meer

staar naar de foto van een dierbare later naar buiten
’t is nieuw voor me dat ik zoveel invloed op mezelf heb

maar waarom verveel ik me

Het gedicht staat in de afdeling ‘Tijdgeest’, samen met gedichten met titels als ‘Woke’, ‘Selfie’ en ‘Love me tinder’. Papenhove maakt weinig gebruik van stijlfiguren, er is geen rijm aanwezig in de gedichten, nauwelijks interpunctie, wat nauwkeurig en zorgvuldig lezen noodzakelijk maakt. Maar de enjambementen zijn vaak verrassend aangebracht en in de korte proza-zinnetjes wordt meer verteld dan er staat. Ogenschijnlijk zijn de gedichten technisch heel eenvoudig, maar de dichter slaagt er toch in om een extra laag aan te brengen. De sprekers in de gedichten drukken zich vaak heel naïef uit, maar zeggen daarmee meer dan ze zich bewust zijn. Papenhove doet het voorkomen alsof hij dicht op een haast terloopse manier, waarbij je als lezer goed moet kijken en nadenken om je bewust te worden van wat er werkelijk opgeroepen wordt tussen de bedrieglijk eenvoudige versregels. De relativering die de dichter voortdurend aanbrengt, zet je vaak op het verkeerde been. Ook de humor is subtiel en komt vaak voort uit de tegenstellingen die de sprekers in de gedichten zelf creëren tussen hun woorden en hun gedrag. Misschien minder subtiel, maar daarom zeker niet minder geslaagd is het gedicht ‘In Den Haag’, waarin op een heel andere manier gekeken wordt naar een beeld dan de meeste mensen doen:

bij ons om de hoek staat een standbeeld
van een vrouw met hoed en paraplu

ze heet Eline Vere en leefde in een roman

door sleur eenzaamheid en melancholie of zoiets nam
ze een overdosis morfine

we kennen genoeg mensen die ook door dope en mentale
problemen eraan zijn gegaan

daarom vinden we een standbeeld voor haar nogal
overdreven

De eerste drie afdelingen ‘Gooien met koeienstront’, ‘Van kwajongenswerk is geen sprake’ en ‘Tijdgeest’ vormen één geheel, zowel wat de inhoud van de gedichten als hun uiterlijke vorm betreft. Daarna zijn er nog twee afdelingen opgenomen van respectievelijk drie en vier gedichten: ‘Vogelliefde’ en ‘Jazz’, die allebei precies inhouden wat ze aankondigen. Ze vallen een beetje uit de toon in deze bundel. Ze bevatten korte gedichten, in tegenstelling tot de langere uit de andere afdelingen, en de inhoud is directer. Maar juist omdat de gedichten duidelijk en eenduidig zijn, maakt dat ze ook minder aantrekkelijk. De laconieke humor is weliswaar gebleven, maar de diepere laag is verdwenen. Er staat wat er staat. De gedichten in de afdeling ‘Jazz’ getuigen van de persoonlijke smaak van de dichter, maar ze zeggen lezers die niet met de muziek bekend zijn, niet zoveel. De bundel zou sterker zijn geweest als de laatste twee afdelingen er niet in waren opgenomen. Maar misschien was er een contrast nodig om de thematiek van de bundel niet te zwaar te laten zijn.

Het is hoe dan ook een bundel met gedichten om van te genieten. Om te lezen en te herlezen en elke keer weer iets nieuws te ontdekken. Het wordt tijd dat Fred Papenhove uit de schaduw komt en in het voetlicht gaat staan.
____

Fred Papenhove (2023). We zitten in de nachtbus. Uitgeverij Liverse, 70 blz. € 21,95. ISBN 9789492519627

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...