LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Hans Franse – Zelfportret met woord

27 mei, 2024

Is het portret wel af?

door Maurice Broere




Een zeer gevarieerde bundel die Hans Franse ons met Zelfportret met woord voorschotelt. Van alles komt voorbij: familie, bewonderde dichters, overleden vrienden, oud werk, nieuw werk. Het voorwoord is al bijzonder, omdat het een gedicht van Toon Tellegen betreft: ‘Mijn op een na laatste gedicht’. Enerzijds wat somber, want ‘je op een na laatste gedicht’ hangt samen met het einde van het leven, maar Toon Tellegen zou Toon Tellegen niet zijn als het niet relativerend eindigt. De verzen van Hans Franse hebben dat relativerende ook. Het voorwoord past dus uitstekend bij de bundel. Franse heeft zijn sporen wel achtergelaten door allerlei publicaties, essays en artikelen in diverse bladen, zeven boeken en ruim tien dichtbundels.

Zelfportret met woord is opgebouwd uit zeven afdelingen, waarvan de afdeling ‘Losse notities’ is onderverdeeld in vier delen. De bundel opent met een inhoudsopgave en eindigt met een verantwoording. De titel geeft heel aardig de essentie weer. Het is geen autobiografie, maar de gedichten geven wel een doorsnede van zijn lange schrijversloopbaan naast onder andere necrologieën en andere gelegenheidspoëzie staat er voldoende ander werk in. Wat opvalt is dat de dichter in de loop der tijd wat minder ‘dichterlijk’ is geworden. De oudere verzen bevatten nog wel eens eindrijm en in de latere is dat vrijwel verdwenen. Het lijkt wel of hij zich van dat juk heeft bevrijd en gelukkig maar, want dat gerijpte dichterschap bevalt me veel meer.

Uit ‘Woordelijk’:

DUURZAME POËZIE

Voor mijn betreurde vriend Eric van Loo

Poëzie is niet duurzaam
als de woorden te dicht
langs gebaande wegen zwerven
en evenwijdig lopen met de rand van het papier.

Duurzame poëzieroutes kronkelen
en klimmen en dalen,
door overwoekerd oerlandschap:
de kip met de smakeloze gouden eieren
legt niets nieuws.

De poëtische doodgraver zoekt
op de begraafplaats van de taal
naar te gebruiken spoorloze woorden
om die per formulier te herbevestigen
in een woordenboek of een gedicht.

Dan begint het werk:
met hamer en beitel,
heel moeizaam het zieltogend woord
reanimeren met het kraaien van de haan
en de adem van het woord:
mond op mond beademing:
het gevecht van Jacob met de engel.

Een prachtig eerbetoon aan onze oud-medewerker, dat ik zonder verder commentaar wil laten spreken.

Uit ‘Woordelijk’:

EXODUS VAN DE WOORDEN

Tussen waken en slapen
gingen mijn woorden aan de haal,
ze sprongen van het te koele laken
voor een verre reis gereed,
hun inhoud in een rugzak dragend.

Ze krioelden als mieren
en verdwenen daar waar
inhoud noch vorm bestaat,
gapend in de taal
om daarna weer in slaap te vallen,
want van een gedicht was geen sprake.

Hoe kun je nu de spijker op de kop slaan
en poëtische gaten dichten
als je woorden
onderbewust verdwenen zijn?

Dit vers is opgebouwd uit een kwintet, een sextet en een kwatrijn. Opvallend is het ontbreken van eindrijm en de assonantie op de a-klanken. Het onderwerp van het gedicht is het dichten zelf. Bij het wakker worden nog half slapend komen in het brein van de schrijver woorden op. Ze vormen een wirwar in het hoofd. Ze missen vorm en structuur en voor de dichter echt wakker is, zijn ze een vage herinnering. De laatste strofe komt met een dilemma: hoe maak je een gedicht als de woorden verdwenen zijn voor je ze kon conserveren.

Uit  ‘Het verflauwend woord’

HET MIDDELPUNT

In het middelpunt
van de concentrische cirkels
had ik mijn vaste plaats.
Ze waren aanvankelijk klein
maar breidden zich uit,
soms geleidelijk,
soms met een ruimtevaart.
Ik bleef overeind midden in
het concentratiepunt.

Nu worden cirkels steeds kleiner
sommige vervagen,
andere verdwijnen als vanzelf.
De vragen blijven:
wat is er nog
als de laatste cirkel verdwenen is?

Een van de thema’s van de bundel is het wegvallen van allerlei mensen om ons heen. Iedereen is het middelpunt van cirkels met mensen. Hoe kleiner de cirkel hoe intiemer de band. Je begint met weinig cirkels vanaf de jeugd komen er steeds meer, later volgt een kantelpunt, want dan verdwijnen steeds meer cirkels, steeds meer mensen ontvallen ons. Wie ben je nog als er geen cirkels meer zijn?

Uit ‘Epiloog: Ontmaskerd’:

ELKERLYC II

Voor Andrea

Blijf bij me
als het donker wordt,
het geluid wat zachter
en verder weg.

Het licht zakt
in de eindeloze zee,
terwijl het al maar
stiller wordt
en in mijn hoofd een fluit
weerklinkt als van een
fluitketel op een laaiend vuur.

Blijf bij mij
als ik wegglijd
in de zachte sneeuw.
Of met mijn handen
van de vergetelheid
steun zoek op de leuning
van de trap, de lange trap
van verdwijnende woorden,
eindigend in vergetelheid
na de laatste tree

Dan zal ik alleen
verder moeten gaan,
misschien bang, doodsbang
of rustig en zacht uitgeblust:
een schip dat de nacht invaart
zonder radar en kompas,
nog net niet stuurloos.

Blijf dan achter,
en zwaai naar me en weet:
dat was het dan

Bettona, juli 2018

Dit vers is opgedragen aan Andrea, de geliefde van de dichter. Er is sprake van een gevarieerde strofeverdeling: kwatrijn, septet, tentet, septet en een terzine, geen alledaagse indeling. Strofe een, drie en vijf beginnen met ‘Blijf’, de gebiedende wijs van blijven. Dit parallellisme versterkt de noodzaak van niet weggaan. Franse maakt weer veelvuldig gebruik van assonantie. De dichter wil geen afscheid nemen, wil niet alleen zijn. In de eerste strofe gaat het over het donker en stiller worden. Strofe twee werkt dat nog wat uit en toont een zee waarin de zon wegzakt en het stiller wordt, al blijft het hoofd actief. In strofe drie verzucht de dichter: ‘blijf bij me als ik wegglijd in de sneeuw.’ Sneeuw bedekt alles en maakt alles anoniem en onherkenbaar, geen mogelijkheid tot oriëntatie. Woorden lopen kans te verdwijnen, het wegvallen van de taal en het bewuste leven. Als dat gebeurt, moet de dichter alleen verder. Hoe, dat is nog niet duidelijk. Dan volgt een metafoor: een schip dat vertrekt naar een onbekende bestemming. De laatste strofe biedt troost voor de achterblijver. Neem afscheid en berust erin en weet dat het goed was. Een aangrijpend gedicht van iemand die zijn einde voor zich ziet met alle angsten, maar met één zekerheid dat het zo goed is. Elkerlijc is een allusie op de Middelnederlandse allegorie, een ieder moet de levensweg bewandelen en komt van alles tegen goed, kwaad, deugd, verleiding. We leven en op een gegeven moment sterven we, een zekerheid die we allemaal hebben. De periode tussen leven en sterven vullen we zelf in.

Een gevarieerde bundel die een geschakeerd beeld geeft van de poëzie die Hans Franse in zijn lange carrière heeft voortgebracht. De ontwikkeling die hij in de loop der jaren heeft doorgemaakt, komt duidelijk naar voren. Het gevoel bekruipt mij dat het een soort afscheidssaluut is, maar dat hoop ik niet, want het lijkt mij dat de dichtader van Franse nog lang niet is dichtgeslibd.

____

Hans Franse (2024). Zelfportret met woord. Uitgeverij U2pi, 110 blz. €17,50. ISBN 9789493364141

     Andere berichten

Joris Iven – Onderdak

Poëzie in alles, die de werkelijkheid vat door Kamiel Choi - - In wat voor soort gedichten kun je wonen? Moeten het ondoorgrondelijke...

Ted van Lieshout – Ommouw me

Ted van Lieshout – Ommouw me

Wat voorbij gaat, blijft door Peter Vermaat - - Het zou wel eens onmogelijk kunnen zijn om in uitsluitend tekst een leesbeleving te geven...