‘Maskom P. schraapt en schrijft zich een weg doorheen haar gevoelswereld. Het lijf en lijfelijke staan vaak centraal in haar gedichten, meermaals met tragische toon.
Maskom P. is het pseudoniem ontstaan uit de droom van een geliefde. Meer dan een naam is het een plaats, voor comfort en braakliggende mogelijkheden. Het is het proces van verkennen en opnieuw terugkeren. En dat is volgens haar ook precies wat poëzie doet.’
De volgende gedichten maken onderdeel uit van de cyclus catalogus van dode dieren:
beeld © Illustratrice Heleen Smolders
–
Ik graaf in mijn lijf
naar sporen van oude bekenden
vind enkel een gele tulp
in mijn permafrost.
–
Geel als de kleur van je warme vreugde
schreef iemand me ooit
we lagen toen nog zonneklaar in elkaars armen
zogen pitten uit druiven
keken aan de hemel Elon Musks sterrentreintje na.
–
Nadien bleken we slechts te bivakkeren,
ik nam het selfinflating lightweight Thermarest matje, blies nog wat seconden door onze monden.
–
Je kunt jezelf veel wijs maken
ook dat kevers vlinders worden
als ze zich lang genoeg verpoppen.
–
Misschien hield je me daarom zo lang bij.
–
Ik gluur je
uit de bomen bekleed je lijf
met rag rond mijn groene vingers
streel je
alsof je zou blijven kleven
blijf je kleven?
–
Ik wil je openbreken
je gladde mond
in speekseldraden mijn marionettenbenen
ze blijven zichzelf almaar voortslepen.
–
Alles ruikt ruwer in de herfst, ik kan het niet laten
volg je zenuwbanen als bladnerven
in de aarde.
–
De klappen zijn voor later
zwepen als eekhoornstaarten.
–
Er is het huis op de heuvel dat als een baarmoeder
op de kinderen wacht.
–
Er is beslagen het raam bewaker van geademd verlangen.
–
Er zijn de kastanjebomen met kromme vingers, hoeveel
zijn er nodig om opnieuw recht, hoeveel
lagen vernis tot het bladdert tussen de huidplooien.
–
Er is gebroken
met halfslachtige lippen weerbarstige
vingertoppen.
–
Alleen halve tekeningen blijven
over.
–
De huismus is in de duikvlucht haar vleugels verloren.


