‘Dichters zijn zieners.’
door Peter Vermaat
–
Rik Dereeper (1962). Gedichten van zijn hand verschenen in diverse literaire tijdschriften, zoals in Het Liegend Konijn, Poëziekrant en De Gids. Als deelnemer aan poëziewedstrijden werd hij onder meer driemaal laureaat van de Literaire Prijs van de stad Harelbeke en mocht hij in Amsterdam zowel de Plantage Poëzieprijs als de derde prijs van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd in ontvangst nemen.
Rik won onze Rob de Vos-prijs met het gedicht Veldstraat 39.
Hoe is je gedicht Veldstraat 39 ontstaan? Heb je er lang aan gebouwd of was het er min of meer ineens? Geldt die ontstaanswijze ook voor de meeste gedichten van jou?
De laatste levensjaren van mijn vader waren het uitgangspunt voor Veldstraat 39. Mijn vader is gestorven in 2020, twee jaar na mijn moeder. Als hoogbejaarde man was hij niet meer zelfredzaam genoeg om in de gezinswoning te blijven, vooral wegens zijn dementie. Toen mijn vader werd opgenomen in het woonzorgcentrum van zijn geboortedorp, bleef hij als negentigplusser voortdurend ontsnappen uit die ‘gevangenis’, op zoek naar zijn vertrouwde huis.
Zoals bij elk gedicht van mij was het ook voor Veldstraat 39 een heuse worsteling met woorden, klanken en ritme om dit gedicht in zijn definitieve plooi te krijgen.
–

artprint © Mirian Jacobs
–
Wat gebeurt er in jou vlak vóór een gedicht ontstaat, is het een gedachte, een gevoel, een ritme, of iets anders?
Vooraleer te beginnen aan een gedicht moet zich eerst een soort structuur openbaren, opdat ik het onderwerp verder zou kunnen uitwerken. Dat klinkt wellicht niet poëtisch. Daarom geef ik graag twee voorbeelden van prachtige gedichten die worden geschraagd door een sterk stramien: Onder de tandarts van Menno Wigman (uit de bundel Zwart als kaviaar) en Familie van Myriam Van hee (uit de bundel Voor wie de tijd verstrijkt). Op basis hiervan kan ik aan de slag om de strofen klankrijk en ritmisch (liefst jambisch) op te bouwen tot een afgewerkt geheel. Het is en blijft een lastig proces van schrijven, schrappen, herschrijven en licht geïrriteerd de woorden wegleggen. Om dagen/weken/maanden later met verse hoop en moed verder te schaven aan de gammele verzen. ‘Toegankelijk schrijven zonder toegevingen te doen, is de moeilijke evenwichtsoefening,’ zegt Roel Richelieu van Londersele in een interview (zie Meander, 11/04/2024). Zo is het maar net.
Wat is voor jou uiteindelijk de moeilijkste fase in het schrijfproces: beginnen, schrappen of loslaten?
De eerste versie van een gedicht kan bij het herlezen – een tijdje later – zo teleurstellend zijn dat ik me dan afvraag of het zin heeft om ermee door te gaan. Dit wil al eens een lastige fase zijn tijdens het dichten. Koppig doorzetten, betekent in dit geval de verzen almaar schrappend herschrijven tot ik wantrouwig tevreden ben over een wellicht definitieve versie. Daarna sleutel ik soms nog aan een ‘definitievere’ versie om deze uiteindelijk minder wantrouwig los te laten met een laatste zucht: het is volbracht.
Hoeveel van jezelf laat je toe in je poëzie en wat laat je bewust buiten de deur?
Ik laat dikwijls de leden van het gezin waarin ik ben opgegroeid toe in mijn poëzie, zoals in het gedicht Reünie, omdat zij alle vier zijn overleden. Mijn zus en broer zijn zelfs eerder heengegaan dan mijn ouders.
–
–
Hun recente opstanding indachtig, wandelen we
buiten tijd en adem naar de vijver. Moeder sloft
het traagst, verliest versleten teenkootjes. Zo
vind ik achteraf de weg terug. We wachten soms.
–
Het water spiegelt ons in maanlicht. Zus belooft
mijn diepgezonken droom te laten bovenkomen
als een koi. Opborrelende taferelen maken jou
zo dadelijk gelukkig wakker, lacht ze en ver-
–
dwijnt. Mijn ouders volgen na een korte knuffel.
Broer omhelst me, vraagt nog hoe ik onze reünie
in een gedicht bewaren zal. Ik zeg: zoals de tand
van een gestorven kind in een juwelendoosje.
Naar aanleiding van dit verlies en de bitterheid die zoiets opwekt, schreef ik het gedicht Mattheüs 27:33-35. Het is een ode aan mijn moeder (1929-2018) en zus (1956-1997), beide gestorven aan kanker. Ook het recent bekroonde gedicht Broer in Voorburg (Dichter op Hofwijck) is hiervan een voorbeeld.
–
–
Uw zoon met baard en hippiehaar beklom Golgotha,
maar mijn moe en zus bestegen hem een aantal keren
lichter: zonder kruis en zonder lokken. Op het laatste
sjokten beiden zonder borsten – veertien staties op
–
en af. Ze stierven bijna drie jaar langer dan die vrijdag
waarop zoonlief u aanriep. Zijn kroon vol doornen prikte
zoals chemonaalden doen in malse armen. Zacht is hij
ontslapen voor een weekend. Dood zijn zij voor eeuwig.
–
Nergens staan ze in een bijbel. Nergens stond een stad
met palmtakken te wuiven om hun honderdste infuus
verblijd te eren. Nergens kon gedobbeld om hun kleren,
veel te wijd geworden en te scheuren als een voorhang.
–
Doch na twintig eeuwen laten zij uw zoon verbleken.
Sinds u beiden moedig sterven zag en sinds uw kerken
echoën van leegte, herbegint u beter met een dochter
in die kribbe. Sterker wordt ze dan uw zondagskind.
–
Vergeet dat al je beenderen als mierikswortels in de winter
langzaam uitteren, dat overledenen op een perceeltje hemel
mogen hopen. Weiger nog te denken waarom torenhanen
nooit naar Mekka kraaien. Kijk, de hand van God beroert
de hoge winden, las ik op je laptop eens. Vergeet het maar
–
hoe schikgodinnen met je leven speelden, hoe je lijf vooral
van water was gemaakt, zoals de liefde nog het meest bestaat
uit rouw. Je wil niet weten wat de wereld blijft onthouden
van een aards bestaan: te weinig om het te herinneren. Vergeet
chrysanten, even jouw vergeten naam en data opfleurend.
–
De laptop is verpatst; je korte levenswandel werd gewist.
Geen sneakers staan zo stil. Vergeet dat benen nooit meer
plooibaar zijn en tenen onbereikbaar, dat versleten sokken
na de dood nog bottenjeuk bezorgen, dat ik ooit zal krabben
langs de gaten van een oud geheugen – gissend wie je was.
Door zo dikwijls met een pijnlijk afscheid te zijn geconfronteerd, blijft de dood een regelmatig terugkerend onderwerp in mijn poëzie. Ik denk hierbij niet alleen aan mijn gedichten die verschenen in Het Liegend Konijn (2024/2), maar bijvoorbeeld ook aan het gedicht Kistenmaker waarmee ik vorig jaar de Boontjesprijs in Dendermonde won.
–
De weduwe kan enkel kopen op krediet, verlaat
bedroefd mijn magazijn. Ze wou de vleugelkist,
postuum voor mij bestemd. Ik vind er nu al rust
die soms fluweelzacht overgaat in mijmeren,
–
gelijk vandaag. Ik kom tot plat verpozen, gniffel
om een zot record als grafliggen, recent gelezen
in het Guinnessboek. De doden scoren beter:
zeven zomers houdt mijn moeder dit reeds vol.
–
In juli deed ik ook een poging, maar een dokter
kreeg in mij weer leven. Zusters fladderden met
pillen, zalf en bedpannen. Zo lag ik daar, zo stil
–
als nu. Tot plots de magazijnbel galmt. Een opa
ziet me rechtveren. Ik knik. Hij vraagt goedkoop
te mogen sterven, wenst een tweedehandse kist.
–
Wat betekent ‘ontwikkeling’ voor jou als dichter? Hoe werk je daaraan? Is feedback daarbij van belang?
Een dichter kan zich pas ten volle ontwikkelen als hij/zij véél poëzie leest. Hierbij een opleiding volgen in een of andere schrijversvakschool kan zeker helpen. Je poëtische vruchten sturen naar een literair tijdschrift of naar Het Gezeefde Gedicht is ook een goed idee, omdat in het laatste geval de dichter telkens een korte feedback krijgt waarom zijn/haar gedichten al dan niet voldoende kwaliteit hebben om te verschijnen in de ‘Zeef van de maand’. Eerlijke feedback krijgen is belangrijker dan bijvoorbeeld de vele (goedbedoelde) duimpjes onder een digitaal te lezen gedicht. Poëzie opsturen naar een wedstrijd kan evenzeer verrijkend zijn, zeker als de deelnemers achteraf een uitvoerig juryverslag kunnen inkijken – zoals bij de Rob de Vos-prijs.
Hoe heeft het thema van de wedstrijd jou geïnspireerd of richting gegeven tijdens het schrijven?
Ik had het gedicht al een drietal maanden geschreven vóór ik wist wat het thema van de Rob de Vos-prijs zou zijn. Dichters zijn zieners. Maar deze poëziewedstrijd heeft mij er wel toe aangezet om Veldstraat 39 nog eens haarfijn door de kam te halen.



