door Jan Loogman
Kortgeleden bracht mijn vriend Paul Kroes zijn derde roman uit: Vader, Zoon, Engel, een boek waarin een vader en zoon een gezamenlijke reis ondernemen, waarbij zonder dat zij het weten de engel Gabriëlla over hen waakt. Zij observeert de twee niet alleen, zij stuurt hun tocht ook, al verrast hun doen en laten haar soms.
Gabriëlla is een beschermengel, engelbewaarder zeiden wij vroeger thuis. Zo een, over wie Toon Hermans zingt: Ik had een eigen engel en die heette Gabriël / Die engel had ik nodig want ik kneep ‘m als de hel / Hij sloeg meteen zijn vleugels uit bij elk gevaarlijk spel / Een heilig soort gevogelte: mijn engel Gabriël.
Engelbewaarders, engelen die optreden om individuele mensen te beschermen, zijn vooral een rooms-katholiek fenomeen. Soms dringen ze door tot de algemene populaire cultuur: Ik weet nu / dat er een engelbewaarder bestaat / Je kunt haar niet zien / als ze zachtjes tegen je praat / Ik weet nu ook / dat zo’n engelbewaarder op je let / ik kan het weten / ik ben er zelf eens door gered, is het refrein in het lied Engelbewaarder waarmee Marco Schuitmaker een paar jaar geleden in de hitlijsten stond.
Schuitmaker bezingt zijn geloof in een persoonlijke beschermengel en ook Toon Hermans was al overtuigd van het bestaan van zulke engelbewaarders. Denkend aan zijn engel erkent hij dat hij hem wat verwaarloosd heeft, maar: zit ik in de piepzak, in de rats of in de rouw / Dan roep ik net als vroeger: Gabriël, waar zit je nou? Het lijkt erop dat mensen vooral bij angst of zorgen geloven in – of hopen op een engelbewaarder. Het kan zijn dat deze – zoals in het boek van Paul Kroes – van afstand, uit de hemel, opereert, maar toen ik als kind het geloof in engelbewaarders ingegoten kreeg, had ik het idee dat mijn engel vlak bij me was. Als een verdubbeling van mijn gestalte vouwde hij zich om mij en bewoog met mij mee. Het leek me dat hij geen vleugels had, die zouden maar in de weg zitten als hij mij wilde beschermen.
Alweer lang geleden, in 1990, bracht Bernlef een bundel uit met de titel De noodzakelijke engel. Helemaal geen eenvoudige gedichten staan daarin, maar ik denk er toch uit te begrijpen dat voor Bernlef de persoonlijke beschermengel niet bestaat. Hij beschermt ons niet maar / houdt de schijn van deze wereld voor ons op, schrijft hij over de engel die er ook niet is om iets voor ons te doen: Hij is niet onder ons om / wonderen te verrichten maar / ons de kale plekken voor te spelen. Om deze laatste regel te begrijpen moet de lezer weten dat Bernlefs engel heel goed een muzikant kan zijn. Hoe dan ook, is deze engel aards. Uit de hemel gevallen speelt hij aan de mensen melodieën voor. Hij heeft niets met zijn hemelse voorgangers: Hij komt niet graag in kerken / waar zijn voorouders zweven. De engel bestaat bij Bernlef vooral om ons alle – en misschien vooral de mindere – kanten van ons bestaan te tonen. Een noodzakelijke engel misschien, maar niet zo’n inspirerende. Wie net als Bernlef geen geloof heeft in persoonlijke beschermengelen, maar op zoek is naar een engel die uitdaagt en inspireert, kan beter dan bij Bernlef terecht bij Czeslaw Milosz.
In Over engelen schrijft hij:
Uw witte gewaden zijn u afgenomen, / en uw vleugels en zelfs uw bestaan. / Ik echter geloof in u, boodschappers…. // U verblijft hier kort, ik denk / in de vroege ochtendstond, als de hemel schoon is, / in een melodie die door een vogel wordt herhaald, / of in de geur van appels tegen de avond, / wanneer het licht de boomgaarden betovert…// Ik heb menigmaal die stem gehoord terwijl ik sliep / en, wat meer verwonderlijk is, ik begreep min of meer / zijn bevel of roep in een bovenaardse taal: // het is dadelijk dag / weer dag / doe wat je kunt.
Afbeeldingen:
De engel © Pixabay
Marco Schuitmaker © Theater
Ceslaw Milosz © Poetry Foundation
–



