LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Johan Clarysse

4 jun 2026

‘Tussen penseelstreek en pennentrek’, over de magie van het canvas, akkerpaardenstaarten en Randschade

door Wim Vandeleene

 

Johan Clarysse (Kortrijk, 1957) is een veelzijdig kunstenaar die zich niet in één hok laat plaatsen. Zijn schilderijen en tekeningen gaan de dialoog aan tussen beeld en tekst, vaak doorspekt met de vragen van een filosoof.
Voor Johan is de pen even onmisbaar als het penseel. Hoewel zijn schildersloopbaan hem jarenlang volledig opeiste, keerde hij de laatste tien jaar terug naar zijn oude liefde: de poëzie. Zijn werk beweegt zich op de grens van ernst en ironie, waarbij hij de menselijke kwetsbaarheid belicht. Zijn nieuwste bundel Randschade sluit daar nauw bij aan.


foto © Alex Vanhee


Dag Johan. Voor we over de poëzie beginnen, een onvermijdelijk onderwerp in dit gesprek  …
Wat houdt jou zoal bezig wanneer de pen rust?
Naast het lezen van boeken, mij ergeren en verontwaardigd voelen over de stand van zaken in de wereld, hartverwarmende contacten met vrienden en ook nog wat reizen, is dat in eerste instantie de boeiende wereld van de beeldende kunsten: in mijn geval het maken van schilderijen, tekeningen en collages.
Wat mij op een bepaald moment doet kiezen voor schrijven of schilderen blijft voor mezelf tot op heden een mysterie. Ik zie het als twee autonome passies, activiteiten die op zich staan maar ongetwijfeld zal er ook sprake zijn van wederzijdse beïnvloeding.

Schrijven is voor de één een luchtig tijdverdrijf op zondag, voor de ander een noodzaak.
We duiken in het creatieve proces van Johan: van zijn prille inspiratiebronnen in de humaniora tot de ‘flow’ die nodig is om tot een gedicht te komen.

De Amerikaanse auteur Saul Bellow zei ooit: Schrijvers zijn lezers die zelf aan het woord willen komen.’
Wat betekent ‘schrijven’ voor jou?
Schrijven is net als schilderen ademen voor mij.
Net als schilderen heeft het tezelfdertijd iets vanzelfsprekends en dwangmatigs in zich. Ik citeer in dat verband graag Patti Smith. Toen men haar vroeg waarom ze naast het zingen ook nog schrijft, antwoordde ze: ‘Omdat gewoon leven niet volstaat’. Dat klopt, voor mij.
Schrijven gaat gepaard met een zekere urgentie. Die urgentie volstaat natuurlijk niet om een goed werk te maken. Het is voor mij een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde om tot een interessant schilderij of gedicht te komen. Of het goed of slecht is heeft vooral met vormkracht te maken.

Tezelfdertijd zie ik het schrijven ook als een zoeken naar ‘waarheid’, zij het dan een voorlopige waarheid met een kleine w. Toen ik onlangs het Picassomuseum in Parijs bezocht was een van zijn quotes op de museummuren: ‘Kunst is een leugen die ons dichter bij de waarheid brengt’. Kunst is een manier om greep te krijgen op mezelf en de werkelijkheid om me heen en de chaos die dat soms oproept, een werkelijkheid ook die ons in zijn volheid altijd ontsnapt.
Erwin Mortier omschreef kunst onlangs als familie van de religie, de broer of zus van het religieuze verlangen: het probeert onze fascinatie vorm te geven voor wat ons overstijgt en ons te verzoenen met onze sterfelijkheid. Ook daarin kan ik mij herkennen.

De leugen die de waarheid dient. Kunst neemt nooit genoegen met de feiten.
Welke vonk heeft bij jou het vuur voor de taal aangestoken?
Mijn leraren Nederlands in de humaniora hebben mij op het pad van de poëzie gebracht. Ik ben ze er nog altijd dankbaar voor. Ze brachten mij in contact met dichters als Hendrik Marsman, Guido Gezelle, J.J Slauerhoff, Hans Lodeizen, Lucebert, Paul Snoek, Hugo Claus enz.  Bijvoorbeeld het gedicht Zwemmen van Paul Snoek was (naast zijn Maria Magdalenacyclus) voor mij baanbrekend in die jaren, ik kende het uit het hoofd. ‘Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn’, zo eindigt het. Zwemmen werd in dat gedicht iets erotisch en sacraal. En al kun je niet precies uitleggen waarom zwemmen ‘met armen en benen aloude geheimen vertellen’ is, ik voelde perfect aan waarover het ging en wat de dichter bedoelde. Het was een wereld die zich opende en meteen de impuls gaf om zelf te gaan schrijven in mijn jongvolwassenheid, wat leidde tot een paar publicaties in literaire tijdschriften. Door een combinatie van gezin, vaderschap en een schildersloopbaan die mij opslorpte is het schrijven van poëzie op de achtergrond geraakt maar de laatste tien jaar kwam de microbe terug.

Schrijf je ook proza?
Ik heb ik mijn jeugdige jaren ooit wel eens een paar kortverhalen geschreven tijdens een universitaire schrijfcursus, maar momenteel beperk ik mij tot poëzie en dagboeknotities. Dat staat het dichtst bij mijn passie voor schilderkunst en is er ook het best combineerbaar mee. Poëzie en schilderkunst hebben veel gemeen, al is het materiaal waarmee ze werken fundamenteel verschillend.

Sommige schrijvers hebben een ivoren toren en een strak schema nodig. Anderen noteren hun beste invallen op de achterkant van een kassabon.
Hoe krijgt die ‘stroom’ bij jou vorm?  Heb je een methode of schrijf je in een opwelling?
Een duidelijke, vaste methode heb ik niet. Voorwaarde is dat ik in een zone van mentale rust en flow terechtkom. Een beeld, een herinnering of associatie die zich opdringt als ik aan het wandelen ben bijvoorbeeld, of aan de kassa wacht, of gewoon thuis naar muziek luister, is vaak het vertrekpunt. Er ontwikkelt zich dan een proces dat nog vele kanten uit kan. De zinnen stuwen elkaar voort, dat kan op basis van inhoud en betekenis zijn, maar uiteraard ook op basis van klank en ritme. De eerste ongecensureerde versie van het gedicht of de startstrofen volgen meestal snel maar dan begint het grote werk: schaven, herschikken, schrappen, toevoegen, het gedicht consistenter maken… Het schrijfproces veronderstelt een soort ontvankelijkheid die je niet kunt forceren, maar het is evenzeer een ambacht. Hoe meer je het doet, hoe meer je het onder de knie krijgt. Ik probeer ook te voelen of wat ik heb opgeschreven wel voor dit gedicht bedoeld is of dat het misschien in een ander gedicht thuishoort.

Wat is voor jou het ideale recept voor een gedicht of een boek?
Volgens mij bestaan die niet. En als die al bestaan is het de bedoeling dat je die ook af en toe op een intelligente manier overtreedt. Zelfs een cliché kan zijn plaats hebben in het gedicht indien het op de juiste manier wordt ingezet of gecounterd.
Bovendien is de poëzie voor mij een gebouw met vele kamers en verdiepingen, van verdicht en compact tot prozaïsch werk, van barok tot uitgepuurd, van vrij toegankelijk tot hermetisch en vol referenties… Ik gebruik voor mezelf een aantal criteria om mijn eigen creaties te toetsen: is het gedicht op een heldere manier raadselachtig? Een goed gedicht is gelaagd en multi-interpretabel maar die interpretatieruimte is niet grenzeloos.
Nodigt het uit tot herlezen? Draagt het een interne spanning in zich? Heeft het voldoende vormkracht? Is het voldoende ‘verdicht’? Poëzie heeft iets minimalistisch in zich en staat haaks op een wereld die barst van overtollige woorden, verbaal geweld, holle begrippen. Een gedicht componeren is vaak schrappen, compacter maken en zo de taal weer adem geven.

Veel schrijvers hebben geestelijke vaders en moeders, schrijvers of denkers waar ze naar opkijken. Heb jij dat ook?
De lijst van geestelijke vaders en moeders is lang en beperkt zich wat mij betreft niet tot literatuur. Ook beeldende kunst en filosofie zijn voor mij heel inspirerend. Dichters en schrijvers naar wie ik opkijk zijn onder meer Julian Barnes, Milan Kundera, Thomas Tranströmer, Wislawa Szymborska, W.H. Auden, Rutger Kopland, Leonard Nolens, Peter Verhelst, Patricia De Martelaere. De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Kundera en Het verlangen naar ontroostbaarheid van De Martelaere zijn boeken die ik als mijlpalen zie in mijn leesgeschiedenis. Maar ik kan het lijstje nog verregaand uitbreiden.

Een gedicht is vaak een wereld op zich die geen uitleg behoeft, maar soms kan wat context de deur voor de lezer verder openzetten. Johan licht drie sleutelgedichten toe, uit zijn nieuwe bundel Randschade.

Lezers of recensenten maken graag hun eigen verhaal, geven een eigen betekenis aan een metafoor of een regel, vullen de witruimte in en vellen een oordeel. Maar hier dagen we je graag uit om je eigen gedicht kort te ‘verklaren’, in de ruime zin van het woord.
Delicate vraag, daarom eerst dit. Een leraar Nederlands vertelde mij ooit dat een intelligente leerling op de examenvraag ‘bespreek dit gedicht’ antwoordde door gewoonweg het gedicht opnieuw over te schrijven… Eigenlijk is dat een prachtig antwoord. Wat de dichter te zeggen heeft kan strikt gezien enkel via dat specifieke gedicht met die specifieke woorden. In het andere geval kan hij evengoed de eventuele boodschap die hij wil brengen via een email of twitterbericht versturen.|Een goed gedicht kun je niet zomaar verklaren. Precies omdat het gelaagd en meerduidig is. Je kunt in het beste geval wat context geven of stijlkenmerken opmerken: een soort surplus die het gedicht mogelijk dichter bij de lezer brengt zodat hij er gemakkelijker kan instappen en hopelijk er ook wat in verdwaalt.

Dat een gedicht meerduidig mag zijn? Zonder twijfel. Liefst wel. Of een gedicht niet te verklaren valt? Dat weet ik niet. Meerduidig betekent ook dat je het op meer manieren kunt verklaren. Maar goed, we laten die vraag in het midden. Wat mij vooral boeit is jouw persoonlijke kijk en wat je aan het gedicht kunt toevoegen. Je ging de uitdaging aan, waarvoor dank.

 

Schim

Verschuilt hij zich als voortvluchtige dader?
Welk masker draagt hij wanneer hij
zijn mond tegen je rechterwang drukt?

Zeg mij hoe zijn voetstap klinkt:
als het geritsel van een blad
een lekkende stilte, een kreet?

Kirt hij of gromt hij
vermomd als vrede?

Zeg mij hoe zijn zeisblad zingt
hoe hij zich beweegt, knieën los, lichtjes
voorovergebogen, halve cirkels makend
schouders sneller dan zijn heupen draaiend?

Hoe zijn blik oogt:
een zwart gat, duistere belofte
een brand die verrast?

Welke toga hij draagt
of zijn weegschaal van glas is of van staal
waarom zijn klok zo wispelturig tikt?

Stemmen vriendelijke dichters hem milder?

Ik heb kunst altijd al gezien als een onophoudelijke dialoog met onze eindigheid. Een recente, vrij ingrijpende operatie en de confrontatie met eindigheid heeft die houding nog aangescherpt.
Het gedicht Schim komt uit een cyclus, waarin ik denkbeeldige gesprekken voer met mijn overleden vader enerzijds en de man met de zeis anderzijds. Het gaat in dit gedicht om een opsomming van vragen waarbij ik mij probeer een zintuiglijke voorstelling te maken van wie of wat die dood zou kunnen zijn.
De zwaarte eigen aan het thema wordt op het eind gecounterd door er een zekere lichtheid en ironie in te brengen: ‘Stemmen vriendelijke dichters hem milder’?

De dood milder stemmen. Een troostrijke gedachte. De ironie als schild tegen het einde. Misschien wel het krachtigste wapen dat een kunstenaar bezit.

 

Uitzicht

De middag zet zijn ramen open,
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.

Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind
dat hem vergezelt.

In hun voetafdruk hangt randschade.

De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.

Pompejaans rood en nachtzwart
rollen er doorheen. Feest
op de rand van een vulkaan.

Uitzicht is het eerste gedicht uit de cyclus Wie niet kijkt ziet niet. De cyclus kun je lezen als een pleidooi voor kijken, observeren en vooral de verwondering die ermee gepaard gaat. Ook dat is voor mij een manier om mij op een elegante manier – en met het nodige vallen en opstaan- te verhouden tot die eindigheid.
De concrete aanleiding voor dit gedicht? Ik sta in mijn atelier op zolder door het raam te staren. Iets wat ik vaak doe want ook dat maakt deel uit van het proces. Het gedicht schetst hoe een sequens van details die ik waarneem zich op wonderlijke wijze vertaalt in een schilderij. Een geheel van lijnen, kleuren, vlakken, krassen die op het lege canvas worden aangebracht, precies alsof het doek erop te wachten stond.
Het vers ‘In hun voetafdruk hangt randschade’ in het midden van het gedicht staat niet toevallig geïsoleerd. Het is een sleutelvers, dat de overgang markeert van observatie naar schilderproces. Het gebeurt in een soort flow. Je stuurt het schilderij maar het schilderij stuurt ook jou, je bent het medium waarlangs het schilderij zichzelf schildert, net zoals dat trouwens bij poëzie het geval is. Iets van die magie probeer ik in dit gedicht op te roepen.

Het idee dat het doek op jou wacht, maakt van de schilder een doorgeefluik. 

 

Staatsgreep

Water wantrouwt de rivier.
Winter hapert aan zijn takken.
De roerdomp hapt naar adem.

De krant, een waakhond
die het blaffen is verleerd.
Ik zoek een woord voor lucht
tussen twee huizen, vind het niet.

Vanmorgen reed hier in een e-bike
angst voorbij. Nog voel ik
de koude door de muren slaan.

Binnensmonds voer ik
een staatsgreep uit.
Maar zeuren doe ik niet:
mijn vrouw is nog niet zoekgeraakt
en daarnet bood mijn buurman me
een ruiker akkerpaardenstaarten aan.

In tegenstelling tot mijn vorige bundel die vooral binnenwaarts gericht was zijn er in Randschade ook een aantal gedichten te vinden met een maatschappelijke dimensie, gedichten die het maatschappelijk onbehagen – of beter mijn maatschappelijk onbehagen – tot onderwerp hebben. Het gedicht Staatsgreep is daar een voorbeeld van. Ik heb het niet zo op activistische poëzie, maar je kunt als dichter ook niet aan de zijlijn blijven staan. Het verlies aan biodiversiteit en de vervuiling van onze aarde ligt me nauw aan het hart. Dus schrijf ik ook daarover en ik probeer daarbij te vermijden in de valkuil van het moralisme te trappen.
De wanhoop die in de eerste strofen van dit gedicht gesuggereerd wordt en de angst, die op een e-step voorbijrijdt wordt in de laatste strofe op ironische wijze een hak gezet. Interessant weetje: heermoes of akkerpaardenstaarten staan bekend als een hardnekkig onkruid.

We nodigden jou uit om een citaat te kiezen dat jou aansprak.  Je koos de volgende regel van Jan Wolkers. ‘De dood is een grens die je maar in één richting kunt overschrijden.’
Ik heb voor dit citaat gekozen omdat de concrete confrontatie met dood en de vraag hoe omgaan met eindigheid een belangrijke rode draad is doorheen de bundel. Lichtvoetig zou ik de bundel niet noemen, maar ik vermijd eendimensionale zwaarte, er zit voor mij heel wat tederheid in de gedichten en er is bij momenten ook een ironische ondertoon aanwezig. De meeste schrijvers zijn bang voor pathos, vandaag de dag voert vooral ironie de toon. Ik ben van mening dat we niet te bang moeten zijn voor een zekere pathos. Teveel afstand van eigen gevoelens en werk, daar kies ik niet voor. Ik herken mij in wat de dichter Sandrine Verstraete daarover zegt: ‘Een zekere pathos associeer ik met het doorbloeden van de dingen en niet alleen maar afstand ervan  nemen’. De uitdaging ligt volgens mij in emotionaliteit erkennen zonder sentimenteel te worden, hoopvol te blijven zonder in de ontkenning te gaan.

Een goed tegengewicht voor de pathos is de rede. Die vind ik hier en daar ook wel in jouw bundel terug. De stem van de filosoof.
Ik denk dat ik in de bundel de dood benader als iets heel concreets en lichamelijks, als een dagelijkse aanwezigheid en tezelfdertijd als een abstract gegeven, iets dat niet rationeel te vatten is en ons steeds ontsnapt. Als je het vanuit een meer filosofisch perspectief bekijkt gaat leven als zodanig altijd gepaard met ‘randschade’, het vaak weinig opvallende neveneffect van leven is ons menselijke tekort en onze eindigheid (cfr Heidegger: Dasein is sein zum Tode). Dat de dood een grens is dat je maar in één richting kunt overschrijden maakt hem tot een filosofisch raadsel. Ik ga ervan uit dat er niets na komt. (cfr het gedicht we weten het niet). Mijn volwassen, rationele geest zegt met stelligheid: er is niets meer na de dood, nada. Het geloof in een leven na de dood vloeit voort uit onze angst voor vergetelheid, onze hang naar eeuwigheid.

We weten het niet. De overtuiging van de agnost.  Het hiernamaals hebben we misschien te danken aan de angst voor een einde zonder meer.  De witruimte na het laatste punt.
Mijn kinderlijke, intuïtieve geest zegt: ik wil nog op een of andere manier verder leven en bij mijn geliefden zijn. Het lichaam sterft, maar het bewustzijn is als een rivier die door de tijd stroomt, schreef iemand. Misschien is ook dat waar. Magisch denken is dat, zeker, maar dat kan krachtig zijn en troostend.
Ergens heb ik ook het gevoel dat er te onderhandelen valt met de harde werkelijkheid die de dood is. Dood is iets waar je je emotioneel en intellectueel toe kunt verhouden. Ik probeer dat overigens ook te doen in de dagboeknotities die ik de voorbije jaren schreef onder andere naar aanleiding van ziekenhuiservaringen. Terwijl mijn lichaam uiteenviel, vond ik het blijkbaar nodig te blijven reflecteren over dat zieke lichaam. Ik verzet me tegen de gedachte dat een (terminale) ziekte je identiteit volledig bepaalt…

Wat mogen we nog van jou verwachten, zowel op het doek als op papier?
Na Brugge volgt in de tweede helft van september nog een tweede bundelpresentatie van Randschade in de ruimtes van galerie De Buck te Gent. Verder schrijven aan een volgende bundel behoort ook tot de planning, ik heb al een voorlopige titel. Op langere termijn en als mijn gezondheid het toelaat, wil ik werken aan een weinig voor de hand liggende combinatie van essay, poëzie en dagboeknotities, een mix van genres en reflectief van aard. Als voorbeeld denk ik aan de boeken van de Nederlandse auteur en dichter Lieke Marsman die ik hoog waardeer en die ik trouwens in het begin van mijn bundel citeer.
Verder zijn er in de komende maanden expo’s gepland, onder andere in galerie S&H De Buck en voor het Vitrine-project van WARP in St. Niklaas.

Als je vandaag een brief zou moeten schrijven aan de persoon die je over twintig jaar bent, wat zou dan de openingszin zijn?
Mijn vermoedelijke openingszin: ‘Beste vriend, blij dat je er nog bent! Lang geleden dat we elkaar zagen. Zullen we morgenavond nog eens bijpraten in café ‘De reisduif’?’
Graag

 

     Andere berichten

Samuel Vriezen

Elke vorm legt haar eigen logica op aan het werken. door Monique Wilmer-Leegwater - Samuel Vriezen (1973) is componist, dichter, essayist...

Interview Lotte Dodion

Interview Lotte Dodion

'Voor mij is poëzie idealiter een combinatie van hoofd, hart en buik' door Monique Wilmer-Leegwater   Lotte Dodion (1987) is dichter,...

Interview Kris De Lameillieure

‘Ik heb geleerd tijdig de spade neer te leggen voor potlood en een stukje papier’ door Cora de Vos   Kris De Lameillieure (Torhout,...