LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Guido de Bruyn – Lieve Johannes / Brieven aan Vermeer

19 aug 2026

Poëtische illustraties

door Taco van Peijpe



Guido de Bruyn (Asse, 1955) publiceerde gedichten in diverse bloemlezingen en enkele bekroonde bundels. In deze nieuwste bundel, waaruit onlangs een voorpublicatie verscheen in Meander, heeft hij schilderijen van Johannes Vermeer voorzien van poëtische illustraties. De dichter heeft zijn werk dienstbaar gemaakt aan dat van de meesterschilder. In een gedicht bij ‘Schrijvende vrouw met dienstbode’ schrijft hij: ‘Zie mij daar zitten, dankzij jou, / Johannes. Laat mij van poëzie de stuntel, / niet die van de liefde zijn.’ .

De mooie ambachtelijk geconstrueerde gedichten zijn toegankelijk en licht van toon en verbinden speelse fantasierijke verhalen aan de voorstellingen op de schilderijen. De lezer wordt hierdoor uitgenodigd nog beter te kijken naar de afbeeldingen naast de gedichten. Een paar gedichten zijn in briefvorm geschreven, met de aanhef ‘Lieve Johannes’. In vele andere spreekt de dichter de schilder toe. Ook figuren uit de schilderijen worden sprekend opgevoerd.  Cursivering geeft aan wanneer deze stemmen aan het woord zijn. Op deze manier wordt de lezer binnengeleid in de gedichten en ook in de vaak intieme taferelen van Vermeer.

Een interieur toont de schilder aan het werk, op de rug gezien, en bij het raam een fraai geklede dame met een bazuin en een boek. Het model spreekt en neemt de positie van de kijker in: ‘Op tijd en stond stap ik uit de lijst, / mag ik achter je camera obscura staan. / Daar wachten krijt, oker en aluin, je alaam / dat niemand aan mag raken: vijzel, pot en penseel.’ Een andere keer stapt de dichter zelf het schilderij in: ‘Vandaag stapte ik in de kamer van je schilderij, / zag de rug, de verbaasde blik van je model. / Of ook ik een leerling was vroeg ze. / Nog niet, zei ik, en kuchte (…)

De alledaagse taal mag soms wat prozaïsch aandoen, maar de vaak subtiel geplaatste rijmklanken, ritmische  zinnen en dichterlijke fantasie sluiten twijfel uit, dit is poëzie. Dat komt mooi tot uiting in het volgende gedicht, waarin een jonge officier een stoer verhaal opdist over zijn gewiekste reactie op een terechtwijzing van zijn meerdere. Het slot neemt een verrassende wending.

Het bijpassende schilderij ‘Soldaat en lachend meisje’ toont een man met hoed en rode jas, één hand in de zij, op de rug gezien en aan tafel gezeten tegenover een lachend meisje met een glas wijn in de hand.

XI

En toen kreeg ik dus te horen:
met permissie gezegd, mijnheer de officier,
maar dat klaproosrood van u betaamt niet, behalve
in de liefde en in de oorlog, bevinden wij ons
misschien in één van die posities?
En ik moest lachen om dat woord posities en vooral
omdat hij in het meervoud sprak, en ik zei
dat ons garnizoen gewis niet in de loopgraven lag,
maar of ik nu al dan niet iemand bemin, kapitein, zei ik,
zijn dat met permissie gezegd uw zaken?
Stilte.
Hij krulde zijn snor, liet dalen zijn stem en sprak:
kies dan toch een ander rood, monsieur,
karmijn of kardinaal of vermiljoen, steen of kers
of desnoods ossenbloed maar komaan,
toch die klaproos niet,
de vulgaire, al te kortstondige klaproos niet?
Dus daarom zit ik hier.
Om te beginnen wil ik karmijn of kardinaal of vermiljoen,
steen of kers of desnoods ossenbloed, maar ik wil u
en ik wil u langer dan een zomer lang
beminnen.

De lezer/kijker valt midden in een gesprek zodra hij de kamer binnenkomt. De door de dichter gekozen directe rede wordt ook nog eens toegepast door de officier die een kapitein, kennelijk zijn meerdere, sprekend opvoert. De kapitein spreekt zijn ondergeschikte ironisch aan met ‘meneer de officier’  en begaat de onhandigheid in één zin te spreken van ‘de liefde’ en ‘wij’. Daar speelt de officier -naar eigen zeggen- handig op in. Dan bereikt zijn vertelling aan het meisje een dramatisch hoogtepunt. De meerdere is in verlegenheid gebracht: ‘Stilte. / Hij krulde zijn snor, liet dalen zijn stem en sprak:’ De dichter laat dit hoogtepunt goed uitkomen, midden in het gedicht, door een lange pauze na ‘Stilte’, gevolgd door een prachtige cadans in de volgende zin met drie beklemtoonde éénlettergrepige woorden: ‘snor’,stem’, ‘sprak’. De verhalende toon van het gedicht wordt hierna verlaten. De kapitein geeft een lyrische opsomming van diverse tinten rood. De officier neemt die beschrijvingen over verbindt daaraan zijn liefdesverklaring aan het meisje. Beminnen wil hij haar, langer dan de kortstondige klaproos bloeit.

In het gedicht bij ‘Het melkmeisje’ wordt de poëtische magie nog verder opgevoerd. Het afgebeelde personage spreekt en krijgt antwoord van het schilderij. Beide sprekers spreken zwijgend.

VIII

Loos de ballast van het banale,
zwijgt het melkmeisje.

Tenzij je er het bijzondere van ziet,
zwijgt luider nog het schilderij.

Het meisje dat eeuwen geleden de melk uit een kan loosde verrichtte een alledaagse handeling, niet waard om herinnerd te worden. Maar door het oog van de schilder gezien werd het iets bijzonders. Zo gezegd klinkt ook dit banaal, maar zoals de dichter het vertelt is het bijzonder. Knap gedaan.

Op een vergelijkbare manier wordt een alledaagsheid uit het verleden tot een kunstbeleving verheven in het volgende gedicht, waarbij een deel van het ‘Uitzicht op Delft’ is afgebeeld.

X

Twee vrouwen.
Wie lang genoeg luistert filtert op den duur
hun stemmen uit het geroezemoes van toen.
Verwacht geen hoog- of laaglied, laat staan
een nog te polijsten melopee.
Dit is een simpel praatje aan de waterkant, en
de prijs van de eieren in de mand
leverde het alibi.

Twee vrouwen, lente en windstil.
Hoe ze aldoor instemmen met elkaar, met
alleen een knikje soms (ook dat valt te horen
als je lang genoeg blijft kijken).
Een schaterlachje af en toe, iets van vroeger
tussen twee tantes, nichten, zussen.
Ik vergeet altijd de tijd als ik u zie.

Naast hen stond eerst een man (een hoed
waaronder een meneer) maar dat vertroebelt
de wolk boven het gesprek.
Dus liet de schilder het bij een duet.
Minder is Vermeer.

De twee vrouwen die de dichter ter sprake brengt, vormen slechts een minimaal detail op het schilderij. Twee figuurtjes op de kade, afgetekend tegen een lichte glinstering op het water, waarachter een wemelend patroon van schepen, huizen, schoorstenen en torens oprijst. De dichter nodigt ons uit de verbeelding te laten spreken door te luisteren, dus te kijken naar het schilderij en de tijdsspanne met verbeelding te overbruggen. In de tweede zin eert de dichter naast de Hollandse schilder ook een Vlaamse vakbroeder (Paul van Ostaijen, uit het gedicht ‘Melopee’: ‘Langs het hoogriet / langs de laagwei’. Het begin van de tweede strofe is een juweeltje. In vijf woorden wordt het intieme samenzijn van de reeds aangekondigde hoofdpersonen in een idyllische setting geplaatst. Deze ritmische zin is op zich al bijna een gedicht. De slotzin van deze strofe, uitgesproken door één van de vrouwen, speelt nog eens met het tijdsaspect. De slotstrofe beschrijft wat er niet is. De afwezige man zou, indien nog aanwezig met zijn hoed een ‘meneer’ zijn geweest die de intimiteit verstoorde. De ‘wolk boven het gesprek’, een lichtvlek op het water in de vorm van een omgekeerde praatwolk, maakt de vrouwen in mijn ogen tot twee aardige stripfiguurtjes. Een leuke woordspeling aan het eind rijmt nog op de verdwenen ‘meneer’.

Een punt van kritiek tot slot. Het gedicht nr. XXI over ‘Een luit tegen een vergeten muur’ houdt volgens mij geen enkel verband met de gedeeltelijke afbeelding van het schilderij ‘Dame met dienstbode’. Hier lijkt iets mis te zijn gegaan.

Dit is een bundel om veel en vaak van te genieten, mede dankzij de fraaie, bijna paginagrote kleurenreproducties.
____

Guido de Bruyn (2026). Lieve Johannes / Brieven aan Vermeer. Uitgeverij P, 56 blz. € 21,00. ISBN 9789493534049

     Andere berichten

Klaske Havik – Benader

Klaske Havik – Benader

Pretentie op bordkarton door Peter Vermaat - - Ik verzin het echt niet zelf. Winternacht - ik loop door lege straten langs gesloten...