LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Rezan Habash – Niet genoeg van de liefde

21 aug 2026

Dichter bij de vraag

door Ivan Sacharov




Sommige vragen hebben meer dan één antwoord. Wat, bijvoorbeeld, maakt een mens een dichter? Een op het eerste gezicht simpele vraag. Maar als we erover nadenken misschien toch niet. Het hangt er ook vanaf wat we onder een dichter verstaan. Is dat gewoon iemand die gedichten schrijft? Dan wordt de vraag praktisch beantwoord door hem te stellen. Maar een dichter zijn (b)lijkt zoveel meer in te houden. Rezan Habash, afkomstig uit Syrië, in het eerste gedicht van zijn debuutbundel Niet genoeg van de liefde, zegt het zo:

OM DICHTER TE ZIJN
—                                                                 —Voor mijn liefste en mijn dochters
Om dichter te zijn
tel je voorbijgangers
noteer je hun vermoeide ogen
voel je hun rillingen in de ochtend.

Om dichter te zijn
doorklief je de lucht
draag je een onzichtbaarheidsmantel
ben je een elvenman, verliefd op alle vrouwen.

Om dichter te zijn
moet je reizen
verlatenheid, verovering vervloeken
het lot vóór zijn,
een god van steen
regen zijn
wijn zijn.

Om dichter te zijn
leer je pijnlijk geduld en
hoe niet te schreeuwen,
jezelf te omhelzen,
hoe je niets hoeft te missen.

Om dichter te zijn
reist je ziel naar ongerepte steden
naar alle huizen die wachten
op de vertrokkenen
de afwezigen
geliefden.

Wauw! Dat is heel wat bij elkaar. Laten we het eens langslopen. Om dichter te zijn moet je kunnen tellen en voelen… Ja, alles telt! Ook die ogen: die vermoeid zijn van het vele kijken. Want een dichter kijkt zijn ogen uit. En als dichter draag je ‘een onzichtbaarheidsmantel’, volgens de tweede strofe. Dat doet mij meteen aan Pablo Neruda denken, die in zijn Odas Elementales schrijft over ‘de onzichtbare die zingt met alle mensen’. In zijn geval om het leven echt te zien zoals het is, vermoed ik: door zelf te veel aanwezig te zijn kun je het leven van anderen verstoren… Maar de ‘onzichtbaarheidsmantel’ wordt in dit gedicht om een andere reden gedragen, denk ik. Om de dood te misleiden? In een land waar je leven niet zeker is kun je maar beter niet te veel opvallen. Als dichter ben je ook een elvenman, en verliefd op alle vrouwen. Zeker: want sprookjes vertellen hoort bij de kunst om te boeien en schoonheid is poëzie in actie. Om dichter te zijn moet je reizen en het lot voor zijn… Alles wat je ook maar tegenkomt of denkt te zúllen tegenkomen meenemen in het gevoel waarmee je schrijft. Een dichter heeft pijnlijk geleerd geduld te hebben (een werkelijk onschatbaar ingrediënt voor alles, inclusief poëzie). Hij weet hoe ‘niet te schreeuwen’, en hoe hij ‘niets hoeft te missen’, en last but not least: hij omhelst zichzelf: hij accepteert wie hij zelf is. Vaardigheden die we allemaal als mens wel kunnen gebruiken, maar dit terzijde.

Het meest opmerkelijke beeld wordt bewaard voor de laatste strofe, waarin de ziel van de dichter reist naar ‘ongerepte steden’. Ik durf de weddenschap wel aan dat dit een woordcombinatie is die niet vaak voorkomt in poëzie van dichters die in Nederland geboren zijn. Eigenlijk is hier sprake van een ongelooflijk verschil in perspectief. Ongerepte natuur kennen we maar al te goed. Maar ‘ongerepte steden’? In steden wonen mensen, die van alles doen. Ongerept is wel het laatste wat (hier) een stad is! Een oorlogssituatie verandert dat beeld echter radicaal. Wie verlangt er dan niet naar de ongereptheid van het gewone leven? En zo blijkt een dichter volgens deze dichter vooral iemand die zijn perspectief op het leven aan anderen kan laten zien. In het volgende gedicht (van de bundel) zelfs op een visionaire manier:

WIE HEEFT JE VERTELD DAT WIJ DOODGAAN?

Wij! Als wij sterven, worden we
bloemen in de lente
vlinders in de zon
paden naar de overwinning
brood voor de profeten
water voor de dorstigen.

Als wij sterven, worden we
hymnen voor God
sterren in de duisternis
de dageraad van hoop.

Wanneer wij sterven, mijn liefste
worden we een vlam voor vele generaties
en duiven die de naam van vrijheid dragen.

Als wij sterven, leven anderen
in onze dood.

Wij zijn de Koerden.

Ik vind dit schitterend. Resurrection 2.0! Voor ‘een atheïstische Koerd’, zoals de dichter op de achterflap van zijn bundel wordt genoemd, is dit toch wel een zeer geloof-waardig gedicht. ‘Als wij sterven, leven anderen / in onze dood’, leest bijna als een spreuk uit de Bijbel. Was er in dat boek niet iemand die zei: ‘niemand heeft groter liefde dan wie zijn leven geeft voor zijn vrienden’? De dichter komt uit Syrië. Niet ver van waar de Bijbelse verhalen zich afspeelden. Misschien zijn dergelijke zinsneden daar meer gebruikelijk dan hier in West Europa. Hoe dan ook, dit doet niets af aan de enorme betekenis van de inhoud van wat er gezegd wordt. De bundeltitel ‘Niet genoeg van de liefde’, sluit hier zeer goed bij aan. Een bundeltitel die trouwens op verschillende manieren gelezen kan worden. Is het een statement? Is het een klacht? Een tekort? De dichter verlangt in sommige gedichten erg naar zijn vrouw en kinderen, van wie hij al jaren gescheiden leeft. In het gelijknamige laatste gedicht van de bundel schrijft hij: ‘vergeef me, mijn hart, als ik alleen gelaten heb / vergeef me, als dit lichaam je heeft verraden. / Mijn enige hart / sterf niet / sterf niet / ik heb nog niet genoeg van de liefde.’

De liefde heeft in deze bundel het laatste woord. Zoals het hoort. Maar vriendschap is ook belangrijk. Het mooiste gedicht vind ik ‘VRIENDSCHAPSAKKOORD’:

Met zeven vingers vraagt de speler zijn oed:
Weet je hoe ik sterven zal?

De la-snaar antwoordt:
Nee, je gaat niet dood, je blijft in mij vliegen als een duif.

Hij vraagt het nog eens:
Weet je hoe ik sterven zal?

De fa-snaar antwoordt:
Je zult sterven in de bergen als een vrije strijder,
voor een vaderland van vele vlaggen.

Hij vraagt het zijn vingers opnieuw:
Weet je hoe ik sterven zal?

Vermoeid en droevig antwoordt de re:
Je zult sterven wanneer het plectrum je
aan stukken snijdt op dit hout,
in de kist van een gemartelde heilige,
om as en stof te worden voor één akkoord.

En weer vraagt de speler:
Gewonde vingers, hoe zal ik later sterven?

Als een oude, verveelde koning zegt de do,
die al jaren dood is:
Je zult sterven zoals ik hier eeuwen terug al stierf.

De mi-snaar onderbreekt hem – de fijne snaar,
die de ziel streelt en het hart doet opleven:
Je zult sterven, lief, als je leeft zonder passie.
Een stuk vlees word je dan,
een konijn in de klauwen van een oude adelaar,
hoog in de bergen.

En de oedspeler zegt:
Ik zal sterven als mijn vingers breken,
als mijn duim moe is van al het verlangen.
Wees dan mijn houten kist,
het lied dat afgodsbeelden bezielen kan
mijn lijkwade in symfonie.

Dan antwoorden de snaren:
We zullen treuren als je gaat.

‘Een vaderland van vele vlaggen’, is Syrië zeker. En natuurlijk valt er ook wat op dit gedicht aan te merken: eerst vraagt de speler zijn vraag aan de ‘oed’, een snaarinstrument. Verderop staat: ‘hij vraagt het zijn vingers opnieuw’. Vraagt hij het nu aan zijn instrument, of aan zijn vingers? De dichter zou zijn teksten wat consequenter kunnen maken. Maar is dit belangrijk? Zijn vingers zijn wellicht zijn instrument. Hij vraagt uiteindelijk zijn vragen misschien aan zichzelf. We vragen misschien allemaal onze vragen uiteindelijk aan (de god in) onszelf.
____

Rezan Habash (2026). Niet genoeg van de liefde. Uitgeverij Van Kemenade, 42 blz. € 12,50. ISBN 9789071376825

     Andere berichten