‘het houdt je van de straat.’
door Alja Spaan
Josse Kok (1983) is een dichter uit Dordrecht. Na enkele jaren voordragen bracht hij in 2013 zijn debuut Ik heb geslacht uit bij Uitgeverij Liverse te Dordrecht, die werd genomineerd voor de Buddingh’-prijs 2014. In 2018 verscheen zijn tweede bundel Probeert u het later nog eens bij Opwenteling, in 2026 opgevolgd door Schulp. Werk van hem verscheen o.a. in Liegend Konijn, De Optimist en Revisor.
De gedichten bij dit interview komen uit Schulp.
foto © Kevita Junior
–
Kijk in de spiegel en herhaal je namen.
Je roepnaam, je doopnaam, je achternaam
en je geuzennamen. Klinkt het episch
of sneu?
–
Besta ik wel, is wat in mij bestaat hulpeloze
fantasie, een doekje voor het bloed dat vloeit?
Uit ik mij wel in dienst van dit wezen?
–
Blikken vallen op mij, agenda’s blijven verborgen.
Ik behels niemand dan mijzelf, blijf een vreemde
voor wie mij waarneemt, wie mij bedreigen kan.
–
Ik zoek naar vragen die antwoorden overbodig
maken, ik wil oplossen in wat onoplosbaar is.
–
In mij worstelt hunk met hork, stemrecht
met despoot, mammoet met permafrost.
–
Kijk in de spiegel en herhaal je namen.
Je roepnaam, je doopnaam, je achternaam
en je geuzennamen. Word een bezwering
die stilte afdwingt, spreek jezelf uit
Gefeliciteerd met je nieuwe bundel. De recensent van Meander stelt dat je ‘gedichten vaak gedachtewentelingen zijn, bespiegelingen die je regel per regel kan ontdekken.’ Je hoofd zit waarschijnlijk vol. Is er nog ruimte voor toeval of spontaniteit? Zet je elk probleem of elke ervaring meteen om in literatuur? Is er ook wel eens een loze gedachte?
Zo vol zit mijn hoofd eigenlijk niet, zeker niet sinds ik de bundel compleet heb. Dat zal er inderdaad mee te maken hebben dat ik uit ieder obstakel en elke emotie wel een gedicht tracht te destilleren, doorgaans mislukken die pogingen uiteraard. Gelukkig bleef er een coherent blok overeind voor een derde bundel. Ik heb zo’n 2000 gedichten opgeslagen sinds ik digitaal archiveer, het zou toch wat wezen als dat ook allemaal goed genoeg voor publicatie is. En de loze gedachte, tja, hoe bepaal je of deze loos is? De tijd zal het leren. Een idee uit 2023 kan ik wellicht pas uitwerken in 2032, omdat ik er in 2023 nog niet de juiste woorden aan kon geven. Kortom, het houdt je van de straat.
Groeide je op met boeken en bundels?
Nee, voornamelijk met tv en muziek. Ik ben nooit een grote lezer geweest, en ik begon eigenlijk pas met het lezen van gedichten toen bleek dat ik ze zelf ook schreef.
Wat was het eerste gedicht dat indruk op je maakte? Of het eerste onvergetelijke boek?
Ik denk dat Bijbelsch van Deelder de eerste bundel was waar ik geen genoeg van kon krijgen, al was mijn smaak toen nog heel anders, veel meer gericht op humor en performance.
De recensent heeft het over ‘omdenken, anders leren kijken’. Zit er een les in jouw werk? Of is het simpeler, wil je gewoon graag delen? Met andere woorden: hoe vrijblijvend zijn jouw inzichten?
Dat zijn voornamelijk vragen die een lezer zou moeten beantwoorden. Ik probeer geen dogma’s op te dringen, ik wil vooral mijn hopelijk authentieke inborst in taal gieten en kijken of iemand daar iets mee kan, iets bij voelt, iets van meeneemt. Dat blijft een spannend en onvoorspelbaar ding. Je weet nooit hoe origineel iemand je werk interpreteert.
Heeft een dichter een maatschappelijke functie? Niet alleen die van maatschappijcriticus?
Ik weet niet of een dichter een andere functie heeft dan het schrijven van het gedicht. Het gedicht zelf kan een functie hebben, liefst zelfs een functie die de dichter er niet in voorzag. Dat is kunst.
De recensent haalt een regel aan uit Oermoet, ‘Verlangen is geen organisme / dat mij vult, ik kruip gaten in / tot ik begrijp hoe zij ontstaan.’ Is dat het meest essentiële van je werk?
Dat zou kunnen. Ik denk dat iedere schrijver bezig is om zijn verleden, heden en toekomst te onderzoeken tot er iets klikt, een inval waar je op kunt voortborduren tot er een steekhoudend gedicht uitrolt. Verder zou ik vooral even wachten met het duiden van de essentie van mijn werk tot ik er niet meer ben, ik zit er nu nog middenin.
–
Iedere dag ga ik met een kruiwagen vol ingewanden
naar de markt, knutsel een kraampje van mijn botten,
span er een luifel van huid overheen, wacht in de vroege
zon tot de wind goed staat. Klandizie laat op zich wachten,
niet veel mensen trekken deze uitgesproken geuren.
–
Ook vandaag zit ik weer moedeloos in mijn klapstoeltje
een krantje te lezen. Ik verwacht niemand, let niet eens
meer op. In mijn ooghoek zie ik iemand in mijn organen
wroeten, doorgaans duurt dat niet lang. Ik hoop op
een lieve stem die vraagt: Hoeveel voor dit hart?
Hoe kwam deze bundel tot stand?
Ik denk vooral door het analyseren van mijn introverte kant, de angsten die ik wil overwinnen, het omarmen van de risico’s die het met zich meebrengt als je je diepste zelf wil blootleggen, de kwetsbaarheid die je niet altijd wilt tonen maar wel moet accepteren.
Heb je een ritueel bij het schrijven? Schrijf je dagelijks?
Als het komt, komt het. Anders niet. Als ik vreselijk veel zin heb om iets te schrijven, hang ik doorgaans een uur met een vinger op een toets. Ik heb het niet voor het zeggen, ironisch genoeg. Soms komt het in een uur met bakken uit de hemel (of hel) en is er vervolgens een maand radiostilte. Doodmoe word je ervan.
Een trage lezing is noodzakelijk, zegt de recensent ook. Elke dag één gedicht en de bundel naast het bed?
Ook dat hangt af van de lezer. Ik heb de bundel gecomponeerd als een doorlopende reis door mijn krakkemikkige ziel, zo zou men het kunnen lezen, men kan ook pauzes nemen, het is ook een toestand allemaal.
‘Durf te luisteren en je hoort de ganzen / die moedig naar het zuiden vliegen.’ Deze, door de recensent aangehaalde regel, illustreert de quote van Kathleen Kelly, ‘Sometimes I wonder about my life. I lead a small life. Well, not small, but valuable. (…)’ Ben je nu echt uit je schulp gekropen?
De schulp en ik, wij ervaren een dagelijkse worsteling. Ik ben een stoplicht van introvert en extravert, het ligt aan mijn bui, het weer, de omstandigheden. Kortom, je draagt wat je kan.
–
Ergens beneden, in mijn troggen
waar de bodems tektonisch knuffelen
zwemt een roze amfibie in mij rond.
–
Ik wil hem de weg naar buiten wijzen,
laten zien aan nieuwsgierige biologen
want hij verdient een warmer water.
Als ik hem zie bewegen en wil
grijpen, ontspartelt hij mij.
–
Hij is de bacterie die ik niet kwijt
mag raken, een teer doodsvonnis
dat zich verschuilt in mijn borst.
–
Zijn aanwezigheid ontsluiert
mijn zwakte, voedt de zachte
tint in mijn starre korst.
Je houdt van optreden, hoe is de interactie met het publiek?
Die is altijd prima. Het podium voelt als een veilige plek, een huiskamer waarin ik soms de jolige oom, soms de zonderling in de hoek en soms de hysterische romanticus kan en mag zijn.
Je deed mee met Slamwedstrijden. Ik las op IDFX ‘Zijn poëzie hangt ergens tussen de breekbare liefdesverklaring en de frustratie-uiteinde tirade.’ Hoe kwam je van het podium tot je bundels?
Ik merkte dat podiumgedichten heel vluchtig werden, de juiste toon op het juiste moment, maar later wist niemand meer precies wat er nu gezegd was. Tegenwoordig is het voor mij meer de uitdaging om iets neer te zetten wat beklijft, wat terug te halen valt.
Je deed ook mee aan De Gedichtenwedstrijd, hoe beviel dat?
Dat was een leuke oefening, niet meer dan dat. Wedstrijden zijn gek. Iedereen schrijft zo anders, het is nauwelijks te vergelijken, en o zo subjectief.
Je debuut (2013, Ik heb geslacht) kreeg meteen de Buddingh’-prijs. Wat heeft die voor je gedaan?
Ik werd slechts genomineerd, heb de prijs niet gewonnen, maar de nominatie was een onverwachte opsteker, het gaf mij meer vertrouwen in mijn schrijverschap.
Je schreef ook voor de site De Optimist. Is er voldoende afzetgebied voor een dichter?
Nee, het is en blijft een niche, maar gelukkig houd ik van niches. Stel je voor dat je beroemd wordt als dichter, vreselijk.
Heeft voor jou een Dichter der Nederlanden betekenis? Of een stadsdichter? Zou jij stadsdichter van Dordrecht willen zijn?
Het is soms leuk om in opdracht te schrijven, maar het kan je ook beperken. Momenteel geniet ik vooral van de vrijheid die ik heb om ieder onderwerp aan te pakken. Ik denk niet dat stadsdichter op dit moment een optie is, maar wie weet.
Wat wil je nu gaan maken?
Ik heb momenteel niet meer ambities dan volgende bundels uitbrengen. Maar ook dit kan volgend jaar weer heel anders zijn, de toekomst is gehuld in nevel.
–

