Van PAUL MEEUWS (Roermond 1947) werd in 2017 de debuutbundel De geluiden genomineerd voor de Buddingh’ Poëzieprijs. In 2022 verscheen zijn bundel Aanblik die toen al voor een klein deel gewijd was aan het maken van een gelijkend portret van de langzaam in zichzelf verdwijnende, ook schilderende, geliefde. Beide boeken verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. In zijn jongste poëzie blijft hij dat verdwijnen volgen en zoekt hij naar de juiste woorden voor wat er nog is.
Portret in olieverf © Rian van Delft
–
Zo zacht staat de muziek nu
dat het op druppelen lijkt uit een maatglas.
Je ligt naast me met je ogen wijd open
alsof je wel luistert maar niet naar wat ons
zou moeten doordrenken.
–
Je stilte is me te droog, te afgelegen
in een meer waarin ik naar je toe drijf.
Ik deed je kamer op slot om een eiland te maken,
maar het rumoer op de gang wekt je verlangen naar ginds,
de poort uit naar waar we ooit hebben gewoond.
–
Is het heimwee, iets wat muziek misschien oproept
met zijn snaren en hout, zijn donkere glans?
Waar in je geheugen drukt iemand de toets in
die dit teweegbrengt?
–
Eilandgevoel. Ondeelbaar ogenblik
op een te smal bed. Nu het glas leeg is
is er alleen nog je jas die je naar toen helpt,
de kou in waar een vreemde je aanspreekt,
bij de hand neemt en vriendelijk terugbrengen zal.
–
Nog ongezien in het veilige donker
van je nachtkleren te zijn,
terwijl ik je daarbuiten de wereld in praat
waar de mensen ons groeten.
–
Ik moet geduld hebben,
het helpen aankleden vertragen tot het tempo
waarmee het licht je kamer in schuift en op mij valt
zoals je voor het eerst naar me keek.
–
Maar je kijkt niet, ontwijkt een bodemloos gat
dat ik met twee handen gespreid houd en valt haast.
In je beven voel ik hoe je zoekt naar een ander houvast
dan ik bied, hoe je naar meer grijpt dan mijn arm,
hoe waar je instapt niet meer de maat heeft die bij je past.
–
Man, vrouw, kind;
iemand zegt goedemorgen
en ineens zit je aan tafel en smeert je brood
met naast je die zachte stem uit je geluksjaren
die je je kleren in praat,
een leven in waar je ooit brood at
maar dat nu oud ligt te worden terwijl men
een klaarlichte dag onder je neus schuift.
–
Had ik nog wat kunnen blijven
zoals een sfeer soms blijft hangen,
een gedachte altijd verwijst naar iets anders,
dan had er iets kunnen ontstaan
als mijn naam in jouw mond, klank
uit een verleden dat ik voor je bewaak.
–
Daarheen fiets ik nu terug, rijd achterom,
zie dat het licht er nog brandt, op tafel de krant
waarmee mijn wintermorgen begon.
–
Alweer zette een dag samen ons buiten spel.
Naar die van je buren, thuiskomend van hun werk,
een hond uitlatend, kort zwaaiend soms naar jouw raam,
is een onzetbare stap, al is onze wonderwereld
al even gewoon met zijn vuile theeglazen,
verpieterde kerstroos.
–
Als betovering bestaat,
dan in de verwarring van jouw mond op de mijne.
(Wie zo nabij? Welk herinneren doet lippen zo tuiten?)
Het zoete ervan verflauwt niet,
duurt tot in de stoel die ik vanmorgen verliet.



