foto © Luk Stiens
Marc Terreur maakte in 2021 de overstap van muziek naar kinderverhalen en poëzie. Hij publiceert ook korte stukjes proza en – heet van de naald – brengt eind maart een eerste novelle uit: Veritée Vuurvlieg. De waarheid over Lagerwal. De auteur wordt zowel geïnspireerd door de intimiteit van het individuele zoeken als door het grote rumoer in de wereld.
Behalve op diverse podia in Vlaanderen en Nederland werd zijn werk gesignaleerd in verzamelbundels, scheurkalenders, online en fysieke literaire tijdschriften, op straat.
Met zijn gedicht Nesten won hij in 2024 de poëziewedstrijd ‘Erfgoeddag zoekt Thuisgedicht’. Terreur was te beleven op ZuiderZinnen (het Antwerpse Festival van het Woord, edities 2023-2024-2025), terwijl Tegenpolen belandde op het International Literature Festival Utrecht 2024. N.a.v. Poëzieweek 2025 zat Schildpad in de Vlaamse selectie van Weesgedichten.
Marc Terreur maakt deel uit van de Klimaatdichters. Hij prijkt met twee klimaatgedichten in een eerstdaags te verschijnen internationale ‘digbundel’ (Protea Boekhuis, Pretoria).=
Marc Terreur stond eerder op Meander.
–
het lukt me niet
mijn woorden dansen
als beton
–
ik zing vals als een metser
ik stapel zonder mortel, de bakstenen
tuimelen, mijn oren doen pijn
–
ik mag dan wel ‘haar minstreel’ zijn,
‘haar dichter’ — ik krijg haar niet
bejubeld, niet verdicht
–
hoogstens de kamer
en hoe die aan het zingen slaat
als zij muziek naar binnen danst
–
maar de kamer is ze niet
ze is de warmte in de kamer
en zonder haar schijnt daar
–
geen licht — dus wat zou ik willen
bouwen aan een immer dim gedicht
als zij de warmte, zij het licht
–
ik verlaat de werf, verzaak het truweel
deze metselende minstreel
klapt zijn liedboek
–
dicht
–
recht je schouders
krast de kraai achter zijn rug
maar hij loopt al te lang naar leidraden
–
gebogen, de hoge noten buiten bereik
en het lichtzinnige blauw vol
andermans verlangens
–
in de bloembedden rukt weemoed op
sneller dan het zevenblad, hij duizelt van de seizoenen
en de snelheid van het journaal
–
met halve gieters tjokt hij voort
al zou de wind mogen gaan liggen
de stokken in zijn knieën minder stijf
–
hij schuifelt, stoot de perkboord aan
–
struikelt en klauwt alsof niet alles tussen kromme vingers glipt
het is de dag van de val, het knakken van de heup
zijn gerimpelde grimas kijkt pal
–
in de kruin van de topzware oleander
die voor de derde keer vandaag
op zijn zij is beland
–
gieters klokken
langzaam
leeg
–
alles trekt naar de volle grond
–
ik heb alle ruimte
sinds een kleine big bang
me zwakke telescopen gaf
en dagelijks minder om na te kijken
–
wie vond kosmische regens uit
van keien met kernen van ijs
dat niet eerder zal smelten
dan in de miljardste nacht
en kometen die niet blijven
voor het ontbijt
–
laat dat goddelijke monster een ster verzinnen
die omziet uit haar koers
en een loden planeet
met lichtheid slaat
–
zwaartekracht
was er al genoeg
[Depresión Aislada en Niveles Altos]
–
je kon mens en dier zien krimpen
–
de waterballon zwol tot zwart en
barstte hemelbedden door het plafond
in kolken dreven damherten en dijkenbouwers voorbij
–
rivieren gaven eerst het slikken op, dan het vinden
van een tweede, derde, vierde adem
ze vulden wensputten voor kieuwen en sluitspieren
ten einde grip haakten ze zijtakken in elkaar — als verre nichtjes
samen schrap — vielen nieuw territorium binnen
gumden het uit en hertekenden de kaart
–
uitgekleed en verhakkeld keerde langzaam
iets van landschap weer, geperst en gekneed
uit pulp en papier-maché — de nichtjes dropen af
–
om in verfrommelde bedding op te drogen
murw, languit, en door mensenvingers met schuld gewezen
daar wachtte enkel wachten
–
tot de schaamte zou verdampen, van tussen de scheuren
van een spiegeltjesjurk — armen op apegapen, huid te veel
gekreukelde vingertoppen die kant noch wal raken
–
wie er toen niet bij was, weet van niets
–
acht normaal:
–
de geel-en-paarse overvloed die uit de wondkorsten brak
op de geschaafde knieën van een uitgegleden helling

