Een Volksdichter des Vaderlands
door Hans Franse
–

–
(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)
En Gorkum rijst van ver,
Daar heft zich op den linkerzoom,
En spiegelt in de brede stroom
Een slot van eeuwen her.
‘t is Loevestijn,’t is Loevesteijn (…)
Het ís het eerste gedicht dat ik via mijn moeder (1897-1959) hoorde, dat ze van buiten had moeten leren op haar Rotterdamse lagere school op het Stieltjesplein. Ze declameerde het voor mij en ik luisterde ademloos. Wie de dichter was? Ik had geen idee. Dat ontdekte ik pas later.
Ik bracht de oorlog door in Rijswijk, grauw als heel Nederland grauw was. We woonden in de Ottoburgstraat, ik wist niet waar de Ottoburg lag of wie, mogelijkerwijze Otto Burg zou kunnen zijn. Later ontdekte ik, dat het grote, deftige en wat sombere leegstaande huis tegenover de kerk de Ottoburg was. Er stond een grote boom voor en het pand werd van de Herenstraat afgesloten door een monumentaal hek. Nog later hoorde ik dat de Rotterdamse dichter Hendrik Tollens hier zijn laatste jaren had gesleten. Nu is er het Rijswijks museum gevestigd.
De volksdichter Hendrik Tollens (1780-1856) maakte de vernederende Franse tijd mee en de herrijzenis onder Oranje. In 1816 was Nederland een nieuw koninkrijk, een echte ’natiestaat’, terend op zijn grote koloniale rijk en zijn groots, vooral maritiem verleden waar chauvinisme en Vaderlandsliefde welig tierden. Hoewel de strijd ‘tegen den Spanjaard’ onder ‘Oranje’ ons land vorm gaf, volstond het Wilhelmus niet als eigentijds vaderlandslievend volkslied.
Er werd een prijsvraag uitgeschreven. Uit twee inzendingen koos de jury die van Tollens, met de openingszin: ‘Wien Neêrlandsch bloed door d’aderen vloeit, / Van vreemde smetten vrij’. De Duits naar Nederland geëmigreerde componist, Johann Wilhelm Wilms schreef er een melodie bij. Hoewel het in het voormalig Nederlands-Indië veel gezongen schijnt te zijn, was het geen groot succes. Weliswaar golden ‘die vreemde smetten’ voor de ‘Franse oprispingen’ na de vernederende bezetting, maar het Wilhelmus werd zowel in Noord als Zuid populairder en reeds bij de kroning van Wilhelmina in 1898 werd het Wilhelmus gezongen. In 1932 werd het oude lied ons echte volkslied. Mijn letterkundig schoolboek uit 1900 merkt op dat dit lied echter in zekere opzichten moet onderdoen voor: ‘Wij leven vrij, wij leven blij op Neêrlands dierb’re grond’, dat de tweede prijs behaalde. De schrijver was Mr. J. Brandt van Cabauw en ook deze tekst werd door J.W. Wilms op muziek gezet.
Op Neêrlands dierb’ren grond
Ontworsteld aan de slavernij
Zijn wij door eendracht groot en vrij
Hier duldt de grond geen dwinglandij
Waar eeuwen vrijheid stond
Die vurige liefde voor het vaderland was gevoed door de dichter Jan Frederik Helmers die in de Franse tijd tot een soort profeet was geworden door een gedicht voor te lezen aan het vernederde volk, dat tot appèl werd: ‘De Hollandsche Natie’. Het werd vol vuur en vaderlandsliefde, dat vol historische trots, donderend met veel pathos voorgelezen. Deze uiting van Vaderlandsliefde moet ingeslagen zijn als een bom, vooral door de slotregels:
En mijn gebeente rust bij ‘t overschot der Vaderen,
Zegt dan als gij uw ziel in mijn gezang hervindt:
‘Mijn Vader heeft met vuur zijn Vaderland bemind’
Helmers werd een symbool. Volgens de legende, stierf hij vlak voor hij gearresteerd zou worden door de Fransen. Zijn zwager kon slechts het lijk tonen aan de politieagenten. Het dichterschap van Tollens kun je niet los zien van deze historische context: vernederd vaderland, herrijzend koninkrijk en wereldrijk, met een hardwerkende burgerlijke bevolking in keurige huisgezinnen. In mijn leerboek: ’Bij de beoordeling van Tollens’poëzie houde men vooral in het oog, dat een volksdichter, als hij in zijne gedichten moet voldoen aan de behoeften van zijn tijd. Wat het volk voelde en dacht, gaf hij weer in hartelijke taal (…)’.
De dichtgenootschappen en maatschappijen speelden een belangrijke rol, waarvan leden en dichters bijna identiek waren en waarin elkaars poëzie voorgedragen werd. De ‘Hollandsche maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen’ had plaatselijke afdelingen naast vele genootschappen die wetenschap, kunst en literatuur beoefenden. Poëzie werd geschreven om voorgedragen te worden met pathos, grote gevaren, zware woorden, veel tranen en vurige vaderlandsliefde. Dichters droegen voor in genootschappen met meestal fraaie Latijnse namen, en aangezien er veel predikanten onder de voordragenden waren, die gewend waren in grote kerken zonder geluidsinstallatie te preken, moet het gedonderd hebben.
Ook Tollens las voor, evenals Bilderdijk, de Génestet en anderen. Is dat ‘spoken word’ avant la lettre en zijn de talloze dichtersgroepen, overal in Nederland, vergelijkbaar met die Verenigingen? De puber Tollens ontdekte zijn liefde tot poëzie op het internaat in Hoch Elten in de buurt van Kleve waar zijn vader, een Rotterdamse verf- en kwastenfabrikant, hem heen zond. Het was een bosrijk gebied, waar hij tot tranen toe genoot van de grote natuurlijke rijkdom die ook de schildersfamilie Koekoek (In Kleve bestaat nog steeds het museum Haus Koekoek) inspireerde. Hij besloot een groot dichter te worden. In een gedicht ’Avondmijmering’, waarin hij in de spiegel van zijn dichterschap kijkt, bezing hij dit moment. Hij zet de soms overdreven verering van het volk af tegen zijn eigen verwachtingen.
Na het overlijden van Tollens begon literatuurcriticus Busken Huet met de afbraak van zijn poëzie. Ook de Tachtigers dreven de spot met zijn werk. Ik groeide op met die verguisde poëzie die soms zelfs belachelijk overkwam, getuige dit gedicht dat een huiselijke minitriomf beschreef:
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht,
Den adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ’t wichtje tanden.
Tollens schreef toneelstukken,liedjes en verhalende poëzie. Het meeste succes ondervond hij met zijn historische vertellingen die hij zelf voorlas. Zijn ‘meesterwerk’ is de uitkomst van een gewonnen prijsvraag: een soort klein epos over de helden die overwinterden op Nova Zembla. Deze was uitgeschreven op de algemene vergadering van de Hollandsche Maatschappij van 12 september 1818 op voorstel van de afdeling Rotterdam. Er werd een gouden erepenning uitgeloofd. Het werd een verhaal, niet gebaseerd op bronnenstudie, maar vooral op anekdotes en vertellingen, aangevuld met de vaak op effect berekende emotionele fantasieën ( een zeeman wordt door een beer meegenomen, Barends houdt een rede alvorens te overlijden). Het lijden is hard, de solidariteit groot. Ik herlas het onlangs en het viel me mee, gezien mijn gedachten aan die eerste tand. Het is een vertelling op rijm, met veel dialoog en veel toespraken, de tranen vloeien rijkelijk, de opoffering voor het Vaderland springt eraf. Hoewel zijn werk met Vergilius’ Aeneas werd vergeleken, zegt Tollens zelf: ’Het is geen poezij zoals gij die mogelijk zou verwachten. Men vroeg een een tafereel van beschrijvende of liever schilderende poezij en die heb ik gepoogd te geven (…)’
Ik heb De overwintering der Hollanders op Nova Zembla herlezen in de uitgave van de Rotterdammer dr. G. W. Huygens, die na Schotel een biografie schreef van deze hardwerkende en vermogende Rotterdamse verffabrikant, die zijn familie trotseerde door te trouwen met de dochter van een ‘toneelspeler ’(het woord ‘acteur’ lijkt nog niet te bestaan). Huygens vermoedt, dat het idee voor de prijsvraag over de ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597’ uit de koker van Tollens zelf zou kunnen komen, Hij was immers voorzitter van de afdeling Rotterdam. Gezien de procedure kan er van bedrog geen sprake zijn: de teksten werden anoniem ingediend met een verzegelde enveloppe met de naam van de auteur. Die enveloppe werd tijdens een bijeenkomst in het dichtgenootschap geopend en voorgelezen. In ieder geval waren er twee inzendingen, waarvan die van Carel Godfried Withuys (1794-1865) niet werd bekroond. Ondanks een aanvankelijke rancune werd Withuys een groot fan van Tollens.
Huygens citeert het juryrapport, waarin een aantal bezwaren worden genoemd. Mr. J. Fabius vond geen van beide inzendingen geschikt voor de gouden medaille. Hij vond dat Withuys’ werk ‘niet genoegzame verdiensten bezat om zelfs voor het zilver in aanmerking te komen’. Hoogleraar Borger zegt over Tollens inzending: ‘Vooreerst komt het ons voor dat het Vers er bij zou gewonnen hebben zoo er wat meer variatie in de caesuur en wat minder Beeren in waren.’ Wel wordt unaniem het vertellend vermogen geloofd al zijn de feiten ver verwijderd van de waarheid. In een brief aan zijn uitgever Immerzeel schrijft Tollens, terwijl hij nog aan het rijmen en dichten was:
’Ik weet niet welk een daemon mij den lust inblies om nog eens op mijn’ouden dag in den kampstrijd te treden; misschien verlokte het mij, dat het onderwerp zich tot beschrijvende poezij, waarvan wij zoo weinig in onze taal bezitten, prêteerde (schilderende poezij zou het genoemd geweest zijn, indien de dooper der dichtsoorten geen prozaisch theorist geweest was) (…)’
De vertelling werd een succes. Als Tollens met zijn donkere haar en dito ogen dit donderend voorlas en erin slaagde de emotie op de juiste wijze te doceren wekte hij de tranen op met zinnen als: ‘Hier houdt de spreker stil: hij snikt; hij kan niet meer.’ Een hoge gezagsdrager (gouverneur-generaal van Capellen) las het dichtwerk aan zijn vrouw voor, maar moest het voorlezen van aandoening staken. Het werd inderdaad als nationalistisch epos gezien en geprezen. De verffabrikant die uiteindelijk koos voor zijn zakelijk werk, zijn burgerlijke plicht, werd de nationale dichter, een ware dichter ‘des Vaderlands’. Het werk is vertaald en in het buitenland uitgegeven: in Kaapstad en Gent. Er zijn vertalingen in het Frans, een Duitse, een Friese. Het is tweemaal in het Engels vertaald, eenmaal vanuit Leeuwarden, eenmaal in New York.
Toen Tollens stierf was het een nationale ramp: Withuys schreef en zal ‘t ongetwijfeld gedeclameerd hebben: ‘Nu mogen arm en rijk naar lust van het hart hem eeren / Die groter dan Petrarca is (…)’. Er kwam een nog bestaand standbeeld in Rotterdam, dat onthuld werd door de grote historicus Bakhuizen van den Brink, die superlatieven te kort kwam hoewel hij als historicus in had kunnen gaan op het gebrek aan historische bronnen, die vele beren op het pad bracht. Het commentaar van Busken Huet wijst o.a. op het feit dat Tollens de oorspronkelijke bron (het dagboek van Gerrit de Veer*) niet gebruikte en vrijelijk elementen toevoegde. Zowel Huygens als van Duinkerken stellen dat hij in feite niet de 16e maar de 19e eeuw verbeeldde.
De volgende illustratie komt uit het dagboek van Gerrit van de Veer (Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort uit 1598), die zeevaarder Willem Barentsz vergezelde op zijn reis toen ze stranden op Nova Zembla. Het toont hoe het echt was.
(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)
Onderstaande illustratie komt uit De overwintering der Hollanders op Nova Zembla uit 1843. Het toont hoe Tollens wilde dat het was.
(Klik op de afbeelding om deze te vergroten)
Tollens bracht zijn laatste jaren door op de Ottoburg in Rijswijk. Hij werd daar gehuldigd op zijn 70e jaar en stierf er. Hij werd gezien als de grootste dichter van zijn tijd, zijn werk zou onvergankelijk zijn, terwijl de afbraak in feite kort erna begon. Maar de hardwerkende dichter die vanuit zijn verfwinkel de poëzie en de goede doelen steunde, keek naar zichzelf op een andere manier. In zijn eerlijkste gedicht ‘Avondmijmering’ kijkt hij in regelmatige vierregelige strofen, keurig rijmend, terug op zijn leven. Huygens zowel als van Duinkerken beschouwen dit als een van zijn beste gedichten, ik ervaar het als buitengewoon eerlijk. In de tijd zelf werd het nauwelijks opgemerkt. Het gedicht komt neer op de gedachte dat hij na zijn grootse verlangens in Hoch Elten als dichter faalde. Hij zag zijn roem bij de jongeren verminderen, zijn veelbelovende oudste zoon stierf. Zijn geliefde vrouw stierf. Hij voelt nog wel zijn roeping tot de dichtkunst, maar zijn bedrijf vraagt veel van hem. Er is veel roem, maar hij is niet de schitterende dichter geworden die hij wilde: wel een burgerlijk hardwerkend man die gedichten schreef in zijn vrije tijd.
De onafzienbre baan,
Van de plek, waarop ik sta,
En had moeten staan.
Hoch-Elten blijft toch zijn inspiratiebron getuige de laatste strofe.
Afgewaakt en loom.
‘t Hoofd tot sluimren nedervlij,
En van Elten droom
Bronnen
Duinkerken. A. van – Beeldenspel van Nederlandse dichters
Tollens, H – De overwintering der Hollanders op Nova Zembla en Avondmijmering, verzorgd en ingeleid door dr. G.W.Huygens
Duijser, J.L.Ph. – Overzicht van de geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde en van hare hoofdvormen in proza en poëzie (1900)
*Het dagboek van Gerrit de Veer – Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort, uitgegeven in 1598 in Amsterdam bij uitgever Cornelis Claesz. Er is een moderne uitgave van dit interessante werk.





